Clément Rosset

DE WITTE RAAF

Editie 80 juli-augustus 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De niet-waargenomen werkelijkheid

In The Three Ages, een film van Buster Keaton, is er een scène waarin we een vreemde figuur zien, half-astroloog half-meteoroloog, die verdiept is in ingewikkelde berekeningen om uit te maken welk weer het buiten is. Uiteindelijk houdt hij het op ‘bestendig’, grift die informatie op een wastafeltje – de scène wordt geacht zich af te spelen in het oude Rome – en loopt naar buiten om zijn oordeel openbaar te maken. Onverhoeds keert hij echter terug, verrast door een sneeuwstorm, grift het bericht ‘zware sneeuw’ op het tafeltje en maakt dat meteen publiek, deze keer zonder voorafgaande berekeningen. Natuurlijk vindt iedereen die charlataneske handelwijze erg grappig. Maar alles welbeschouwd vind ik dat die astroloog een opmerkelijke geestelijke onafhankelijkheid aan de dag legt: hij geeft de voorrang aan de feiten boven zijn opinie, en dat zonder een seconde te aarzelen.

 

Het vermogen niet waar te nemen

Geplaatst voor een vergelijkbaar dilemma zouden vele anderen, om niet te zeggen de meesten, voor de andere uitweg opteren en hun opinie boven de feiten verkiezen. Want als er al een menselijk vermogen bestaat dat onze aandacht waard is en aan het wonderbaarlijke grenst, is het wel de vaardigheid, eigen aan de mens, om zich tegen alle externe informatie te verzetten zodra die niet past in de orde van de wens en de verwachting, om ze zonodig naar believen te negeren, om er zelfs, als de realiteit hardnekkig blijkt, de weigering tegenover te stellen om ze nog verder waar te nemen – waardoor elke discussie afgebroken wordt en de debatten gesloten zijn, ten koste natuurlijk van de werkelijkheid. Het vermogen om zich tegen informatie te verzetten heeft iets fascinerends en magisch, op het ongelooflijke en het bovennatuurlijke af: het is onmogelijk te bevatten hoe de waarnemingsorganen het aan boord leggen om niet waar te nemen – het oog om niet te zien, het oor om niet te horen. Toch bestaat dit vermogen, of liever dit anti-vermogen. Het is zelfs zo gewoon dat iedereen het elke dag opnieuw aan het werk kan zien.

