Wouter Davidts

DE WITTE RAAF

Editie 80 juli-augustus 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Ann Veronica Janssens, Super Space

Zomertentoonstellingen vinden zelden plaats op eerder traditionele plekken als het museum of de galerie, wel in de open lucht. Deze trend is op zijn minst merkwaardig, en roept in meerdere opzichten vragen op. Wie heeft er belang bij dergelijke initiatieven? Waartoe dienen ze? Wat betekent het voor de kunst om gevraagd te worden ‘iets’ te doen op deze of gene plek? Heeft zij er enig belang bij?

Wanneer de kunst eind jaren ’60 het museum en de galerie verlaat, is dit uit onvrede met de beperkingen van het institutionele kader. Kunst wil er weg en trekt letterlijk naar buiten. Vandaag lijkt de situatie net omgekeerd. Waar de kunst vroeger zelf het initiatief nam om uit het museum te ontsnappen, wordt het haar nu expliciet gevraagd. Deze gang van zaken is in velerlei opzichten problematisch, en niet het minst voor de kunst die zich laat mobiliseren. Zo ging de oorspronkelijke verstorende kracht van site specific kunst net verloren met de expliciete vraag om site specific te zijn, om andere plekken dan het musem te bezetten. De term site specific bezit dan ook lang niet meer het kritische potentieel van weleer, maar fungeert als een modieuze stoplap om het verblijf buiten te verantwoorden. Het geliefkoosde terrein voor het geflirt met de wijde wereld, is de stad. Terwijl in het museum de kunst tot rust, tot stilstand, zelfs tot sterven komt, profileert men de stad als de plek bij uitstek waar zij zich met de realiteit kan meten, waar zelden rust of stilstand heersen, waar het leven de overhand heeft. Nochtans meet de stad zich een zeer museale logica aan wanneer het aan de kunst vraagt om zich in haar ruimtes op te houden. Door in eigen naam de kunst te vragen site specific, en dus in principe kritisch te zijn, weet de stad deze kritiek bij voorbaat te neutraliseren. Met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee het museum binnenskamers anti-museale kunst presenteert, huisvest de stad projecten waarin ze zelf te kijk wordt gezet. Want de stad weet dat haar ruimtes in crisis verkeren en beschouwt de kunst als een van de ideale handlangers om het prangende identiteits- en betekenisverlies van de stedelijke ruimte te detecteren, en er waar mogelijk iets aan te doen. Goede ‘stadskunst’ toont dit verlies, maar liefst op zo’n manier dat de stad haar terstond onschadelijk kan maken en recupereren.

