Petra Brouwer

DE WITTE RAAF

Editie 80 juli-augustus 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

AIR-Zuidwaarts, waar het landschap begint

AIR-Zuidwaarts is inmiddels de zesde manifestatie van de stichting AIR (Architecture International Rotterdam). Ook nu weer is ontwerpers gevraagd na te denken over een actueel stedenbouwkundig en architectonisch vraagstuk in of rond Rotterdam om zodoende het publieke debat op gang te brengen. Dit keer staat de Hoeksche Waard centraal, een landelijk gebied ten zuiden van Rotterdam, dat in de ogen van bedrijven en bestuurders een verleidelijke overvloed aan bouwterrein heeft te bieden. De verstedelijking van het landschap lijkt slechts een kwestie van tijd en de vraag van AIR is of dit nu voorkomen moet worden of niet. Een uiterst actuele vraag, want in de vakbladen woedt het debat over het verstedelijkte landschap – een contradictio in terminis – volop. Dezelfde tegenstrijdigheid is te bespeuren in het publieke debat. De Nederlander koestert de natuur, zolang het maar niet ten koste gaat van zijn auto, huis en malse varkenskarbonade. Elke slimme politicus vermijdt het debat over de ruimte en de publieke gelden die deze liefhebberijen opslokken. Tegelijkertijd telt Natuurmonumenten, een vereniging die natuurgebieden beschermt dan wel inricht op aangekochte stukken land, meer leden dan ooit. Deze dubbelheid is bij de helft van de acht in het Nederlands Architectuurinstituut tentoongestelde ontwerpen het belangrijkste thema. Gezocht is naar een samengaan van verstedelijking met behoud van het landschappelijke karakter van de Hoeksche Waard. Bindels/Gietema/Klok/Hartzema beschouwen hiertoe de oprichting van een ontwikkelingsmaatschappij voor de hele Delta, die alle verschillende belangen tegen elkaar kan afwegen, als een noodzakelijke voorwaarde. Frits Palmboom en Jaap van der Bout hebben met een gedetailleerd ontwerp een voorschot genomen op de meest waarschijnlijke toekomst, waar ‘van alles wat’ (wegen, bedrijfsterreinen, wonen, natuur) zijn beslag legt op de Hoeksche Waard. Tekenend voor hun realisme is dat zij als enige bureau plaats hebben ingeruimd voor de grootschalige landbouw. Erg spannend is hun ‘landschapslasagna’ niet, maar in ieder geval is de complexiteit van de opgave serieus genomen. François Roche steekt zijn kop er letterlijk voor in het zand door domweg te stellen dat de gespannen verhouding tussen stad en land niet meer bestaat in het tijdperk van internet. Afstanden en mobiliteit zouden betekenisloos zijn geworden. We moeten daarom niet meer denken in concentraties en leegtes, maar woningen gelijkmatig durven te spreiden. Roche heeft het vlakke land geplooid en onder de sinusgolven van klei appartementen gestopt. Voor wie zijn uitgangspunten consequent doordenkt een claustrofobische ervaring, want we mogen immers alleen werken, ontspannen en onze boodschappen doen via de elektronische snelweg. Bij Stefano Boeri wordt er nog gewoon over de dijken gereden. Zijn lijnenstad is even ingenieus als esthetisch. Aan elf stukken dijk van enkele kilometers wordt de verstedelijking geconcentreerd, waarbij elk dijkvak zijn eigen functie krijgt, variërend van wonen-met-glastuinbouw tot kantoren-aan-huis. De andere vier bureaus hebben een expliciete keuze gemaakt. Jörg Dettmar/Harald Fritz/Ulrike Beuter benoemen de Hoeksche Waard tot de tuin van Rotterdam, een tuin die natuur, voedsel en recreatie voor de stadsbewoner moet bieden. Peter Calthrope, Dirk Sijmons/Yttje Feddes en Marieke Timmermans willen de Hoeksche Waard juist verdedigen tegen de stad en hebben een gevarieerd natuurlandschap ontworpen, met ecologische landbouw, wetlands en een overtuigend enthousiast door Sijmons aangeprezen agro-raffinaderij.

Geen van de bezoekers zal het waarschijnlijk volhouden de acht plannen te bestuderen. De toelichtingen van de ontwerpers door de plafondmicrofoons zijn alleen te verstaan als de zaal leeg is, het beeldmateriaal is slecht zichtbaar doordat de presentatiewand een knik maakt en voor niet-ingewijden vaak onbegrijpelijk. Onnavolgbaar is ook een item als ‘observatorium’, een verzameling derderangs introspectieve teksten over plek en identiteit, opgetekend in een observatiepost in de Hoeksche Waard. Het komt misschien door dit soort artistiekerige vrijblijvendheid, dat de goede bedoelingen van AIR je langzaam gaan tegenstaan. De talloze foto’s van en interviews met de ‘gewone man en vrouw’ van de Hoeksche Waard lijken steeds meer een studie te zijn van een exotische (want: gelovige, boerse, dorpse, eenvoudige) soort, in plaats van deel uit te maken van een discussie tussen gelijkwaardigen. De titel spreekt ineens boekdelen over het perspectief van de organisatoren: daar waar het landschap begint.

 

• AIR-Zuidwaarts/Waar het landschap begint, tot 8 augustus in de grote zaal van het Nederlands Architectuurinstituut, Museumpark 25, 3015 CB Rotterdam (010/440.12.00).