Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 89 januari-februari 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

La part de l'autre, l'Ecole de Paris 1904-1929

Picasso, Brancusi, Chagall, Modigliani, Mondriaan, Brassaï. Elk op hun manier hebben deze respectievelijk Spaanse, Roemeense, Russische, Italiaanse, Nederlandse en Hongaarse kunstenaars een belangrijke bijdrage geleverd tot de ontwikkeling van de moderne kunst, zonder daarom hun eigen traditie te verloochenen. Ze hebben niet alleen hun stempel gedrukt op het Parijse kunstleven van de vroege twintigste eeuw, maar op het geheel van de Franse cultuur. In een periode waarin nog geen sprake was van globalisatie en multiculturalisme, behoorden deze immigranten niet alleen tot de artistieke, maar ook tot de maatschappelijke avant-garde.

In de jaren twintig werden deze kunstenaars, die zich verdienstelijk hadden gemaakt op het terrein van het kubisme, het primitivisme en het futurisme, samengebracht in wat men ietwat ongelukkig de École de Paris is gaan noemen. Na de Tweede Wereldoorlog sprak men dan naar analogie met de eerste École de Paris van een Nouvelle École de Paris. Die bestond vooral uit buitenlandse kunstenaars rond Hartung, Wols en Riopelle, die in de jaren vijftig in Parijs een eigen vorm van informele schilderkunst beoefenden.

De École de Paris verenigde in het begin van deze eeuw de meest verscheidene individuen. Het was een school zonder leraars, zonder theorieën, zonder esthetisch programma. De afwezigheid van een gemeenschappelijke artistieke basis en de daaruit voortvloeiende formele karakteristieken maakt dat de tentoonstelling L’École de Paris. 1904-1929, la part de l’Autre in het Musée d’art moderne de la Ville de Paris een eerder disparate indruk maakt.

Opvallend is de grote invloed van Picasso, zowel bij schilders als beeldhouwers, van Gris tot Rivera, van Chagall tot Severini, van Kupka tot Mondriaan, van Lipchitz tot Zadkine, die doorheen de ganse tentoonstelling duidelijk zichtbaar is. L’École de Paris begint dan ook in het jaar dat Picasso zich definitief in Parijs gevestigd heeft. In 1904 nam hij zijn intrek in de Bateau-Lavoir, waar hij enkele jaren later zijn beroemde Les Demoiselles d’Avignon zou schilderen. Van deze revolutionaire periode is er in de tentoonstelling echter geen spoor. In plaats van de geschiedenis van het modernisme nogmaals te herschrijven, opteerde L’École de Paris voor een momentopname, waarbij de protagonisten van de moderne kunst en de epigonen broederlijk naast elkaar hangen. Dit levert soms boeiend werk van minder gekende kunstenaars op, of minder gekende werken van grote meesters, maar voor iemand die minder met deze materie vertrouwd is, wordt het verhaal er niet bevattelijker op.

De tentoonstelling begint met Picasso, die hier enkel vertegenwoordigd is met een keuze rond het thema van de harlekijn – metafoor voor zijn mentale omzwervingen en zijn belangstelling voor de metamorfose, en een beeld waar de overige kunstenaars van de École de Paris zich gemakkelijk in konden herkennen. Ze eindigt met een andere emblematische figuur, Chaïm Soutine. Hij staat voor de radicaliteit waarmee kunstenaars zich in het begin van de eeuw niet alleen wisten te bevrijden van het academisme, maar ook van het keurslijf van de avant-garde. Zijn expressionistische schilderstijl bezorgde hem in het Parijse landschap een unieke plaats.

Na een hoofdstuk over de relaties tussen kubisme en primitivisme, traditie en moderniteit, behandelt de tentoonstelling de manier waarop deze kunstenaars de stad Parijs als het ware opnieuw uitvonden. Merkwaardig genoeg is onze blik op Parijs in hoge mate bepaald door deze buitenlanders, vooral dan door fotografen als Man Ray, Germaine Krull, Brassaï en Kertész. Naast de architectuur behandelden ze vooral het naakt, dat men toentertijd als een typisch Parijs onderwerp beschouwde en dat we, naast talrijke portretten en zelfportretten, ook terugvinden bij de schilders, die zich eerder interesseerden voor het mondaine leven in cafés, restaurants, ateliers en bordelen.

De tentoonstelling eindigt op het einde van de jaren twintig toen de euforie uitmondde in een economische, sociale, politieke en ideologische crisis die gepaard ging met vreemdelingenhaat en antisemitisme. Talrijk zijn de buitenlandse kunstenaars die Parijs toen verlieten of naar hun geboorteland terugkeerden.

 

• L’École de Paris. 1904-1929, la part de l’Autre tot 11 maart in het Musée d’art moderne de la Ville de Paris, Avenue du Président Wilson 11, 75016 Paris (01-53.67.40.00). www.paris-france.org/musees