Pieter Van Reybrouck, Hilde Van Gelder

DE WITTE RAAF

Editie 80 juli-augustus 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Trouble Spot.Painting

Hoewel het er eerst naar uitzag dat het MuHKA tijdens het Van Dyckjaar niet echt een belangrijke bijdrage aan de programmatie zou kunnen leveren, heeft Flor Bex zijn museum toch nog een plaats bezorgd in het gebeuren met TroubleSpot. Painting. Hij slaat daarmee meerdere vliegen in één klap. Door de samenwerking met het NICC, dat in de tentoonstelling als het kleinere filiaal van het grote museum functioneert, wordt het kunstenaarscollectief minstens tijdelijk zo goed als monddood gemaakt. Waar het NICC in het begin uitdrukkelijk anders dan het MuHKA wou programmeren, maakt het er nu feitelijk deel van uit. Maar het is alsof Bex daarmee nog niet genoeg de kunstenaar als criticus van zijn instelling uitgeschakeld heeft. De kunstenaars staan immers pas helemaal schaakmat als ze ook nog eens zelf de tentoonstelling mogen maken. Door twee kunstenaars, Narcisse Tordoir en Luc Tuymans, in te lijven als curator kan Bex elke kritiek op het MuHKA en op zijn ‘beleid’ al te gemakkelijk afschuiven op de kunstenaars zelf. De curatoren bevinden zich zo a priori in een bedenkelijke positie.

TroubleSpot. Painting is nochtans een opmerkelijke tentoonstelling. Luc Tuymans en Narcisse Tordoir brengen een bonte groep kunstenaars samen, wat een gevarieerde en op het eerste gezicht wat onsamenhangende tentoonstelling oplevert. TroubleSpot. Painting valt echter niet alleen op door haar omvang en veelzijdigheid, maar ook door haar intellectuele en artistieke ambitie. Het is van de laatste dat een mogelijke coherentie moet komen. In de catalogus formuleren de curatoren duidelijk hun project: tonen dat schilderkunst meer is dan een drager of een medium, dat ze een manier van denken is of een ‘archetypisch patroon’ vormt waarop ook in de actuele kunst voortdurend wordt teruggevallen. Daartoe kiezen zij drie verschillende invalshoeken. In de eerste benadering beperkt schilderkunst zich tot het vlak en maakt ze volop gebruik van haar traditionele media en haar illusionistische mogelijkheden. De tweede invalshoek verlaat het platte vlak als constitutieve eis ten voordele van een vrijer experimenteren in de ruimte. Tevens worden de klassieke materialen ingeruild voor een verkenning en toe-eigening van de meest diverse technieken, zonder dat de band met de schilderkunst helemaal doorgesneden wordt. De eerste – die van Luc Tuymans – is ‘conceptualiserend’, de tweede – die van Narcisse Tordoir – ‘problematiserend’. Elk hebben ze een persoonlijk icoon gekozen, respectievelijk Gerhard Richter en Hélio Oiticica. De confrontatie tussen de twee visies van de curatoren vormt een belangrijke leidraad doorheen de tentoonstelling. Veel werk kan in de ene of de andere categorie geplaatst worden en vaak levert de wisselwerking tussen beide interessante visuele ervaringen en inzichten op. Vermeldenswaard zijn Marlene Dumas’ indringende schilderijen zoals Pregnant Image, naast het koele beeld van een man die ons de rug toekeert door Michelangelo Pistoletto. Chris Ofili’s The Adoration of Captain Shit & the Legend of the Black Stars dat onder meer met olifantenstront gemaakt is en vol verwijzingen zit naar subculturen, religie en kitsch, doet het bijzonder goed tussen Raoul De Keysers sobere en verstilde doeken. Ook de confrontatie tussen Tuymans en Tordoir zelf, die in de tentoonstelling bemiddeld wordt door werk van Gérard Gasiorowski, is intrigerend. Soms speelt het gevecht tussen beide visies zich in een bepaald kunstwerk zelf af, zoals bij Roger Raveel. En verder is er ook sterk werk van Dierk Schmidt en Kerry James Marshall, dat door een uitgesproken politieke dimensie op een eigen manier de actualiteit van de schilderkunst aantoont.

