Wouter Davidts

DE WITTE RAAF

Editie 83 januari-februari 2000

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Een sneeuwbal van 10 miljoen

Het Nederlands Architectuur instituut wil voortaan aandacht schenken aan de problematiek ‘kunst en architectuur en/of openbare ruimte’. Het NAi werd eerder zelf door kunstenaar Peter Struycken tot de orde geroepen toen zijn lichtsculptuur in de gaanderij er een door hem ongewenste, tijdelijke ingreep bijkreeg. Een eerste symposium nam vorig voorjaar de algemene problematiek onder de loep, waarvan enkele resultaten gepubliceerd werden in het septembernummer van Archis. Op 10 december vond een tweede aflevering plaats onder de titel Public/Relations. The cultural and political potential of art in public space. Deze keer was een casestudy de inzet, met name het Kunstplan voor de Leidsche Rijn te Utrecht.

De Leidsche Rijn is een boeiend voorbeeld. Niet enkel vanwege de schaal van de stedenbouwkundige onderneming – met de bouw van 30.000 woningen over 20 jaar is Leidsche Rijn de grootste VINEX-locatie – maar vooral vanwege de wijze waarop het Kunstplan zich verhoudt tot de urbanistische intenties. Het stedenbouwkundige plan van bureau Max.1 in samenwerking met de architectuurhistorici Wouter van Stiphout en Michelle Provoost van Crimson, is zeker vooruitstrevend te noemen. In plaats van beroep te doen op traditionele instrumenten als massawerking, geometrie en openbare ruimte, staan de ontwerpers een ‘vloeibare ontwerpmethode’ voor om tot een dynamische vorm van planning te komen. In de overtuiging dat het zinloos is om twee decennia op voorhand formele richtlijnen te geven, willen de ontwerpers een veld van mogelijkheden voorzien. Ze vervangen daartoe de klassieke formaliserende kaders door een systeem van coëfficienten, waarbij geen typologische specificaties worden gegeven, maar gegevens als dichtheid, spreiding of architectuurcontrole. Het resultaat is een vorm van gewilde onbepaaldheid en flexibiliteit, “de combinatie van vormeloosheid en latente beeldrijkdom”.

Het Kunstplan met de ronkende titel Een sneeuwbal van 10 miljoen (gulden!) werd in 1996 door de Adviescommissie Beeldende Kunsten Utrecht opgesteld. Met de simpele motivering dat er “niet vroeg genoeg kon begonnen worden met de voorbereidingen voor het inpassen van kunst in de openbare ruimte”, kan dit plan niet tippen aan de stedenbouwkundige luciditeit. Het stedenbouwkundige plan van Max.1 wordt er namelijk op een vreemde manier aangewend om de noodzaak van kunstprojecten in Leidsche Rijn te verantwoorden. Waar de tekst in eerste instantie de flexibiliteit van het plan lijkt te loven, wordt net die flexibiliteit aangegrepen om de noodzaak van beeldende kunstprojecten te bepleiten. Omdat, zo stelt de nota, “de Leidsche Rijn sterk zal lijken op de vele andere VINEX-locaties die de komende jaren zullen gebouwd worden”. En aan dit gebrek aan gezicht of identiteit van de stadsplanning, zou kunst in belangrijke mate tegemoet kunnen komen. Omdat door “de verrassende blik die kunstenaars op een dergelijke ontwikkeling kunnen hebben, ze in staat zijn veel toe te voegen aan het ontwikkelingsproces van de stad en ze op het uiteindelijke, voltooide stadsdeel een stempel kunnen archterlaten die de stad een duidelijke identiteit verschaft, waarvan nog vele generaties getuige kunnen zijn”. Een stadsdeel als de Leidsche Rijn, zou nu eenmaal om kunst ‘vragen’.

