Petra Brouwer

DE WITTE RAAF

Editie 80 juli-augustus 1999

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Photowork(s) in progress II/Constructing identity

Na Rineke Dijkstra, Paul Seawright en Wendy Ewald (Photowork(s) in Progress, 1997), is in de tweede publicatie van Photowork(s) in Progress het werk te zien van de fotografen Korrie Besems, Joachim Schmid en het duo Wout Berger/Noor Damen. Net als hun voorgangers werden zij gevraagd om hun visie te geven op het onderwerp ‘identiteit’. Het heeft een prachtig geschakeerd beeld opgeleverd. Dit beeld wordt nog diverser, zoal niet verhevigd door de begeleidende essays, die het boek aan diepte en betekenis doen winnen ten opzichte van de gelijknamige tentoonstelling, afgelopen voorjaar in het Nederlands Foto Instituut in Rotterdam.

Als er één gedeelde opvatting is in de ondernomen zoektochten naar het wezen van identiteit, dan is het wel dat identiteit niet gezocht moet worden in het bijzondere, in opvallende extremen. Het lijkt wel of alle fotografen deze keuze te makkelijk en voor de hand liggend vinden. Identiteit wordt pas spannend als ze zo normaal is, dat je het karakteristieke ervan bijna niet als zodanig herkent. En als ze dan eenmaal voor de lens komt, dan nog betracht de fotograaf de grootst mogelijke terughoudendheid. Op de tentoonstelling kon deze bescheidenheid irriteren. We willen als bezoeker verleid worden door verrassende beelden, die we zelf met onze compacte Nikons niet zouden kunnen maken. Wat moeten we met Joachim Schmidt, die niet eens zelf fotografeert, maar een selectie maakte uit bestaande beelden uit de media, die hij, vanuit zijn positie als buitenlander, als specifieke Nederlandse cultuurverschijnselen ervaart? Wat moeten we met de vrienden-, ouders- en vakantiekiekjes van Berger en Damen? We kennen die personen niet eens. En wat moeten we met Besems foto’s van de nieuwe buitenwijken die we wel kunnen dromen omdat heel Nederland ermee vol staat?

Het antwoord komt van Hans Aarsman, in zijn puntgave essay bij het werk van Berger en Damen: “We zijn zeker te gewoon.” De fotograaf noch zijn onderwerp verheffen zich boven de alledaagse wereld om ons heen. “In de musea staat iedereen zich te vergapen aan de werelden die Goldin, Billingham en Araki hebben vastgelegd. Daar wordt geleefd. Zelf zouden we het geen seconde uithouden temidden van de vetvlekken, de blauwe plekken en de katers. Maar foto’s zijn het wel. Kan het echt niet zonder drama?” vraagt Aarsman zich af. Neemt Aarsman het impliciet op voor de leegte van verwezenlijkte idealen, Janny Rodermond zoekt in haar essay over Besems foto’s van de buitenwijken het drama toch weer op. De postmoderne architectuur wordt van alles beschuldigd: valse romantiek, traditionalisme, banaliteit. Waar het haar natuurlijk werkelijk om te doen is, is het gebrek aan engagement van onze moderne welvaartsmaatschappij en de zelfgenoegzaamheid van de heersende middenklasse. De vraag die mijns inziens door Rodermond niet beantwoord wordt, is of we daarom ook de beeldmiddelen waar de middenklasse zich van bedient, moeten veroordelen.

In het gelijkschakelen van politiek, esthetiek en ethiek vindt Rodermond in ieder geval een medestander in Paul Gilroy, die het slotessay van het boek verzorgde. Ik heb overigens mijn toevlucht gezocht tot de samenvatting ervan, na enkele vergeefse pogingen me door zijn jargongeile tekst heen te bijten – ‘complex’ en ‘geconcentreerd’, noemt de samenvatter het vriendelijker. Ook Gilroy waarschuwt tegen de overmatige belangstelling voor identiteit, die volgens hem voortkomt uit angst voor de multiculturele samenleving. Immigranten en autochtonen gunnen elkaar schijnbaar de ruimte ieder zijn eigen historische en etnische ‘roots’ trouw te blijven, maar reduceren elkaar daardoor tot eendimensionale karikaturen. Gilroy bepleit een meer kosmopolitische, toekomstgerichte identiteit. Heel nobel, maar, lijkt mij, wel een zeer intellectueel-correct standpunt, omdat het in hoge mate een beroep doet op het kunnen bevatten van meerduidigheid. Zo roert Photowork(s) in Progress II talloze vraagstukken aan: over de identiteit van onze samenleving, van de fotograaf, van onszelf en de beelden om ons heen. En dat was nu juist de bedoeling.

 

• Photowork(s) in progress II/Constructing Identity, samengesteld door Linda Roodenburg en uitgegeven in 1999 bij Snoeck-Ducaju (Gent) en NFI, Witte de Withstraat 63, 3012 BN Rotterdam (010/213.20.11).