Sven Lütticken

DE WITTE RAAF

Editie 82 november-december 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Rosalind Krauss, Bachelors

Het nieuwe boek van Rosalind Krauss zet aan tot speculaties over de motieven van de auteur: Bachelors is dermate curieus dat men contractuele verplichtingen jegens uitgever MIT Press vermoedt. Het is zeker geen waardige opvolger van The Optical Unconscious en The Picasso Papers.Bachelors is een bundeling van essays uit de late jaren ’70 tot de late jaren ’90, waarbij auteur en uitgever halfslachtig de uiteenlopende herkomst van deze teksten over vrouwelijke kunstenaars verdoezelen. Zo wordt de oorspronkelijke publicatie van de afzonderlijke teksten niet aangegeven, zoals bij bundelingen gebruikelijk is; er zijn alleen aanduidingen als ‘Paris, 1993’. Geheel geslaagd is deze operatie niet, aangezien de stukken in veel gevallen herkenbaar blijven als gelegenheidsteksten die nu nauwelijks door de auteur zijn bewerkt. De discrepantie tussen de zestig pagina’s beslaande, met veel Lacan doorspekte tekst over Cindy Sherman en bijvoorbeeld een luchtige, amper tien pagina’s tellende tekst over Eva Hesse maakt Bachelors tot een bundel die geen boek wil worden. De nagenoeg identieke herhalingen in meerdere teksten ergeren daarbij, zoals in het geval van passages over Michel Carrouges en Deleuze & Guattari.

De kwestie die volgens de flaptekst de centrale vraag van het boek is, “What evaluative criteria can be applied to women’s art?”, komt alleen in het inleidende essay ter sprake, waarin zij op briljante wijze wordt gedemonteerd. Deze inleidende tekst, eerder gepubliceerd in De Witte Raaf (maart-april 1998), is meteen het hoogtepunt. Aan de hand van uiteenzettingen over de surrealistische foto’s van Dora Maar en Claude Cahun en haar eigen, meerdere decennia beslaande kunsthistorische bemoeienis met het surrealisme, ondermijnt Krauss feministische opvattingen over die stroming en over het vrouwelijke kunstenaarschap. Zij gaat in tegen de opvatting dat het surrealistische repertorium aan vormen en motieven inherent misogyn en antifeministisch is. Aan de hand van het werk van Maar en Cahun wordt haarfijn aangetoond hoe typisch surrealistische vormen en procédés ook door vrouwen voor eigen doeleinden werden gehanteerd. Krauss polemiseert in dit verband tegen Susan Suleimans visie op het werk van de herontdekte surrealistische fotografe Claude Cahun. De als Lucy Schwob geboren Cahun gebruikte de mogelijkheden van de surrealistische fotografie niet om (zoals Suleiman stelt) een eigen vrouwelijke identiteit tegen de fetisjistische vrouwbeelden van de surrealisten in te brengen, maar om net als Marcel Duchamp (alias Rrose Sélavy) iedere stabiele identiteit als mannelijk óf vrouwelijk kunstenaar te ondermijnen. Krauss argumenteert voor een “fluidity in the field of the Imaginary that allows for its positions to be occupied by more than one gender at once”. Zij eindigt de inleiding met de woorden dat kunst geen ‘special pleading’ behoeft.

Men kan Krauss makkelijk voor de voeten werpen dat zij geen oog heeft voor de meer riskante onderneming van Claude Cahun om als flamboyante lesbienne in de jaren ’20 van gender te veranderen (door middel van de voornaam Claude en mannelijke kleding) en haar joodse achtergrond te benadrukken (via de naam Cahun), terwijl Duchamps transformatie in Rrose Sélavy tot enkele kunstwerken beperkt bleven. Maar Krauss’ centrale argument is raak. Zij verzet zich terecht tegen essentialistische posities binnen het feminisme die een homogene, mannelijke symbolische orde poneren tegenover een vrouwelijke essentie als louter negatief van die mannelijke orde. De ‘close readings’ die Krauss met hulp van Barthes en Lacan loslaat op het werk van onder anderen Louise Bourgeois, Cindy Sherman en Sherrie Levine (wier Bachelors zonder meer uitleg de titel van het boek heeft opgeleverd) kan niemand van dergelijk simplisme beschuldigen. Isabelle Graw verwijt Krauss in haar recensie in Texte zur Kunst dat zij met dergelijke teksten een structuralistische variant van het formalisme bedrijft en daardoor te weinig oog heeft voor de context van kunstwerken en de samenhangende politieke kwesties. Helemaal onterecht is deze kritiek niet. Krauss’ laatste boek, The Picasso Papers, is juist getekend door vergrote aandacht voor de context; zij wekt geen moment de indruk dat haar briljante structuralistische analyses van Picasso’s papiers collés mogelijk zouden zijn zonder inzicht in de historische context waarin zij zich inschrijven. In de teksten van Bachelors is daarentegen wel vaak sprake van een concentratie op de werken die een ironische gelijkenis met teksten van bijvoorbeeld Michael Fried heeft, zelfs al heeft Krauss andersoortige intenties.

De meest uitgewerkte tekst in Bachelors (zij het niet de makkelijkst leesbare) is die over Cindy Sherman, geschreven voor een monografie van uitgeverij Rizzoli. Krauss gaat in deze tekst onder andere in discussie met Laura Mulvey, die zij beschuldigt van feministisch essentialisme als zij de lage, vormeloze smerigheid in sommige van Shermans werken uitroept tot essentie van vrouwelijkheid. Volgens Mulvey doorbreken deze de patriarchale orde van Shermans geïmiteerde mediabeelden van voorheen. Krauss brengt hier tegenin: “This is a field without truth, one that resists being organized in order to produce /the wound/ as its signified.” In Krauss’ ogen is Mulvey, net als Suleiman, een feministe die kunstwerken ondergeschikt maakt aan bepaalde concepten die het werk plaatsen aan de ‘goede’ kant van een veld van schijnbaar eenduidige tegenstellingen, net als de modernistische kunstbeschouwing van Greenberg en Fried dat deed. In de plaats van de nadruk op ‘opticality’, op verticaliteit en op de heldere vorm komt de volgens Krauss even verwerpelijke constructie van een essentiële vrouwelijkheid, die door Mulvey wordt gekoppeld aan het tegengestelde van het modernistische ideaal (het lage, vormeloze), maar daarmee binnen hetzelfde substeem blijft.

Net als in The optical Unconscious en de tentoonstelling L’Informe staat Bachelors in het teken van Krauss’ bataillaanse strijd tegen constructies die de kunst in dienst stellen van een bepaald als ideaal geponeerd begrip en het tegenovergestelde begrip ‘vernederen’. Aandacht voor kwesties zoals de positie van vrouwen in de kunstwereld of ‘the evaluative criteria’ die op kunst van vrouwen van toepassing zouden kunnen zijn, hoeft in dat kader niet te worden verwacht. Het zou Krauss maar afleiden van haar missie.

 

• Rosalind E. Krauss, Bachelors is in 1999 uitgegeven door MIT Press, Chenies Street 11, WC1E 7ET London (0171/306.06.03). ISBN 0-262-11239-6