Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 80 juli-augustus 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

L'objet désorienté au Maroc

De laatste nog te restaureren vleugel van het Louvre is het noordelijke deel aan de rue de Rivoli. Hier bevindt zich de verzameling toegepaste kunst van de Union centrale des arts décoratifs. Deze instelling die op het eind van de 19de eeuw ontstond onder impuls van een groep industriëlen en verzamelaars, omvat vandaag vier musea: het Musée des arts décoratifs, het Musée de la mode et du textile, het Musée de la publicité, een verbouwing van Jean Nouvel die in november van dit jaar geopend wordt, en het Musée Camondo, een hôtel particulier in het 17de arrondissement. Met de aanstelling van Marie-Claude Beaud (voormalige directeur van de Fondation Cartier) werd niet alleen de wens geuit om de hedendaagse toegepaste kunsten een ruime plaats te geven, maar ook om hedendaagse kunst met hedendaags design te confronteren. Een van de eerste pogingen om beide disciplines te verenigen werd toevertrouwd aan de voormalige directeur van het capc in Bordeaux, Jean-Louis Froment, en staat in het teken van een reeks activiteiten en tentoonstellingen rond Marokko, die dit voorjaar in Frankrijk georganiseerd werden.

De tentoonstelling L’objet désorienté stelt een hedendaagse visie voor op gebruiksvoorwerpen zoals die vandaag in Marokko geproduceerd en gebruikt worden. Het uitgangspunt is eenvoudig. Negen Marokkaanse en Franse kunstenaars werden erop uitgestuurd om ter plaatse een reeks gebruiksvoorwerpen te verzamelen: kruiken, tagines, broodmanden, borden, theepotten, koeskoespotten, waterketels en karnvaten. Tegelijk werd elke reeks objecten onderverdeeld volgens zijn decoratieve motieven: horizontale of verticale banden, ster-, bloem-, dambord-, pauwenstaart- of ruitmotief. Het geheel werd opgesteld op een enorm tapijt, want “voor oosterlingen is elk tapijt een afgebakende site, een bijzondere ruimte, die op eigen wijze verwijst naar de wereld, verwijst naar het dorp, de stam of het huis. De versiering verbergt steeds een geheim of een raadsel dat moet ontsluierd of geraden worden: een tuin, een offer, een gebed, een sprookje, een legende; soms ook een belediging of een betovering.”

Terwijl de overige deelnemers zich beperken tot het introduceren van hun eigen werk, van keramische beeldjes tot kleine schilderijtjes, neemt de Franse kunstenaar Jean-Paul Thibeau de volledige ruimte tot zijn actieterrein. In zijn confrontatie met andere culturen, zowat het uitgangspunt van zijn totale oeuvre dat reeds in talrijke performances in Bolivië, Ivoorkust en Nepal geconcretiseerd werd, wil hij het veld van de hedendaagse kunst verruimen. Een hedendaagse kunst die zich volgens hem “gedraagt als een achterlijk kind, omdat ze nog te veel verbonden blijft met de verwaandheid van de cultuur”. Daarom zoekt hij “une culture autre, pour changer d’espace et d’espèce”. Jean-Paul Thibeau is er niet op uit om etnologische of esthetische problemen op te lossen. Ook al wordt zijn activiteit hierdoor gestimuleerd. Een activiteit die gaat van de manipulatie van plastische en symbolische elementen tot meer vluchtige manipulaties met woorden en bewegingen. Terwijl de overige kunstenaars de registers van display- en commoditykunst bespelen – de tentoonstelling had evengoed een enorme installatie van Haim Steinbach kunnen zijn – tilt Jean-Paul Thibeau deze banale voorwerpen op een ander niveau. Hij legt niet de nadruk op het consumptiegedrag, maar op de gebruikswaarde. Dat een voorwerp enkel bestaat in functie van de handelingen die het oproept, is een van de constanten van dit oeuvre waarin de hamer als symbool van dit handelen steeds terugkeert. In zijn onderzoek naar noties zoals ‘werk’ of ‘menselijke activiteit’ maakt hij geen wezenlijk onderscheid tussen de productiewijze en het product. Het centrale gedeelte van zijn installatie en tevens van de tentoonstelling, Le conservatoire du souffle (Promenade à Marrakech, 1999), bestaat uit een stervormige stapeling van paletten die door conservenblikken en keukengerei gestut worden. De verticale structuur verwijst naar de lokale architectuur met haar natuurlijk ritme van platte daken en terrassen. Ook hier wordt het object benaderd vanuit zijn gebruikswaarde, waarbij licht en schaduw een belangrijke rol spelen. De vier installaties die de volledige tentoonstelling omsluiten, bestaan uit Conversations en Rencontres van de verschillende gebruiksvoorwerpen. In tegenstelling tot de ingrepen van de overige kunstenaars, bestaan ze niet alleen uit cleane readymades, maar ook uit voorwerpen die reeds een zekere geschiedenis hebben. Door de horizontale opstelling behoudt elk voorwerp zijn eigen autonomie en een zekere mobiliteit. In overeenstemming met zijn eigen artistieke visie benadert Jean-Paul Thibeau de mens ook in deze tentoonstelling via het ondervragen van de vooropgestelde regels van de uitwisseling onder individuen van verschillende culturen. Het banale gebruiksvoorwerp is hiervoor niet enkel metafoor maar ook (en vooral) een praktisch uitgangspunt.

 

• L’objet désorienté au Maroc loopt nog tot 29 augustus in het Musée des arts décoratifs, Palais du Louvre 111, 75001 Parijs (01.44.55.57.50).