Proust beschrijft de kracht van dit antiperceptieve vermogen aan het begin van de Recherche, wanneer hij de gevoelens en de reacties analyseert die de oudtante in Combray tegenover Swann koestert. Zoals bekend weigert deze oudtante zich voor te stellen dat Swann, een vriend des huizes, in de hoogste sociale en artistieke kringen verkeert, kringen die niets te maken hebben met het sociale leven van Combray. Maar de feiten zijn koppig en lijken haar telkens opnieuw tot het besef van de werkelijkheid terug te zullen roepen, zo talrijk en veelzeggend zijn de tekens die op Swanns werkelijke status wijzen. Toch laat de oudtante zich niets wijsmaken. Het is wonderbaarlijk te zien met hoeveel kunde, met hoeveel genialiteit bijna, ze de betekenis verdraait van de informatie die haar dag na dag bereikt, zodat ze erin slaagt om alles in het nadeel van Swann uit te leggen. We hebben hier te maken met een spel van boodschappen die ironisch terug naar afzender worden gestuurd. De boodschap: men vertelt de oudtante dat Swann een beroemde schilderijencollectie bezit. De repliek van de oudtante, gericht tot Swann: “Bent u eigenlijk wel een kunstkenner? Ik vraag u dat in uw eigen belang, want u laat zich door de handelaars vast allerlei knoeiwerk aansmeren.” Een andere boodschap: men verneemt dat Swann heeft gedineerd ‘bij een prinses’. Repliek: “Een prinses van lichte zeden, ja!” Boodschap: men verneemt dat Swann vertrouwelijk omgaat met Madame de Villeparisis. De repliek van de oudtante aan haar zus die haar het grote nieuws kond deed: “Wat! Ze kent Swann? En dat voor iemand van wie jij hebt beweerd dat ze familie is van maarschalk Mac-Mahon!” Die laatste repliek leert ons hoe stevig de muur is die de oudtante moet beschermen tegen elke erkenning van Swanns sociale status: ze impliceert dat iedereen van wie men zou moeten aannemen dat hij of zij met Swann verkeert, ipso facto van de lijst van de grand monde moet worden geschrapt. Voordat Swann in de opinie van de oudtante ook maar een stap gevorderd zal zijn, zal ze de complete Europese aristocratie tot de gewone burgerij hebben teruggebracht. De eerste speldenprik was bedoeld voor Madame de Villeparisis; de volgende zijn misschien bestemd voor de prins van Wales, de graaf van Parijs en – als het moet, waarom niet – maarschalk Mac-Mahon in hoogsteigen persoon. Mirakel van het antiperceptieve vermogen! Men mag haar echt alles van Swanns werkelijkheid laten zien, dankzij of door dat vermogen zal ze er gegarandeerd niets van afweten. In zijn Mensonge romantique et vérité romanesque merkt René Girard treffend op: “Als een lastige vlieg komt de waarheid steeds weer postvatten op de neus van de oudtante, maar een handbeweging volstaat om ze te verjagen.” Men zou kunnen zeggen dat de grendel op de deur wordt geschoven, een grendel die alle informatie tegenhoudt en die tegenover de meest tastbare en meest voor de hand liggende evidenties triomfantelijk het gebrek aan waarnemingsvermogen stelt. Of nog: er wordt een ijzeren gordijn neergelaten dat de realiteit het zwijgen oplegt, zoals de plotselinge sluiting van een museum of een kroeg late bezoekers afscheept: ‘We sluiten, het is gedaan, gaat u maar weer weg.’ Als de realiteit haar rechten zou doen gelden om te worden waargenomen, zou ze hetzelfde te horen krijgen als de bezoeker die alsnog het museum of de kroeg wil binnendringen: ‘We hebben u al gezegd dat we dicht zijn.’ Een frappant voorbeeld van deze ‘sluiting’ van de waarneming is het slot van Suddenly, Last Summer, de film die Joseph Mankiewicz naar het toneelstuk van Tenessee Williams heeft gemaakt. De hele film lang vecht Violet Venable de waarheidsgetrouwe versie van de feiten aan die haar nichtje en een dokter haar uit de doeken doen. Uiteindelijk legt het ultieme bewijs haar het zwijgen op; ze stuurt iedereen weg en trekt zich terug op de bovenste etage van haar villa: de lift waarin ze verdwijnt, schermt haar van de wereld af en geeft zowel haar gesprekspartners als de realiteit zelf onherroepelijk het nakijken. Tartuffe deed hetzelfde, toen hij een gesprekspartner die wat al te hinderlijk werd in de rede viel: “Het is, meneer, nu halfvier / Een vrome plicht wacht mij daarboven / Verontschuldig mij dat ik u hier achterlaat.”

 

Een zelfregelend systeem

Een buitengewone veiligheidsgrendel berooft de mens dus, in bepaalde omstandigheden, van het gewone gebruik van zijn waarnemingsvermogen. (Met ‘de mens’ bedoel ik natuurlijk iedereen; verschillen in intelligentie en waarnemingsscherpte schrijf ik niet toe aan de aan- of afwezigheid van de grendel, maar aan het feit dat de grendel soms verder, soms minder ver is dichtgeschoven.) Zoals bekend is het erg lastig om de aard en de wijze van functioneren van deze grendel te verduidelijken; enigszins overdreven zou ik zelfs durven zeggen dat degene die het geheim van dit veiligheidsslot ontsluiert meteen ook de hele mens doorgrondt. Ik wil alleen opmerken – en dat is eigenlijk evident – dat deze grendel bestaat uit de definitie van een ultiem punt waarachter men niets meer waarneemt, of wat op hetzelfde neerkomt: de definitie van een waarheid waarvan eens en voor altijd vaststaat dat men er niet op terugkomt. De grendel markeert zo de grenzen van een onaantastbaar gebied (zoals Combray bij Proust er een is). Ik wil ook opmerken dat deze grendel altijd een anticiperend karakter heeft: het is de afwijzing vooraf van elk kritisch onderzoek of elke verdere ontdekking, een soort hallucinatoire bezwering van de toekomst, dus van wat van nature uiterst onvoorspelbaar en onzeker is – ofschoon men dat moet nuanceren en er meteen aan moet toevoegen dat deze bezwering maar voor de helft hallucinatoir is, aangezien ze in de ervaring wel degelijk blijkt te werken, of toch in zekere zin. Hij vormt dus niet zozeer een bescherming tegen de huidige gevaren als wel een ‘voorzorg’, een bescherming bij voorbaat, een a priori weerlegging van toekomstige aanvallen – een weerlegging die noodzakelijkerwijs tegenstrijdig is, aangezien de toekomstige gevaren en de passende beschermingsmaatregelen pas later precies bekend zullen zijn. Zo wou Abel Gance elke toekomstige kritiek op zijn film Napoléon al bij voorbaat verwerpen – zelfs toen de film nog niet eens gedraaid was – door in 1924 tegenover zijn verzamelde medewerkers plechtig te verklaren: “Wanneer ik u zie wil ik een golf van kracht voelen die alle dijken van het kritisch besef wegspoelt.” We zien hier het mechanisme van de grendel aan het werk: ik kondig vandaag al aan dat de film die ik wil maken zo goed is, dat iedereen die hem zal kraken, ongelijk heeft. En als men de film vervolgens inderdaad kraakt, bewijst dat alleen maar dat Gance gelijk had door vooraf aan te kondigen dat men hem ten onrechte zou kraken. De grendel is op zijn plaats geschoven; hij beschermt de regisseur zoals hij de oudtante in Combray had beschermd. Een ander voorbeeld van deze ‘a priori grendel’ vormde in het oude Athene de procedure van de graphè paranomôn, die het de burgers op straf van de zwaarste sancties, zelfs van de doodstraf, verbood om terug te komen op wetten die de volksvergadering had aangenomen.

