Bart Meuleman

DE WITTE RAAF

Editie 83 januari-februari 2000

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De grap met de baard

De ouder geworden artiest. De rijpere kunstenaar. Onverdraaglijk is de aanblik van zijn stilstand, zijn neergang. Wat gebeurt er als hij voor zichzelf geen nieuwe uitdaging meer opwerpt? Wat gebeurt er als de problemen die hij zich in zijn werk stelde, allemaal geklaard zijn? Een gepensioneerde die iedere week zijn tuin harkt! We zouden eerbied kunnen opbrengen voor zijn vroegere verworvenheden, en misschien willen we dat ook, maar is dat schuldig besef niet het beste bewijs van zijn vernedering? De eis tot respect voor (het werk van) oudere kunstenaars verhult een feitelijke minachting. Een geluk nog voor sommigen dat het hen zelf zo weinig kan schelen. Toch blijft de afgrond van deze gedachte ons wenken. Hoe ermee omgaan?

Veel kunstenaars van nu lijken er een oplossing voor gevonden te hebben. Ze wachten het proces van neergang niet meer af, ze snijden het de pas af door een werk voor te staan waarin van in den beginne alle problemen geklaard zijn. In hun leerjaren al hebben ze de vondst gedaan die hen een plek garandeert in de verkaveling van de hedendaagse kunst. Het devies is zo snel mogelijk een terrein af te bakenen en het van een handelsmerk, een logo te voorzien. Meer nog, het werk ís het logo, en vice versa. Het valt volledig samen met zijn herkenbaarheid. Daarmee is niet alleen het tragische probleem van de ontwikkeling opgelost, maar ook dat van de identiteit. Iedere toevoeging aan het oeuvre is immers de ondubbelzinige bevestiging van die identiteit – die op die manier helaas wel tot karikatuur verwordt.

Een dankbaar voorbeeld is Wim Delvoye. In een al niet meer zo recent verleden werd hij opgemerkt door Jan Hoet met een vondst die hij sindsdien zonder toegeving is blijven herhalen. Grofweg bestaat zijn vondst uit een systeem dat we nog kennen uit de middelbare school: de overheadprojectie. Delvoye brengt steevast twee eenvoudige concepten samen – doel en glasraam, drol en vloertegel, mozaïek en salami, tatoeage en varken,… – en presenteert ze in een al even eenvoudig transparant samenspel – glasraam in doel, drol op vloertegel, salami als mozaïek, getatoeëerd varken,… – dat met een knipoog vooral als een nieuwe Delvoye herkend wil worden. En inderdaad, dat lukt hem zeer goed, een nieuwe Delvoye herkent men uit de duizend. Wie zijn gedachten laat gaan over de mogelijkheden, ziet een procédé dat tot in de oneindigheid zijn voortgang kan vinden, tot een veranderde smaak van de markt het ooit geruisloos uit de aandacht doet verdwijnen. Een echte toekomst wil het niet bezitten, het doet geen enkel beroep op onze nieuwsgierigheid naar een verdere ontwikkeling. Infantiliteit is zijn huidige staat, iets anders ligt er niet in het verschiet. Delvoye behoedt zichzelf zo voor de pijnlijke neergang die hem als kunstenaar ooit te wachten zou staan. Die tragiek weigert hij. Hij heeft gekozen voor onbenulligheid.