Na een enigszins slappe voormiddag met bijdragen van Scott Lash (socioloog) en Thije Adams (directeur cultuurbeleid ministerie van OCW), werden in de namiddag onder leiding van moderatoren Aaron Betsky en Koen Brams achtereenvolgens Annemiek Rijckenberg (Utrechts wethouder van openbare werken), Tom van Gestel (Praktijkbureau Beeldende Kunst), Ivan Nio (socioloog), Wouter van Stiphout (Crimson) en Jan van Adrichem (lid adviescommissie) bevraagd over deze ‘sneeuwbal van 10 miljoen’. Daaruit bleek dat het Kunstplan de kunst laat opdraven om aan een problematische situatie te verhelpen. Alleen is het geviseerde probleem van imaginaire aard, omdat precies de weigering om identiteit gestalte te geven een planologisch streven is. Zoals socioloog Ivan Nio terecht stelde, is de betrachting om identiteit te bewerkstelligen in de huidige urbane conditie vaak zeer problematisch. Identiteit is nog zelden gerelateerd aan de gebouwde omgeving, maar gedraagt zich als een heterogeen en schuivend fenomeen, dat op verschillende niveaus geconstitueerd wordt. Vaak dient de term dan ook een minder existentieel doel als bijvoorbeeld city-marketing, waarbij identiteit fungeert als alibi voor stedelijke uitstraling. Het Kunstplan prijst net die steden die hun imago aanscherpten met allerhande kunstprojecten. Het lijkt er dan ook op dat de term ‘identiteit’ in de tekst inderdaad andere belangen dient. Een sneeuwbal van 10 miljoen wil gewoon een groot budget loskrijgen bij de op een fris imago gestelde overheid. Want de artistieke lobby is er zich maar al te goed van bewust dat procentregelingen belangrijke supplementaire kassa’s openen naast de gangbare fondsen voor beeldende kunst.

Veruit de meest ergerlijke vaststelling van de namiddag was dat zowel de kunstenaars als hun vertegenwoordigers blijven verkondigen dat kunst in de openbare ruimte zonder meer een goede zaak is. Zo stelde Jan van Adrichem onverholen dat kunst de kwaliteit van een omgeving verhoogt, en dat het daarom noodzakelijk is dat kunstenaars de kans krijgen om projecten in de openbare ruimte te ontwikkelen. Je kan je echter enerzijds de vraag stellen waarom ze die mogelijkheden niet kunnen of mogen krijgen, en anderzijds waarom ze die moéten krijgen. De openbare ruimte is ongetwijfeld vaak een interessante plek voor kunstenaars om te opereren, maar waarom moet dit zo nodig geformaliseerd worden? De eis daartoe berust op een merkwaardige paradox. Enerzijds eisen kunstenaars dat ze als gelijken worden beschouwd in projecten van architectuur, stedenbouw en stadsplanning. Maar ze moeten daarvoor wel gevraagd worden, en ze eisen dat dit een verplichting wordt. Omdat, hoe hevig de kunstenaar de grens tussen kunst en leven ook wil slechten, hij of zij er niet in slaagt het traditionele kunstenaarsstatuut af te staan. De mythe wordt in stand gehouden dat kunstenaars verlichte geesten zijn die projecten van dat noodzakelijk speciaal toetsje kunnen voorzien, datgene waar de daartoe opgeleide professionelen blijkbaar niet in slagen.

Het gaat echter niet over het wel of niet betrekken van kunstenaars bij dergelijke projecten, maar over het creëren van betekenisvolle stedenbouw en architectuur voor de 21ste eeuw. Als daar artistieke input bij kan helpen, des te beter. Maar dat impliceert niet een geforceerde samenwerking. Zo werkte het bureau One Architecture reeds voor meerdere architectuur- en stedenbouwprojecten samen met Berend Strik, deed Rem Koolhaas voor de Congrexpo in Lille beroep op Atelier van Lieshout, nodigen Paul Robbrecht & Hilde Daem Cristina Iglesias, Isa Genzken of Hermann Pitz uit en ook Charles Vandenhove doet met vrucht een beroep op kunstenaars, wars van de heersende kunstactualiteit. Zij werden daartoe niet verplicht en kozen zelf hun allianties. Wouter van Stiphout merkte dan ook laconiek op dat hij en Michelle Provoost niet als architectuurhistorici werden uitgenodigd om tot de planningsgroep toe te treden. Waarom zou men dan wel kunstenaars in hun hoedanigheid als kunstenaar moeten uitnodigen?

 

• Een sneeuwbal van 10 miljoen werd als beleidsadvies in 1996 uitgegeven door de dienst Culturele Zaken, Postbus 16200, 3500 CE Utrecht (030/286.15.09). Hans den Hartog Jager schreef de tekst op basis van gesprekken tussen de leden van de werkgroep Leidsche Rijn, zijnde Jan van Adrichem, Liesbeth van Droffelaar, Jan van Grunsven, Krijn de Koning en Hennie van Tilburg.