Jan Florizoone

DE WITTE RAAF

Editie 79 mei-juni 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

So faraway, so close

Encore..Bruxelles is de naam van een vzw, onder leiding van Joël Benzakin en Michèle Lachowsky, die tentoonstellingen organiseert te Brussel. Benzakin heeft de gewoonte af en toe te verhuizen: vroeger was hij als galerist actief in de Antwerpse Museumstraat en later op de Brusselse Handelskaai, daarna betrok hij met Encore..Bruxelles een verdieping in het galerieëncomplex op de Barthélémylaan, en nu opent hij een nieuwe ruimte in de Espace Méridien, een onverhuurde restruimte in de krochten van het Europakruispunt, centrum Brussel. De eerste tentoonstelling op het nieuwe adres heet So faraway, so close; ze is gemaakt door Michael Tarantino en toont werken die verbanden leggen tussen film en beeldende kunst.

Film en beeldende kunst zijn met elkaar verwant door hun fascinatie voor het beeld. De eerste doet het beeld bewegen, de laatste houdt het stil. Maar sinds enige tijd zoeken ze elkaar op en imiteren ze een beetje elkaars gedrag. De cineast doet zijn filmrol wat langzamer draaien, de beeldende kunstenaar laat zijn beeld buiten haar kader treden. Beide kunstenaars naderen elkaar en scheppen werken in een zone tussen statische en dynamische figuren.

De beeldende kunstenaar zal zich vooral inspireren op de mogelijkheid van film om beweging in tijd en in ruimte weer te geven. Die energie wil hij ook toepassen op zijn werk, figuurlijk of letterlijk. Of hij drukt cinematografische kenmerken plastisch uit, of hij gebruikt film of video als het concrete materiaal voor een installatie. Die twee tendensen wisselen elkaar af in de tentoonstelling.

Darren James Almond past het element van de tijd toe op zijn foto's. Hij fotografeert zijn eigen atelier vanuit een vaste plaats om de zoveel minuten tijdens een etmaal en voegt al die beelden chronologisch samen in kaders. Het is een nogal droge en strikte toepassing. En behalve dat het dag en nacht wordt, zien we ook weinig gebeuren in het atelier, dat leeg blijft. Het verloop van tijd en gebeuren is op een meer ruimtelijke manier aanwezig bij Sam Taylor-Wood. Maakt ze foto's of héél korte films? Haar beeld Five Revolutionary Seconds ontstaat doordat de camera tijdens vijf seconden om haar as draait en zo een beeld van bijna 360° vastlegt. In die brede beelden creëert ze de illusie dat verschillende scènes zich naast elkaar afspelen in één ruimte. Enkele modieuze jongeren brengen hun tijd vrij nonchalant door in een loft. Een vrouw ligt in een sofa, een man kijkt door het raam, jongens praten met elkaar aan tafel, een vrouw in het rood springt. Tussen de verschillende scènes is geen enkele interactie. Sam Taylor Wood suggereert tijd en gebeuren maar ze maakt haar personages tegelijk onbeweeglijk. Op de veranderlijke werkelijkheid lijken de mensen niet te reageren, uiteindelijk lijkt het leven meer op een foto dan op een film. (Ze combineert haar beeld met geluid, uit een luidspreker komt een soort achtergrondklank van die ruimte, een geroezemoes, stappen, stemmen, gitaarklanken…) Een ander voorbeeld van de wijze waarop cinema figuurlijk kan worden geabstraheerd, is van John Knight. Hij richt zich op de ruimtelijke beweeglijkheid in de film. Op een plattegrond van een modelwoning tekent hij zwarte punten in de keuken, slaapkamer, badkamer en living en trekt hij lijntjes tussen al die punten. Die punten duiden de diverse camerastandpunten aan, de lijntjes wijzen op een mogelijke volgorde van bewegingen. John Knight trekt die lijnen nog eens na op een blanco blad. Het lijnenspel op de plattegrond doet tal van filmscènes vermoeden, dezelfde lijnen op het lege blad zijn zuiver beeldend.