Het opmerkelijkste in het verschijnsel van de ‘waarnemingsweigering’ is evenwel het feit dat de door de grendel afgeschermde opinie niet alleen niet wordt verzwakt door de strijdige informatie en de scherpe logenstraffingen die de werkelijkheid haar onophoudelijk tegenwerpt, maar dat ze er integendeel juist door wordt bevestigd en versterkt. Zoals de systemen die dankzij het principe van de feedback zelfregelend zijn, is het systeem ‘waarnemingsweigering’ zo goed georganiseerd dat haperingen het niet verzwakken, maar het juist extra energie leveren, energie die voortvloeit uit de vervelende consequenties van het systeem, de onophoudelijke geschillen met de werkelijkheid. De misstappen die het systeem onvermijdelijk begaat, zijn zo geprogrammeerd dat ze onophoudelijk de foutenbron voeden die ze heeft veroorzaakt – zodat het systeem van de waarnemingsweigering niet alleen fouten produceert, maar door toedoen van die fouten ook groeit en bloeit. Ik wil hier een jeugdherinnering ophalen: de herinnering aan een klasgenote die er vast van overtuigd was dat de leraar haar aanbad, ondanks de sarcastische en vaak erg kwetsende woorden waarmee hij haar opmerkingen de kop indrukte. Telkens wanneer ze op die manier publiekelijk werd afgesnauwd, draaide ze zich triomfantelijk naar ons toe, alsof ze ons tot getuigen wou nemen: ‘Jullie zien zelf ook wel dat ik niet droom: hij houdt van mij.’ Ik zou ook de beroemde Boubouroche van Courteline kunnen citeren: een goedbedoelende buurman heeft het niet zo gelukkige idee opgevat hem ervan te overtuigen dat Adèle, zijn minnares, hem ontrouw is. Het vervolg is bekend: Boubouroche verrast inderdaad een rivaal die met Adèle bezig is, maar leidt daaruit af dat zijn minnares hem nog veel trouwer is dan hij ooit had durven hopen. [1] Het feedbacksysteem heeft hier voorbeeldig gewerkt. Bij Boubouroche deed het de onwrikbare overtuiging postvatten waarvan we de stelling ruwweg als volgt kunnen formuleren: ‘Adèle kan me niet bedriegen. Het bewijs: ze bedriegt mij.’ Boubouroche was uiteraard al zeker van haar trouw, maar nu heeft hij het bewijs in handen – en per slot van rekening zijn twee zekerheden beter dan een. De enige schuldige in de hele zaak is de klikkende buurman, die een flink pak slaag te wachten staat. Een verdiend pak slaag overigens: hij had moeten beseffen dat storende informatie die in een systeem van waarnemingsweigering wordt binnengebracht meteen omslaat in de bevestiging van het systeem, wat in het bewustzijn van de niet-waarnemer voor dat laatste greintje zekerheid zorgt waaraan het hem nog ontbrak.

