Kees Keijer

DE WITTE RAAF

Editie 83 januari-februari 2000

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Magie en zakelijkheid, realistische schilderkunst in Nederland 1935-1945

Het Museum voor Moderne Kunst Arnhem pakt groots uit met de tentoonstelling Magie en Zakelijkheid. Realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945. Een omvangrijk deel van het museum is ingericht met schilderijen uit deze relatief onderbelichte periode van de kunstgeschiedenis – een tijd die overigens door het Arnhemse museum zelf altijd gezien werd als de bakermat voor de verzameling.

De timing voor een expositie over het nieuwe realisme uit het interbellum lijkt in elk geval perfect. “Het werkelijk vreemde herken je niet als iets dat volledig afwijkt van al het andere. Het speelt zich juist af op het punt waarop de dingen wel herkenbaar zijn, maar ook zodanig anders zijn dat je vertrouwdheid ermee wegglijdt.” Zo uit zijn verband gerukt zou het een uitspraak van een magisch realistische schilder kunnen zijn, maar hij komt uit een interview met Aernout Mik. Door de hernieuwde belangstelling van hedendaagse kunstenaars voor allerlei vormen van realisme lijkt de weg vrij naar een herwaardering van de realistische tendensen in de jaren ’20 en ’30. Een indruk die nog versterkt wordt doordat de zalen voorafgaand aan Magie en Zakelijkheid zijn ingericht met een kleine stoet min of meer recente aankopen van het museum. Het werk van Inez van Lamsweerde, Barbara Visser, Antoine Berghs en Rosemin Hendriks toont dat er ook tegenwoordig weer sprake is van ‘nieuwe realistische tendensen’, zij het dat de fotografie de prominente positie van de schilderkunst heeft overgenomen.

De Nederlandse realistische schilderkunst uit de jaren ’20, ’30 en ’40 kampt al jaren met een imago-probleem. Realistische tendensen uit het interbellum worden soms wat al te makkelijk in verband gebracht met cultuurpolitieke ontwikkelingen in Duitsland, Italië en Rusland. In kunsthistorische kringen was het lange tijd bon ton om de kunstproductie uit deze periode met meewarig hoofdschudden af te doen als regressief en oubollig. Zo wordt in de publicatie De doorbraak van de moderne kunst in Nederland realistische kunst steevast beschreven met woorden die negatieve associaties oproepen. De modernistische avant-garde is ‘overdonderend’ en ‘levenslustig’, realistische kunst ‘oud’ en ‘traditie-gericht’. In de inleiding van dat boek beschreef Willemijn Stokvis de jaren ’20 en ’30 als een tijd die gekenmerkt werd door “een grote behoefte aan traditie en degelijkheid waarin […] in reactie op het frivole experiment van vóór ’20, veel beklemmend middelmatigs werd gemaakt”. Naast dergelijke expliciet negatieve opinies was er natuurlijk ook serieuze aandacht voor realistische schilderkunst uit het interbellum, maar die ging vrijwel altijd uit naar de bekende magisch realisten en naar Edgar Fernhout, Charley Toorop en Joop Moesman. Door die eenzijdige belangstelling raakten allerlei andere realistisch werkende schilders op de achtergrond. Magie en Zakelijkheid brengt verschillende vormen van realisme bij elkaar die indertijd werden aangeduid met termen als neo-realisme, neo-classicisme, nieuwe zakelijkheid, magisch realisme en surrealisme.

De tentoonstelling is samengesteld door een werkgroep onder leiding van Carel Blotkamp, hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, en Ype Koopmans, conservator van de Gemeentemusea Arnhem. Op enkele tekeningen na bevat de tentoonstelling louter schilderijen en voor de graficus Escher is een kleine knieval gemaakt om ook zijn werk op te kunnen nemen. Gezien de wetenschappelijke ontstaansgeschiedenis is het niet verwonderlijk dat deze expositie een zeker academisch karakter vertoont. Dat blijkt onder meer uit het begin van de tentoonstelling, waar men wordt uitgenodigd om enkele voorlopers van de latere realisten te bestuderen. Schilderijen van Jan Veth, Willem van Konijnenburg, Floris Verster en Jan Mankes leiden de bezoeker op verantwoorde wijze van het einde van de 19de eeuw naar de jaren ’20. Er is gekozen voor een thematische opzet, waarbij een indeling is gemaakt aan de hand van enkele genres die destijds werden beoefend: zelfportretten, stillevens, portretten en naakten. Hierna richt de blik zich meer naar buiten, naar thema’s waarin de stedelijke en landschappelijke omgeving – al dan niet bevolkt door mensen – centraal staat. In de laatste zaal van de tentoonstelling zijn voornamelijk schilderijen te zien waarin de drama-tische sociale en politieke gebeurtenissen in de jaren ’30 en ’40 zijn verbeeld.