In de tentoonstelling Super Space van Ann Veronica Janssens, die van 20 tot en met 29 mei in Utrecht liep, werd deze logica flink op de helling gezet. De tentoonstelling beantwoordde nochtans aan alle randvoorwaarden. Ze vormde het obligate beeldende-kunstluik van het jaarlijkse Festival a/d Werf van het Theaterhuis, en de tentoonstelling speelde zich af in het stadscentrum. Curator Moritz Küng maakte echter een belangrijke keuze. Hij koos niet voor de gebruikelijke groepstentoonstelling maar voor één persoon die de ruimte van de stad in haar totaliteit ‘ter beschikking’ kreeg. Dit leverde een tentoonstelling op waarin een merkwaardige spanning ontstond tussen het gegeven van de stadstentoonstelling en het specifieke karakter van Ann Veronica Janssens’ werk. Haar ingrepen bezetten immers nooit werkelijk plekken, maar vermengen zich met de situatie die er heerst, spelen erop in. Zoals Moritz Küng in de uitvouwbare catalogus (annex stadsplan) vermeldt, concentreert het werk van Janssens zich op aspecten van beleving. Plekken als zodanig zijn niet belangrijk, wel hoe men ze gewaarwordt. Janssens tracht niet iets aan te tonen of erop te reageren. Ze vertrekt van een precieze analyse van de specifieke ruimtelijke context, waarna ze de waarneming van die plek of ruimte weet te beïnvloeden. Ze gebruikt daarvoor objecten, bedenkt handelingen, of introduceert systemen. In Utrecht realiseerde Janssens twaalf werken, die stuk voor stuk aan het traditionele verwachtingspatroon van ‘kunst in de stad’ verzaakten. Zo trok op geregelde tijdstippen een lichte rookpluim doorheen een voetgangerstunnel. Je kon je laten rondrijden in een SMART, met dreunende ambientbeats in de cassettespeler. Op twee grote bizboards – een nieuwsoortig reclamebord met projectie – kreeg je instructies over hoe je fosfenen op je netvlies kan laten verschijnen. 6.000 rijksdaalders werden getooid met zes verschillende teksten waarop de muntwaarde werd gerelateerd aan begrippen als afstand, volume of tijd. Bart Verschaffel spreekt in de begeleidende catalogustekst over drie mogelijke gebieden waar de kunst zich ten opzichte van de stad kan verhouden: achterkant, binnenkant, oppervlakte. Het werk van Ann Veronica Janssens lijkt zich alvast in geen van de drie te bevinden, maar ergens in een tussengebied. Het flirt op zo’n manier met het ‘immateriële’ dat het zich nergens achter, in of op bevindt, maar steeds ertussen. Zo ging het in de bizboard Fosfenen niet enkel om de ‘micro-organische exploratie’ van je netvlies, maar vooral over de plek waar het geprojecteerd werd, een shoppingcenter dat dagelijks duizenden mensen rechtstreeks van het station naar het stadscentrum sluist. Door één van de wapens van deze commerciële doorstroomplek, het bizboard, om de vijf minuten in te palmen met een statisch beeld van enkele personen die op hun oogballen drukken, werd duidelijk welke dirigistische logica er op die plek heerst. Met Agoraphobia kreeg je in de Sint-Willibrorduskerk een spiegel, waarmee je op een andere wijze de ruimte van het gebouw kon verkennen. De kerk heeft geen indrukwekkende fresco’s te bieden, waardoor de spiegel geen rechtstreeks doel had, tenzij te bemiddelen in de waarneming ervan. Door een rijksdaalder te voorzien van een boodschap over hoeveel het muntstuk waard is aan zuurstof, extase, vliegtijd in een Concorde, stilte of geheugen, kwam de mercantiele logica van de binnenstad even tussen aanhalingstekens te staan. Janssens’ ingrepen spreken niet enkel over de plek, maar met een plek. Haar werk kan dan ook bezwaarlijk als site specific bestempeld worden. Het merendeel van de werken in Super Space was trouwens niet speciaal voor Utrecht gemaakt, het waren in zekere zin bestaande werken. De kracht van Super Space lag in de manier waarop de werken bemiddelden in de verschillende stedelijke ruimtes, om er een ogenblik iets te laten gebeuren. Waar dit met één werk van Janssens vaak zeer moeilijk te vatten is, werkte de mentale superpositie van twaalf werken in Utrecht werkelijk overrompelend. Door Janssens twaalf keer de stad in haar tussengebieden te laten bezetten, leek er écht iets te gebeuren. Hoewel er eigenlijk weinig te zien was, het vaak zeer moeilijk was om de werken te localiseren en je de dingen steeds in een paar seconden gezien had, kreeg je het gevoel dat er eindelijk een stad werkelijk geactiveerd werd. En niet door vuurwerk, lightshows, brullende bands of andere toeters en bellen. Janssens beperkte zich tot de minder spectaculaire en efemere versies van al dat geweld. Door zich niet te laten verleiden tot een kritiek op de stad, noch tot een verfraaiing ervan, maar een project te creëren waar de logica van de festivaltentoonstelling of zomertentoonstelling links bleef liggen, betekende Super Space een welkome voorsmaak van al het geweld waarop we deze zomer zullen worden vergast.

 

• De tentoonstelling Super Space van Ann Veronica Janssens liep van 20 tot 29 mei in het stadscentrum van Utrecht. De tentoonstelling vormde het beeldende-kunstenprogramma van Festival a/d Werf 1999, Postbus 10137, 3505 AB Utrecht (030/231.53.55).