 

Domheid en waanzin

Het buitengewone vermogen om zich tegen de waarneming te verzetten – het vermogen dat Boubouroche bij Courteline of de oudtante van Combray in staat stelt niet te zien wat zich onder hun neus afspeelt – mag niet zomaar, zoals men dat gewoonlijk doet, worden geïnterpreteerd als domheid. Hun verblinding komt te dicht in de buurt van datgene wat we dagelijks kunnen observeren in uitingen van krankzinnige haat of bezetenheid om ze onder te brengen in een eigen categorie, ‘domheid’ genaamd, die we dan zouden omschrijven als een onschuldige vorm van verblinding die helemaal niets te maken heeft met de twee belendende categorieën, ‘waanzin’ en ‘haat’. In het geval van Boubouroche en van Prousts oudtante kunnen en moeten we zeker van domheid gewagen, maar we moeten er wel meteen aan toevoegen dat die domheid bij nader inzien niet te onderscheiden valt van wat zich in de waanzin en de haat voordoet. Weliswaar lijkt het gezond verstand zich te verzetten tegen deze manier om psychologische manifestaties waarvan iedereen aanneemt dat ze van elkaar verschillen op een hoopje te gooien. Maar het is best mogelijk dat het gezond verstand zich vergist en hier een onderscheid maakt waar er helemaal niets te onderscheiden valt: dat het, zoals Descartes zou zeggen, tussen objecten ‘formele distincties’ aanbrengt die in de realiteit door niets gerechtvaardigd worden. Een grondige en uitputtende analyse, zoals alleen de God van Leibniz die tot een goed einde zou kunnen brengen, zou misschien aantonen dat ‘domheid’, ‘haat’ en ‘waanzin’ drie woorden zijn die een en dezelfde psychologische realiteit aanduiden. Ik zal hier volstaan met enkele korte opmerkingen, die aannemelijk moeten maken dat de grenzen die de domheid traditioneel afschermen van de waanzin enerzijds en de haat anderzijds erg fragiel zijn.

Wat de eerste grens betreft, die tussen de waanzin en de domheid, merk ik in de eerste plaats op dat waanzin en domheid twee natuurlijke bondgenoten lijken, die elkaar een helpende hand toesteken zodra zich aan de horizon een gevaar aftekent – het lijkt me nauwelijks mogelijk het bestaan van de ene te erkennen zonder meteen ook het bestaan van de andere te erkennen. Geen enkele domheid kan om zo te zeggen op eigen kracht functioneren. Wanneer ze heeft beslist dat datgene wat de waarneming voorgeschoteld krijgt eigenlijk neerkomt op een werkelijkheid die van nul en generlei waarde is, heeft ze wel degelijk de hulp nodig van de waanzin, die gespecialiseerde machine om de werkelijkheid te negeren. En omgekeerd kan geen enkele waanzin functioneren zonder de bijdrage van een zekere hoeveelheid domheid (evenmin trouwens zonder die van een zekere hoeveelheid haat), van wie de hulp wordt ingeroepen bij een al te nieuwsgierig onderzoek of een al te hinderlijke vraag. Wie gekken observeert – zowel gevallen van ernstige krankzinnigheid als van lichte neurose – ziet dit feit overvloedig bevestigd: zodra een geestelijk gestoorde in ernstige moeilijkheden verkeert, neemt hij zonder mankeren zijn toevlucht tot absurde rechtvaardigingen of imbeciele redeneringen. Zonder de permanente steun van de domheid zou de praktijk van de waanzin gewoonweg onmogelijk zijn: aangezien de posities die de gek inneemt op zichzelf onverdedigbaar zijn, zouden ze bij de eerste aanval als kaartenhuisjes in elkaar storten.

