Etienne Wynants

DE WITTE RAAF

Editie 82 november-december 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Elck zijn waerom

Vrouwelijke kunstenaars in België en Nederland, 1500-1950 is in meer dan één opzicht een merkwaardige tentoonstelling geworden. Een uniek concept, want voor het eerst krijgen we – in vogelvlucht – de kunstproductie (schilderijen, prenten en beelden) van vrouwen in onze contreien te zien. Maar wat daarbij vooral opvalt zijn de stellige overtuigingen die worden verkondigd in de catalogus. Die zijn feministisch geëngageerd, wat niet echt problematisch is, maar bij tijden verontrustend frank en vooral uitgesproken boud.

Uiteraard is het onwaarschijnlijk grof hoe weinig eer en bewegingsruimte vrouwen toebedeeld werden (en nog worden) in onze rijk geschakeerde cultuurgeschiedenis. Daarom is dit kunsthistorisch onderzoek over de opleidingen, omstandigheden en geplogenheden van de beeldende activiteiten door vrouwen in de Nederlanden, een welgekomen aanvulling. Verondersteld wordt dat heel wat vrouwelijke carrières ofwel ‘gebroken’ zijn door huwelijk en beperkte opleidingen, ofwel gewoon verdwenen achter het artistieke werk van echtgenoten, en tenslotte ‘vergeten’ door de overlevering. Maar naast of achter dit verhaal zou volgens de samenstellers veel meer schuilen: een ‘écriture féminine’, een ‘her-story’, een feminien geheugen dat zich als daadwerkelijke subcultuur heeft ontwikkeld tot op de dag van vandaag. Of zoals hoofdverantwoordelijke Katlijne Van Der Stighelen besluit: “In de talrijke stillevens, portretten, landschappen of meer experimentele composities heeft het spanningsveld tussen masculiene cultuur en feminiene subcultuur vorm gekregen. In de verf en onder de verf gaan emoties schuil van vrouwen die met het penseel in de hand hun eigen ballingschap bezegelden.” Retorisch mooi geformuleerd maar voor de lezer compleet ongeloofwaardig na het lezen van haar en andere stukken of na bezoek aan de tentoonstelling. Want als er al een hard bewijs voor deze ‘subcultuur’ wordt opgevoerd, dan is deze dermate overgeïnterpreteerd dat de haren ten berge rijzen. De ‘harde feiten’ – iconografie en dergelijke – vindt men immers evengoed in de ‘masculiene’ kunstproductie. In die zin is bijvoorbeeld de tekstbijdrage van Elizabeth Honig wetenschappelijk integer: wat men niet zeker weet, kan men niet doordrukken.

Deze tentoonstelling als ‘groepsportret van een subcultuur’ slaat dus een belabberd figuur. In de eerste tentoonstellingszaal hangen de zelfportretten van de vergeten kunstenaressen zusterlijk naast elkaar maar wat verenigt deze personen werkelijk – de onderzochte periode beslaat niet minder dan 400 jaar? Monografische presentaties kunnen zeker in een eerlijker onderzoek naar artistieke merites resulteren. Dan pas kan bijvoorbeeld blijken of Suze Robertson (1855-1922) werkelijk de vrouwelijke gelijke van Vincent van Gogh is, zoals in de catalogus geponeerd wordt.

 

 

• Elck zijn waerom, vrouwelijke kunstenaars in België en Nederland 1500-1950 loopt nog tot 16 januari in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Leopold de Waelplaats in 2000 Antwerpen (03/238.78.09). Van 26 februari tot 4 juni loopt deze tentoonstelling in het Museum voor Moderne Kunst, Utrechtseweg 87 in 6812 AA Arnhem (026/351.24.31).