Het is pas in de derde benadering dat de schilderkunst als duidelijk afgebakende discipline volledig verlaten wordt. Via die laatste weg willen de curatoren aantonen hoe kunstenaars die werken met installaties, fotografie, film en video, sculptuur, enzovoort op de een of andere manier aansluiting vinden bij de schilderkunstige traditie. Schilderkunst in die zin wordt een manier van denken of een “uitgangspunt tot een specifieke benadering van het beeld”. Volgens de curatoren bestaat er in de variatie aan media waarmee kunstenaars werken een bepaalde wijze van omgaan met beelden die niet anders dan schilderkunstig genoemd kan worden. Die derde invalshoek vormt de zwakke plek in een anders uitstekende tentoonstelling. In tegenstelling tot de eerste twee sporen wordt hier geen ‘icoon’ naar voor geschoven, wat impliceert dat historische referentiepunten ontbreken. Een verwijzing naar het werk van Andy Warhol ligt nochtans voor de hand. Het lijkt er overigens op dat de curatoren maar al te graag zijn film Empire – waarbij de Empire State Building in New York gedurende meerdere uren vanuit hetzelfde camerastandpunt en met dezelfde diafragma-opening gefilmd wordt – in de tentoonstelling hadden opgenomen. Ofschoon het werk in de catalogus vermeld staat, is het niet in de tentoonstelling terug te vinden. Ook de relatieve afwezigheid van foto’s die picturaal opereren, zoals bijvoorbeeld tal van werken van Gilbert & George, Boltanski’s Compositions décoratives, Shermans History Portraits en het werk van de Bechers, Jeff Wall of Thomas Struth is opmerkelijk. Het is misschien juist door de afwezigheid van dergelijke referentiepunten dat de kunstenaars die in TroubleSpot. Painting de derde weg vertegenwoordigen als groep niet coherent naar voren treden. Het interessantere werk wordt daarenboven vaak in zijn subtiliteit tenietgedaan door de wat brutale plaatsing in een discours over schilderkunst dat zich ondanks haar ambities niet van haar mediumbepaaldheid en -beperktheid kan bevrijden. Men is daarom wat al te gemakkelijk geneigd om te blijven hangen bij banale picturale verwijzingen zoals van Elske Neus naar Vermeer, van Diana Thater naar Monet. Soms is de interventie of de combinatie wel geslaagd, bijvoorbeeld in de ruimte waar een schilderij van Raveel geplaatst wordt naast Joëlle Tuerlinckx’ overheadprojectie van grove witte borstelstreken. Of Laviers Rue Louise Weiss Nr. 12 – een inkjet-afdruk op doek van een foto van een met grote borstelstreken wit geschilderd vlak – tussen Résonance (Monogold) van Yves Klein en twee werken van Kerry James Marshall. David Claerbouts projectie van een foto (Kindergarten Antonio Sant’Elia 1932) waarin bepaalde details zoals de blaadjes van een boom subtiel bewegen, is een uitschieter. Het veelbelovende werk van Hans Op de Beeck lijkt daarentegen wat verdwaald door gebrek aan omkadering. Meschac Gaba’s Museum of African Contemporary Art, Part I, Drawing Room and Market vormt een geslaagde interventie in een voornamelijk Europees-Amerikaans georiënteerde tentoonstelling.

Maakt TroubleSpot. Painting haar ambitie waar? Maakt ze echt duidelijk dat schilderen meer is dan een door traditionele media afgebakende discipline? Het is een verdienste van de tentoonstelling dat veel schilders van verschillende generaties, van verschillende afkomst maar jammer genoeg ook van verschillend niveau, bijeengebracht worden. De confrontatie tussen twee visies binnen de schilderkunst, die van Tuymans en die van Tordoir, werkt bevruchtend. Maar het debat tussen de twee curatoren blijft zich hoofdzakelijk binnen de grenzen van de discipline afspelen. De traditie waar Tordoir voor staat, verlegt weliswaar die grenzen door het tweedimensionale vlak achter zich te laten en te experimenteren met allerlei technieken, maar telkens eigent de schilderkunst zich toch die technieken toe. Tordoirs heimelijke model is veel meer de Robert Rauschenberg van de Combine paintings dan Hélio Oiticica. Zowel voor Rauschenberg als Tordoir worden de nieuwe technieken of media geabsorbeerd binnen een discipline die nadrukkelijk schilderkunst blijft. Het is pas als die technieken niet meer ondergeschikt worden aan de discipline, dat de vraag naar de schilderkunst als manier van denken onafhankelijk van de gebruikte media in alle scherpte gesteld kan worden. TroubleSpot. Painting bewijst uiteindelijk het omgekeerde van wat ze wou bewijzen: het Rauschenberg/Tordoir-amendement in acht genomen, is schilderkunst nog steeds een discipline die door haar medium bepaald wordt. Tenzij men bereid is van schilderkunst een nietszeggend label te maken dat vrij arbitrair op de meest diverse kunstuitingen geplakt kan worden. Maar dergelijke overmatige gehechtheid aan een term zou weleens het ultieme verraad aan die term kunnen betekenen.

 

• Trouble Spot. Painting loopt nog tot 22 augustus gelijktijdig in het MuHKA, Leuvenstraat 32, 2000 Antwerpen (03/238.59.60) en in het NICC, Pourbusstraat 5, 2000 Antwerpen (03/216.07.71).