Het hoeft overigens nauwelijks betoog dat de muur waarmee de gek zich van de realiteit afschermt precies van dezelfde aard is als de muur waarmee een zogezegd normaal maar weinig intelligent iemand, zoals Prousts oudtante in Combray, zich beschermt tegen realiteiten die hinderlijk zouden zijn als ze werden erkend. Wat Freud met de term ‘verdringing’ heeft aangeduid, vormt eigenlijk maar een bijzonder geval van de grendel die we in alle ‘normale’ gevallen van waarnemingsweigering aan het werk kunnen zien. Over de analyse van een jonge en intelligente hysterica schrijft Freud in een in 1920 gepubliceerd artikel het volgende: “De analyse verliep omzeggens zonder de geringste aanwijzing van weerstand: de analysant werkte op intellectueel vlak erg goed mee, maar liet nooit haar gemoedsrust varen. Toen ik haar op een dag een bijzonder belangrijk theoretisch punt toelichtte dat rechtstreeks met haar toestand te maken had, gaf ze me op onnavolgbare toon het volgende gevatte antwoord: ‘Maar dat is pas interessant!’ – zoals een vrouw van de wereld zou zeggen met wie men een museum bezoekt en die door haar handbril voorwerpen bekijkt die haar volmaakt onverschillig laten.” Deze niet-ontvankelijkheid of ‘niet-waarneembaarheid’, waarmee een analysant zo vaak en zo gemakkelijk triomfeert over zijn of haar analyticus, roept onweerstaanbaar de houding van de oudtante tegenover Swann op, evenals die van Violet Venable die in Suddenly, Last Summer haar dokter wegstuurt, net op het moment waarop die zijn doel bereikt meende te hebben. Geen twijfel mogelijk: in dit dubbele spel van de waanzin en de domheid is het altijd de sterkste die verliest en de zwakste die wint. Niemand zal betwisten dat de winnaar hier de zwakste is, ofschoon hij erin slaagt een tegenstander te ontredderen die anders veel sterker is dan hijzelf. Pierre Janet had het ongetwijfeld juist en scherp gezien toen hij de algemene oorzaak van elke waanzin toeschreef aan een tekort aan psychische energie. Maar daaraan moet meteen worden toegevoegd dat met deze debiliteit een enorme kracht gepaard gaat, en dat de energie die de gek mist om de realiteit onder ogen te kunnen zien hem dubbel en dwars wordt teruggegeven zodra het erom gaat die realiteit – of haar veronderstelde vertegenwoordigers – in bedwang te houden. Daarom is de gek (en om dezelfde reden ook de imbeciel) tegelijkertijd erg zwak en erg sterk. Erg zwak: omdat hij niet in staat is om de realiteit te verdragen. Maar ook erg sterk: omdat hij er op zijn manier in slaagt om de realiteit die hem kwelt doeltreffend te elimineren. En de kracht om de realiteit te elimineren is, ik herhaal het, werkelijk verbluffend. Men ziet niet goed in door welke tegenmacht een dergelijke kracht zich ooit zou laten dwarsbomen. Dat roept onvermijdelijk vragen op over de zin en de waarde die eender welke behandeling van neurosen kan hebben – waarbij we de intelligentie en de competentie van de psychiater en de psychoanalyticus buiten beschouwing laten. Tegenover de robuustheid van de gek of de imbeciel komen de krachten van een gezondere of beter geïnformeerde geest in hoge mate lachwekkend over; en ik zou er veel op durven verwedden dat ze altijd aan het kortste eind zullen trekken.

Tegen deze gelijkstelling van domheid en waanzin zou men het algemeen en terecht erkende feit kunnen inbrengen dat de meeste gekken soms uiterst intelligent en geslepen kunnen zijn. Maar dit bezwaar valt weg zodra men beseft dat al hun strategische zetten, waarin ze weliswaar staaltjes van list en psychologisch doorzicht laten zien – soms zou je zelfs durven zeggen: staaltjes van scherpzinnigheid en helderziendheid, in de occulte betekenis van het woord – toch altijd in de ban blijven van de innerlijke ‘waarheid’ die ze tegen externe informatie willen afschermen. Zodat de intelligentie van de gek – net zoals die van de imbeciel, die op dat vlak eveneens tot erg opmerkelijke prestaties in staat is – alleen dient om te weerleggen, nooit om te leren. Nauwkeuriger geformuleerd: ze heeft de paradoxale opdracht zich te verdedigen tegen de intelligentie zelf. Zoals men weet vloeit het verschijnsel van de censuur, zoals collectieve ideologieën en collectivistische regimes die toepassen, uit exact dezelfde oorzaken voort en streeft het dezelfde doelstellingen na.

