Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 80 juli-augustus 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

La peinture après l'abstraction

Na de indrukwekkende Rothko-retrospectieve pakt het Musée d’art moderne de la Ville de Paris uit met een tentoonstelling over de Franse abstracte kunst van de daaropvolgende generatie. Een groter contrast is haast niet mogelijk. Aan de hand van werk van vijf Franse schilders, Martin Barré (1924-1993), Jean Degottex (1918-1988), Raymond Hains (1926), Simon Hantaï (1922) en Jacques Villeglé (1926) wordt een beeld geschetst van een periode waarin de abstracte kunst geabsorbeerd werd zonder daarom nog een dringende noodzaak te zijn.

Hoe verschillend de samengebrachte kunstenaars ook zijn, elk voor zichzelf hebben ze een kritisch standpunt ingenomen tegenover de schilderkunstige conventies van de naoorlogse kunst, zowel tegenover het surrealisme als tegenover de École de Paris. Hun kritisch onderzoek draait rond fundamentele vragen omtrent de schilderkunstige geste en de ruimte, het teken en de schriftuur en de relatie tussen de kunstenaar en zijn werk. Omdat hun werkwijze eerder gebaseerd was op een methode dan op een theorie, ging dit fundamentele onderzoek gepaard met het uittesten van nieuwe technieken zoals de décollage van Hains en Villeglé, de plooitechniek van Hantaï, de schrifturen van Degottex en het gebruik van de spuitbus (reeds vanaf 1965) door Martin Barré. Hierdoor trachtten deze kunstenaars zich los te maken van een subjectief psychologisch lyrisme. In plaats van een directe expressie van het ego zoeken ze een afstand tussen zichzelf en hun schilderijen. Of de schilders uit het gezelschap, Barré, Degottex en Hantaï, daarin geslaagd zijn, is nog steeds de vraag. De confrontatie met de werken in de tentoonstelling laat eerder het tegendeel vermoeden. Na een gemeenschappelijke zaal met de vroegste werken werd de tentoonstelling monografisch ingericht. Hier kan men kennismaken met de verschillende evolutie van elke kunstenaar afzonderlijk tot 1975, het moment waarop hun werk uitgekristalliseerd geraakte. Een recent werk getuigt van hun huidige activiteit waarin ze, met uitzondering van Hains en Villeglé, nog steeds dezelfde registers bespelen.

De titel van de tentoonstelling, Après l’abstraction, laat vermoeden dat deze kunstenaars nog sterk met de erfenis van de abstracte kunst verbonden zijn. Wanneer men bedenkt wat er in dezelfde periode op artistiek vlak allemaal gebeurd is, van pop tot conceptuele kunst, dan begrijpt men snel dat het hier getoonde eerder het gevolg is van een achterhoedegevecht. De enige kunstenaar die deze vormelijkheid overstijgt, is Raymond Hains. Hij zal zich dan ook vrij snel aansluiten bij het nouveau réalisme en tot op vandaag (hij is bijna drieënzeventig) zijn kritische houding tegenover zowel de kunst als de maatschappij met de regelmaat van de klok op zijn eigen erudiet-ludieke manier confirmeren. Het is dan ook vreemd zijn vroege werken hier te zien hangen in een context die zijn collages en décollages herleidt tot een formeel spel van vormen en kleuren, waardoor de maatschappelijke relevantie volledig wordt afgeschermd.

 

• La peinture après l’abstraction, 1955-1975, nog tot 19 september in het Musée d’art moderne de la Ville de Paris, Avenue du Président Wilson 11, 75116 Paris (01.47.23.61.27).