Petra Brouwer

DE WITTE RAAF

Editie 88 november-december 2000

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Het architectuurloze tijdperk, Hendrick de Keyser en de horizon van Amsterdam

Hendrick de Keyser was van 1594 tot 1621 de stadsbouwmeester van Amsterdam. In deze periode werden negen torens en torenspitsen opgericht, die Amsterdam op de 17de-eeuwse stadspanorama's een monumentaal en schilderachtig silhouet geven. De stad kreeg in enkele decennia een complete skyline die tot op de dag van vandaag bepalend is, zowel in zijn concrete aanwezigheid als in de jurisdictie. Hoogbouw in de binnenstad is niet toegestaan en de enkele uitzonderlijke gevallen van nieuwbouw zijn gebonden aan de hoogte van het historische profiel. "De huidige behoudzucht is omgekeerd evenredig aan de dadendrang van onze voorvaderen, die Amsterdam in korte tijd omtoverden tot een metropool met een onmiskenbaar nieuw en eigen gezicht," aldus Jan de Heer in Het architectuurloze tijdperk. De torens van Hendrick de Keyser en de horizon van Amsterdam. De gebruikelijke cultuurhistorische en economische argumenten voor behoud volstaan niet om de onaantastbare status van het historische stadsbeeld te verklaren. Er moet een innerlijk motief zijn, aldus De Heer, dat niet zozeer gezocht moet worden in de huidige tijd, maar in de intrinsieke waarde van het vroeg 17de-eeuwse stadsprofiel. De Heers zoektocht naar die intrinsieke waarde is niet gericht op de ambities van de toenmalige verantwoordelijken –  de stadsregenten, de architecten, de kerkleiders – maar op de torens zelf, en de betekenis van het bouwwerk in het Amsterdam van het einde van de 16de en het begin van de 17de eeuw.

Steunend op Michel Foucaults analyse van de 16de-eeuwse kennisleer in Les Mots et les choses, beschrijft De Heer de waarde van de toren als teken. De toren was het middelpunt van ceremoniële tochten door de stad, het exacte meetpunt voor landmeters en geografen, en het oriëntatiepunt voor de plaatsbepaling en navigatie langs de kust. Ook de torenklokken namen een centrale positie in. Ze markeerden het dagelijkse ritme in de stad en luidden belangrijke gebeurtenissen in en uit. Als architectonisch teken is de toren volgens De Heer vooral te beschouwen als een krachtenveld van sympathie en antipathie. De toren verenigt twee elementen (de aarde en de lucht), twee vormen (de vierkante basis en de ronde bol op de top) en twee materiële werelden (de massieve stenen voet en de houten, met lood en leien beklede spits). Op de 17de-eeuwse stadsgezichten van Amsterdam loopt de horizon gelijk met de daklijn van de torens. Alles daaronder hoort tot de aardse, dagelijkse wereld; wat erboven uitsteekt tot het hemelse, verre, exotische. Tussen deze uitersten moet de transformatie zich voltrekken en door de architect worden vormgegeven.

Terwijl De Heer deze transformatie aanstekelijk en gedetailleerd beschrijft, blijft een overtuigende interpretatie van het waarom van de gekozen beeldtaal, door de architect dan wel de opdrachtgever, achterwege. De Heer wil voor de periode 1550 tot 1621 (het sterfjaar van Hendrick de Keyser) een architectuurloos tijdperk instellen om zo de benoem- en classificatiezucht van de architectuurhistorici een halt toe te roepen. Hun theorieën berusten op een flinterdunne bewijslast. De bouwstijl valt nauwelijks te benoemen, want het is geen gotiek meer, maar ook nog geen renaissance. Over de architect is nauwelijks iets bekend en het auteurschap van Hendrick de Keyser is bij enkele torens omstreden. Maar het belangrijkste obstakel voor classificatie- en interpretatiemogelijkheden is de non-architectuur van de torenspitsen zelf. Bouwsels van hout, lood en leien, onvoltooide en provisorische projecten, aldus De Heer, net als de decorbouwstukken die een halve eeuw eerder waren gemaakt voor de intocht van Karel V en Philips II in Antwerpen. Maar behalve de overeenkomst in materiaal en het gebruik van obelisken, aediculae, pilasters en kolommen, werkt hij het verband tussen de feestdecoraties en de torenspitsen niet verder uit.

De Heer heeft groot gelijk wanneer hij stelt dat stilistische etiketten en architectuurhistorische verklaringen vooralsnog niet in staat zijn gebleken de diepere betekenis van het torenproject bloot te leggen. Zijn studie zet daar een aantal overtuigende beschouwingen tegenover, door de verschillende betekenislagen van de toren te analyseren: architectonisch, stedenbouwkundig, religieus, moreel, ceremonieel, geografisch, politiek. Waarom wil hij echter een architectuurloos tijdperk instellen voor een tijd waarin architectuur vol van betekenissen was? Waarom die jaloezie op de daadkracht van onze 17de-eeuwse voorvaderen en zoveel dédain voor onze tegenwoordige behoudzucht? Komt deze behoudzucht niet voort uit eenzelfde daadkracht, zij het die van de onthouding? Snelwegen, sloop, dempingen: talloze plannen zijn in de afgelopen eeuw tegengehouden. De historische stad is heilig, misschien juist omdat we inmiddels de tekens niet meer begrijpen. Het is een hiëroglifische wereld die ons ontzag inboezemt en betekenis geeft door haar mysterie.

 

• Jan de Heer, Het architectuurloze tijdperk. De torens van Hendrick de Keyser en de horizon van Amsterdam is dit jaar verschenen bij Uitgeverij Duizend & Een, Admiraal de Ruyterweg 139, 1056 EZ Amsterdam, (020/689.04.94) ISBN 90-71346-30-7. De publicatie is tweetalig, in het Nederlands en het Engels.