 

Domheid en haat

Evenmin als van de waanzin valt de domheid te onderscheiden van de haat. De verbinding tussen domheid en haat lijkt me vanzelfsprekend, en ik zou het overbodig vinden om ze hier te onderstrepen als er niet die bijzondere en nogal verbazende omstandigheid was dat ze meestal niet wordt opgemerkt. Over iemand die met elke daad en met elk woord zijn omgeving kwelt, hoort men dagelijks zeggen dat je het hem niet kwalijk mag nemen, want ondanks alles, verzekert men ons, bezit hij een voortreffelijke en door en door genereuze inborst. Hij is gewoon wat onhandig en hij geeft zich onvoldoende rekenschap van wat hij zegt en wat hij doet. We hebben hier te maken met het onderscheid tussen de kwellende daad en de veronderstelde goede bedoeling, tussen de domheid die verantwoordelijk is voor de daad en de goedheid die men niet eens verantwoordelijk kan houden voor de bedoelingen – een onderscheid dat op waan berust en nauwelijks tegen analyse bestand is. Ik haal hier voor de laatste keer het voorbeeld aan van de oudtante in Combray en van haar eeuwige weigering om Swanns sociale status waar te nemen. Men kan en moet deze weigering natuurlijk interpreteren als een vorm van domheid. Maar waarom interpreteren we ze niet ook in termen van jaloersheid en haat? Een opmerking van haar moet volstaan om zelfs lezers die haar gunstig gezind zijn ervan te overtuigen dat die interpretatie correct is. Wanneer ze het over de prinsen van het Franse koningshuis heeft, verklaart ze tegenover Swann: “Dat zijn mensen die u noch ik ooit zullen kennen, en wij kunnen best zonder hen, vindt u ook niet.” Haar hatelijkheid kan onmogelijk beter worden samengevat, zowel ten opzichte van Swann, die ze met ijzeren hand op haar niveau houdt (u noch ik), als ten opzichte van de prinselijke familie, wier gezelschap ze tegelijk voor uitgesloten houdt en misprijst (wij kunnen best zonder hen, is het niet).

Pascal steekt op prachtige wijze de draak met dat illusoire onderscheid tussen de daad en de bedoeling wanneer hij, in de derde van de Lettres provinciales, de ketterijen die men Arnauld verwijt en waarover iedereen het eens is dat ze niet bestaan tegenover zijn ketterse bedoelingen plaatst, die volgens zijn tegenstanders wel degelijk erg zwaar wegen: “Ketters zijn niet Arnaulds overtuigingen; ketters is enkel zijn persoon. Het is een persoonlijke ketterij. Hij is geen ketter door hetgeen hij zegt of schrijft, maar omdat hij Arnauld is. Dat is alles wat men hem te verwijten heeft.” In ons geval zijn de respectievelijke appreciaties van de daad en de bedoeling natuurlijk omgekeerd. In de ogen van de censoren zijn Arnaulds woorden en daden onschuldig maar zijn bedoelingen laakbaar; in het geval van Prousts oudtante, of tenminste in de oppervlakkige voorstelling die men zich van haar geval kan maken, zijn haar woorden en daden laakbaar, maar haar bedoelingen onschuldig. Nochtans gaat het in beide gevallen om dezelfde illusie, die aan hetzelfde foutieve beginsel gehoorzaamt: men maakt een ongerechtvaardigd onderscheid tussen wat men doet en wat men bedoelt te doen, tussen wat men zegt en wat men bedoelt te zeggen.

 

Vertaald uit het Frans: Eddy Bettens

 

Noot

[1] Boubouroche is een toneelstuk van Georges Courteline uit 1883. Als de titelheld in Adèles kamer een minnaar in de kast ontdekt, ontsteekt hij in woede, waarop Adèle hem misprijzend antwoordt. “Wat ben jij toch vulgair. Je verdient niet eens de doodsimpele verklaring die ik iemand anders wel gegeven had, iemand die niet zo grof is als jij. We kunnen beter uit elkaar gaan.” Waarop Boubouroche meteen inbindt, zijn ongelijk toegeeft en erkent dat zijn achterdocht volslagen ongegrond was. In zijn essay Le réel et son double (1976) citeert Clément Rosset Boubouroche om de verdubbeling toe te lichten die volgens hem elke illusie kenmerkt: Boubouroche ziet de hele werkelijkheid, onverhuld, maar over die werkelijkheid legt hij meteen een tweede werkelijkheid. Daarin bestaat er geen enkel verband meer tussen het feit dat hij Adèles minnaar in de kast heeft betrapt en het feit dat hij door Adèle bedrogen wordt. (Noot van de vertaler)

 

Bovenstaande tekst is een vertaling van het essay L’inobservance du réel, opgenomen in de essaybundel Le principe de cruauté, Minuit, Parijs, 1988.