Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 89 januari-februari 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De collectie Herbert

In 1984 was een deel van de collectie van Annick en Anton Herbert te zien in het Van Abbemuseum (Eindhoven). Pas nu, zestien jaar later, is ze weer ergens te gast. De tentoonstelling in het Casino de Luxembourg brengt werk van 27 kunstenaars samen, en kwam tot stand door een intense samenspraak tussen Enrico Lunghi (Casino de Luxembourg) en de Herberts. Uitgever Yves Gevaert adviseerde hen, en maakte een boek bij de tentoonstelling. Presentatie noch publicatie willen een representatieve staalkaart van de verzameling tonen. In de tentoonstelling ontbreken bijvoorbeeld verschillende kunstenaars die wel degelijk van essentieel belang zijn voor de Gentse verzamelaars, onder andere Donald Judd, Gerhard Richter en Robert Ryman. Het boek is uitgebreider, maar ambieert evenmin volledigheid. Er is werk in opgenomen dat niet in de tentoonstelling terugkeert, maar de tentoonstelling bevat ook een paar werken die niet in het boek staan. We moeten de beiden dus als onafhankelijke producten zien.

De Luxemburgse ‘Kunsthalle’ is niet zo groot. Omdat het parcours uit heel wat kleinere zaaltjes bestaat, ademt de presentatie niet de museale allure die de collectie Herbert in haar mars heeft. Ze opent wel met een grote installatie van Franz West. De bodemsculpturen van Carl Andre ontvouwen hun uitgestrektheid in het langwerpige ‘Aquarium’. De meeste andere ‘kamers’ zijn echter ingericht als ascetische kabinetten, met gemiddeld zo’n drie werken per zaaltje. Op de bovenverdieping zijn ze telkens aan één kunstenaar gewijd (Fabro, Vercruysse, Nauman, Gilbert & George, Merz en Broodthaers); op de benedenverdieping brengen ze werk van geestesverwanten en generatiegenoten samen, heel discreet en zonder een spoor van ‘gewaagde’ confrontaties. De ‘volste’ kamer groepeert werken van Amerikaanse en Britse conceptkunstenaars – kleine bladen, of werk met een documentkarakter – rond een tafel met On Kawara’s One Million Years. Er hangen onder meer ontwerptekeningen van Robert Barry voor nog-net-niet-immateriële installaties – regelmatige patronen die uitgevoerd moeten worden door nylondraad rond bomen te spannen.

Voor wie enigszins vertrouwd is met de Collectie Herbert, oogt deze tentoonstelling nog vrij domestiek, al rijmt zo’n intimistisch jargon slecht met het strenge idealisme dat ze mede dankzij haar wortels in concept, arte povera en minimal ook vandaag nog meedraagt. De foto’s uit het boek die in het industriële pand aan de Gentse Raas van Gaverenstraat zijn genomen – waar de Herberts temidden van hun verzameling leven – geven een idee van de radicaliteit waarmee de verzamelaars hun levensstijl aan de verzamelde kunst hebben aangepast. Er is geen privécollectie denkbaar die zo wars is van elk compromis met het huiselijke interieur. Ook uit de methode van de Herberts spreekt een streng verzamelethos. De Herberts engageren zich voor een oeuvre. In Luxemburg is de opzet misschien te kleinschalig om te onderkennen hoezeer ze zich ‘tot een oeuvre verplichten’, hoe ze met een haast ‘museaal’ geweten oeuvres uitdiepen. De aankoop van een eerste werk van een bepaalde kunstenaar weegt ongetwijfeld zwaar. Overigens kun je de oeuvregerichtheid van de verzameling enigszins aflezen uit de presentatie in de grote zaal op de eerste verdieping, waar werk van Martin Kippenberger en Mike Kelley wordt samengebracht. Het resultaat van het jongste engagement van de Herberts oogt nu al imposant.

De Herberts beschikken niet alleen over stukken die menig museum hen zou benijden, hun manier van verzamelen mist ook elke schijn van dilettante ‘liefhebberij’ die men wellicht met het private verzamelen associeert. De publieke collectie waar ze – in haar keuzes én haar specifieke verzameleconomie – het meest aan doet denken, is ongetwijfeld die van het Van Abbemuseum, dat onder Jan Debbaut eveneens een monografische verzamelpraktijk ontwikkelde, en dat ook in zijn keuzes heel wat verwantschappen vertoont. Niet toevallig schreef Debbaut ook de inleidende tekst in het boek.

Ondertussen bestrijkt de Collectie Herbert drie generaties – de oudste kunstenaars zijn geboren in de jaren twintig, de jongste in de jaren vijftig. Debbaut suggereert in zijn apologetische bijdrage dat de collectie op een beslissend punt is gekomen, een punt waarop het prospectieve wel eens definitief voor het retrospectieve zou kunnen wijken. Even wordt de vraag naar de toekomstige publieke functie van de verzameling opgeworpen. Ze wordt slechts aangeraakt. Het is duidelijk een nog jonge vraag.

 

• Many Colored Objects Placed Side by Side to Form a Row of Many Colored Objects. Werken uit de collectie van Annick en Anton Herbert, programme, loopt nog tot 11 februari 2001 in Casino Luxembourg – Forum d’art contemporain, 41 rue de Notre-Dame, Luxemburg (352/22.50.45)

Het boek bij de tentoonstelling is uitgegeven door Yves Gevaert uitgever, Vinkstraat 160, 1170 Brussel (02/660.23.72).