Nu betreden we de verduisterde ruimtes. Bekijken we enkele werken die de film heel concreet toepassen. In Overture gebruikt Stan Douglas een rolletje pellicule uit de pionierstijd van de film, gerealiseerd door de Edison Company op het einde van de 19de eeuw. Wat Stan Douglas doet met dat filmpje is eenvoudig: hij laat het projecteren vanuit een cabine op een wand, zodat de ruimte iets heeft van een intieme cinema-kamer waarin de bezoeker vrij voor het grote cinemabeeld kan stappen. Ook Stan Douglas voegt geluid toe aan het beeld – de voordracht van een tekst van Proust – maar dit doet meer afbreuk aan de kwaliteit dan dat het er iets toe bijdraagt. Vooral door de zuivere opstelling en de keuze van het filmpje heeft Overture een magisch effect. Het filmpje is opgenomen vanop de neus van een trein die rijdt in besneeuwde bergen. De stoomtrein gaat naar links en rechts, de tunnel in en de tunnel uit, moeizaam en loom in het hoge landschap, langs dieptes en voorbij toppen. De heen en weer deinende beweging doet op een aangename manier in slaap wiegen, als een welluidend kinderrijmpje. En gelukkig, nooit komt een einde aan de rit, de film draait steeds maar door. Eenzelfde sfeer van naïviteit beheerst de video-installatie van Pierre Huyghe. Ook hier is de opbouw simpel, beperkt het zich tot een grootbeeldprojectie van een video die hijzelf heeft opgenomen. In die video heeft Pierre Huyghe het principe van 'play-back' op een gevoelige wijze toegepast. Een oudere dame kijkt naar de camera en imiteert het zingen op een melodie die ze ooit als jong meisje zong in de Walt Disney studio's. En die melodie is het liedje van Sneeuwwitje – ze klinkt nog dagen na het bezoek aan de tentoonstelling na. De vriendelijke en rustige blik van die oudere vrouw, vergeleken met de prille klank van het jonge meisje, geeft het werk een ontroerende kracht.

De tentoonstelling belicht de affiniteiten tussen beeldende kunst en film vanuit beide richtingen. Beeldende kunstenaars maken filmische werken en cineasten maken beeldende werken. De eersten maken hun werken rijker door beweging van tijd of ruimte plastisch te suggereren, door het medium te integreren in een installatie of zelf te gaan filmen. Maar hoe gaan cineasten te werk? Zij inspireren zich juist op de traagheid van de beeldende kunst, op de weelde te mogen stilstaan op één plek, op de lange geschiedenis van de schilderkunst, of gewoonweg op de techniek van het verven. Antonioni schildert een berglandschap, David Lynch doet zijn beelden vertragen, Jean-Luc Godard vergelijkt cinema met oude schilderijen, Chantal Akerman filmt scènes vanuit één vaststaande plaats.

So faraway, so close toont een boeiend beeld over de mogelijke verwantschappen tussen film en beeldende kunst. Ze doet dat op een gevarieerde manier en ze doet dat met een minimum aan commentaar. Ze laat zien hoe beeldende kunst en film naar elkaar toe bewegen en dat leidt soms tot mooie ontmoetingen. Toch hebben die vaak iets aarzelends. Film en video zijn als familieleden die elkaar opzoeken maar toch ook enige afstand tot elkaar bewaren. Ze kiezen voor nieuwe kunst maar houden tegelijk van beelden en geluid van weleer, nostalgie kenmerkt hen (Godard, Huyghe, Douglas). Ze willen ruimte en tijd ontdekken maar houden de pose van hun personages zo stil mogelijk (Akerman, Brown, Allmond). So faraway, so close zou je zo kunnen interpreteren: dichtbij en veraf, aan elkaar verwant en van elkaar vervreemd.

 

• So faraway, so close met voorts werk van onder meer John Baldessari, Ed Ruscha, Jeff Wall en Sharon Lockhart loopt nog tot 11 juli in de Espace Méridien, Grasmarkt 116 in 1000 Brussel (02/513.02.77).