Peter Rotsaert

DE WITTE RAAF

Editie 82 november-december 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jean Baudrillard

Als een auteur naar buiten komt met werk in een andere discipline dan degene waaraan hij zijn faam dankt, dan produceert dat een mijnenveld. Mag men zich laten verleiden door de hypothese dat al wat een mens doet een zekere samenhang, een coherentie vertoont? Moet het ene iets met het andere te maken hebben? Hoe ontsnappen aan het louter afwegen van het mediatieke gewicht van beide soorten werk, het vergelijken van de mogelijke impact in de plaats van het werkelijk belang? De goede wil en het slechte geweten waar het besef van die slangenkuil toe leidt, laat de drietalige catalogus Im Horizont des Objekts. Photographies 1985-1998, met fotowerk van Jean Baudrillard niet toe: twee teksten over fotografie van zijn hand zitten tussen zijn foto’s gesplitst en het monografische essay dat als nawoord fungeert, situeert de foto’s resoluut in het verlengde van de theorie.

Dat ware een te appreciëren provocatief gebaar, er valt immers niet te ontkennen dat je weet van wie de foto’s zijn. Je achterdocht wordt echter gewekt omdat je zolang blijft zoeken naar de reden voor deze publicatie. Het fotografische werk erin lijkt niet erg bijzonder en misschien moeten de teksten dat alleen maar verhullen. Vooral het essay van Peter Weibel dicht de foto’s overdreven kwaliteiten toe.

Weibel is nog te volgen waar hij Baudrillard, de fotograaf, beschrijft als op zoek naar ‘der Urszene des Bildes’, naar een primaire, pre-semiotische toestand van het beeld, gedreven door een soort verlangen naar het object als ‘Ding-an-sich’. Je kunt zien dat de foto’s een momentane getroffenheid, die esthetisch van aard is, weergeven, een moment waar vooral kleur en compositie treffen, waar zich nog geen onderwerp opdringt. Dit zou, meent Weibel, voor het eerst in de geschiedenis van de fotografie, de dingen recht doen, omdat Baudrillard noch de uitdrukking van het subject (de fotograaf), noch die van de technologie (de fotocamera) op de voorgrond plaatst. De objecten zouden zich uitdrukken in “de virtualiteit van het fotografische apparaat”, waardoor een hint van singulariteit (en dus objectief bestaan) van de dingen naar voren zou komen.

Jammer genoeg ziet het gevolg van dat zogezegd bijna onafhankelijk voor zich uitsturen van het fotografische dispositief er bij Baudrillard meestal uit als kalenderfotografie, als postkaarten, posters en vaardige toeristische kiekjes. Het overgrote deel van de foto’s is kunstig en kleurig, erg pictorialistisch, met geregeld expliciet schilderkunstige motieven. De reden voor dit resultaat hoeft misschien niet ver gezocht te worden. Wie beelden wil maken ‘die erom gevraagd hebben’, die zich als het ware opdringen, wie zich met andere woorden intuïtief laat leiden, produceert slechts in uitzonderlijke gevallen geen clichés. Omdat de onmiddellijke, intuïtieve reactie bijna altijd de voor de hand liggende is. Dat Weibel Baudrillards foto’s een laconiek-melancholische blik op de “in zichzelf rustende wereld van objecten” toedicht, is niet zonder oorzaak. In tegenstelling tot de magazine- en reclamefoto’s waar ze op lijken zijn deze beelden functieloos en zonder onderwerp.

Zo’n wat op hol geslagen versie van commerciële fotografie – postkaarten zonder vakantieoord, kalenders zonder tijdsrekening – zou interessant kunnen zijn, omwille van de her- en decontextualisering, maar die mogelijkheid wordt hier tenietgedaan door het angstvallig vermijden van elk hors-cadre. Wat vooral treft, is de moeite die wordt gedaan om in het beeld al beeld te zijn, om in de foto te ontkennen dat men weet wat dat object daar is, om in de eerste plaats vooral niet talig te denken – vaak worden ook expliciet oppervlakken gefotografeerd.

Dat verbod op ‘betekenis’ van de onderwerpen is zeker niet modernistisch te interpreteren; het heeft integendeel als gevolg dat de foto’s in plat pictorialisme ontaarden. Elke werkelijke onduidbaarheid van het object blijft zo verborgen onder de sluier van de fotografische stereotypering. De ‘hint van singulariteit’ is daardoor nooit specifiek, maar slechts het gevolg van een verhoogd bewustzijn van conventies. Ze is nooit een kenmerk van een concrete foto, zelfs niet van Baudrillards foto’s in het algemeen.

De vergelijking tussen teksten en foto’s valt vooral op dit punt nadelig uit: waar de ‘theorie’ uitgeeft op een soort roes van ongedisciplineerd, gefascineerd denken, dat zelf fascineert, missen de foto’s de vitaliteit en besmettelijkheid van die duizelingwekkende hinkstapsprong-redeneringen. Ze zijn niet geïnspireerd en inspireren niet.

 

• Jean Baudrillard. Im Horizont des Objekts. Photographies 1985 – 1998 is een drietalige uitgave (Duits, Frans, Engels) uit 1999 van Hatje Cantz Verlag, Senefelderstrasse 12 in 73760 Ostfildern-Ruit (0711/440.50). ISBN 3-89322-984-1