Voor sommige thema’s werkt de thematische opzet zeker verhelderend. Vooral bij de stillevens – het specialisme bij uitstek van de Nieuwe Zakelijkheid in de schilderkunst, maar ook van veel magisch realisten – valt op hoezeer de kunstenaars elkaar in de gaten hielden. Ze maakten gebruik van een beperkt arsenaal aan attributen: eierschalen, peren, pijpjes, flessen en schedels waren duidelijk favoriet. Juist door die beperkte onderwerpskeuze springen de verschillen tussen de diverse stillevens in het oog. Zoals het nogal afwijkende karakter van het ‘lege’ stilleven van Edgar Fernhout, waarop slechts een witte lap in een onbestemde ruimte is afgebeeld. Of het stilleven van Wout van Heusden, waarin twee feestneuzen samen met meer traditionele voorwerpen zijn samenbracht tot een surrealistische stapeling. Soms werkt de indeling in thema’s echter als een opgelegd keurslijf. De mansportretten die bij elkaar in een zaal zijn gehangen, getuigen van totaal verschillende schilderkunstige visies en ook de geportretteerden hebben weinig met elkaar gemeen.

Zoals gezegd wilden de samenstellers van de tentoonstelling het werk van de beroemde realistische schilders uit de jaren 1925-1945 nu eens tonen in gezelschap van minder bekende namen. Toch is van die bekendere groep relatief meer werk opgenomen. Vooral Charley Toorop krijgt een sleutelrol toebedeeld. Niet alleen door het aantal geselecteerde werken, maar ook door de forse formaten van haar doeken en hun prominente plaats in de zalen, komt Toorop naar voren als de koningin van de nieuwe realisten. Dit wordt nog eens onderstreept doordat haar Clown uit 1941 het laatste doek op de tentoonstelling is. Toorops schilderij vormt zo de apotheose van de gehele tentoonstelling. Van enkele kunstenaars krijg je de indruk dat ze eerder zijn geselecteerd vanwege hun prominente rol in de kunstwereld van die tijd dan door de kwaliteit van hun werk. De schilderijen met houterige proletariërs van Chris Beekman lijken vooral opgenomen als curiositeit; als beeld overtuigen deze werken geenszins. Daar staat tegenover dat de tentoonstelling enkele bijzondere ‘nieuwe realisten’ herintroduceert. Het sterkste punt van Magie en Zakelijkheid is zonder meer de kwaliteit van deze onbekende werken, zoals een schilderij van een wijk in aanbouw door Rein Draijer, twee schilderijtjes van Ali Goubitz, een krachtig portret van een Surinamer op een terras van Nola Hatterman en een paar fraaie nachtelijke straatscènes van Jan Ouwersloot. In andere gevallen gaat het om kunstenaars die weliswaar niet vergeten zijn, maar waarvoor duidelijk moeite is gedaan om minder bekende doeken van hoge kwaliteit uit allerlei collecties bij elkaar te brengen. Zo zijn de drie prachtige kleine schilderijen van Jacob Bendien op de tentoonstelling allemaal afkomstig uit particuliere verzamelingen. Niet alles op deze expositie is kwalitatief even goed, maar het geheel biedt een tamelijk rijk geschakeerd beeld.

 

• Magie en Zakelijkheid. Realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945 loopt nog tot 7 februari in het Museum voor Moderne Kunst, Utrechtseweg 87, 6812 AA Arnhem (026/351.24.31).