Camiel van Winkel

DE WITTE RAAF

Editie 89 januari-februari 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Een museum waar de dingen elkaar overlappen

Het is nauwelijks voorstelbaar, maar Chris Dercon voert op dit moment al bijna even lang de directie van Museum Boijmans Van Beuningen als hij aan het hoofd van Witte de With heeft gestaan. De oogst van vijf jaar Boijmans lijkt vooralsnog mager in vergelijking met de stroom van gedenkwaardige tentoonstellingen, publicaties, lezingen en debatten waarmee hij zich van januari 1990 tot december 1995 deed gelden aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Het uitzonderlijke van die periode was dat Dercon met zijn medewerkers zowel de kunstproductie als de kunstreflectie wist te stimuleren en zelfs aantoonde dat het één met het ander kon worden geïntegreerd.

Dercon was te ambitieus om de overstap naar het museum niet te willen maken – bovendien, zo beweerde hij, was hij in 1995 wel zo’n beetje klaar met Witte de With. Toch moet hij nog vaak hebben terugverlangd naar de compacte en wendbare organisatiestructuur van die instelling. Vanaf zijn eerste dag bij Boijmans Van Beuningen ondervond hij de taaiheid van institutionele structuren. Conservatoren die gewend waren ieder hun eigen koninkrijkje te bestieren, reageerden argwanend op Dercons entree; ze vreesden dat het met hun welverdiende rust gedaan zou zijn. Oude financiële tekorten werden ontdekt die voor meerdere jaren noopten tot een aankoop- en vacaturestop. Bezoekcijfers zakten in, vooral doordat het museum afzag van spectaculaire blockbusters, en de dagbladpers reageerde met een voorspelbare klaagzang. In april 1999 kwam het tot een uitbarsting toen enkele stafleden het vertrouwen in Dercon opzegden en nadrukkelijk de publiciteit zochten. De crisis werd bezworen en een intern onderzoek leidde tot de aanstelling van Hugo Bongers, voorheen Stedelijk Museum Amsterdam, als zakelijk directeur naast Dercon.

Hoewel alle tegenslag op dit moment nog niet voorbij lijkt – de museumnieuwbouw loopt steeds weer vertraging op door een tekort aan bouwvakkers – heeft Chris Dercon zijn optimisme hervonden, nu de gewenste interne reorganisatie die een eind moet maken aan de verkokering alsnog gestalte krijgt. Onlangs publiceerde hij een bundel interviews onder de titel Ik zou een museum willen maken waar de dingen elkaar overlappen. Het boek gaat volgens de flaptekst over “de revolutionaire gedaanteveranderingen van de beeldende kunst, de macht en onmacht van het museum, de terreur van de kijkcijfers, maar ook over het respect voor de toeschouwer”. Het bevat de neerslag van gesprekken die Dercon vanaf midden jaren tachtig voerde met Dan Graham, Serge Daney, Daniel Buren, Brian Wallis, Bruce Nauman, Rem Koolhaas, Paolo Fabbri, Richard Sennett, Thierry de Duve, Douglas Crimp en Jeff Wall. Een groot deel van de interviews is gemaakt in de periode 1986-1988 voor een nooit gerealiseerde reeks televisieprogramma’s getiteld The New Museum (met regisseur Stefaan Decostere).

De charme van dit kleine boek zit mede in het beeld dat tussen de regels wordt opgeroepen van een 28-jarige Vlaming die kennelijk in de sterren heeft gelezen dat hij tien jaar later directeur van een groot kunstmuseum zal worden, en daarom besluit om alvast met een aantal belangrijke kunstenaars, critici, filosofen en historici in gesprek te gaan over mogelijkheden om een nieuw museum uit te vinden. Hij doet dat met de voortvarendheid die we inmiddels van Dercon kennen. In zijn inleidingen laat hij sporadisch iets doorschemeren van de branie van weleer: “Ik sprak met Daney vlak voor Kerstmis 1986 in de kantoren van Libération in Parijs. Na het interview kocht ik, geïnspireerd door de uitmonstering van Daney, een kerstgeschenk voor mezelf: een stevig leren jack. Ik voelde me beschermd tegen weer en wind en ander mogelijk onheil.”

Vooral de gesprekken met De Duve, Sennett, Koolhaas en Daney bevatten boeiend materiaal. Veel van de besproken tendenzen – zoals de branding van musea en het primaat van publiciteit en zichtbaarheid – zijn nu nog dominanter dan destijds. De meest weerspannige positie wordt ingenomen door de socioloog Richard Sennett, die pleit voor informele en anarchistische musea. Hij doet uitspraken waarvoor je tegenwoordig zonder meer kan worden opgepakt. Educatie wijst hij af als een “onderdrukking van de eigen indruk van de kijker”. En: “Ik zie liever musea die op een confronterende manier met het publiek omgaan. Ik zou graag zien dat het publiek wordt uitgenodigd tentoonstellingen te bezoeken die nergens over gaan, die niet worden uitgelegd, waar je geen walkman meekrijgt die zegt: ‘Loop nu naar het volgende schilderij, waar U het volgende zult zien.’ Zelfs een museum waar je onmogelijk kunt zien waar de tentoonstelling is, waar zij begint en waar zij eindigt, is te verkiezen. Want uiteindelijk houdt het educatieve museum de mensen geen spiegel voor waarin zij zichzelf kunnen aanschouwen, maar een venster waardoor zij zien wat zou kunnen zijn, als zij zichzelf maar konden begrijpen.” Sennett benadrukt het belang van verveling en bestrijdt de noodzaak van alomvattende kaders. “Een kunstwerk is idiosyncratisch, en het zou een idiosyncratische reactie moeten uitlokken.”

Het feit dat deze interviewbundel op dit cruciale moment verschijnt, geeft aanleiding om het boek na te vlooien op aanwijzingen hoe Dercons ideale museum eruit zal zien. Dercon kiest zijn gesprekspartners immers niet op journalistieke gronden maar op basis van een ideologische verwantschap. Zijn sparringpartners zijn tevens degenen die hij opdrachten geeft, waar hij projecten mee doet en die hij in een aantal gevallen tot zijn vriendenkring rekent. De titel van het boek demonstreert hoe zijn geest in dit opzicht werkt: een uitspraak van Dan Graham – ”ik denk dat ik van die dichtheid houd waarbij ik twee dingen neem die erg dicht bij elkaar liggen en die ik lichtjes laat overlappen” – eigent hij zich toe zonder de oorspronkelijke context te verzwijgen of geweld aan te doen.

In Dercons ideale museum staat de bemiddeling tussen beelden en ideeën centraal; daarbij ligt de nadruk minder op afzonderlijke tekendragers dan op de ‘passage’ tussen verschillende tekensystemen, zoals de semioticus Fabbri uiteenzet. “Het beeld zegt altijd meer en minder dan het vertoog.” Een vergelijkbare uitspraak doet Bruce Nauman wanneer hij zijn vroege videowerk beschrijft: “Wat me interesseerde, was de ervaring van het bij elkaar brengen van deze twee soorten informatie: fysieke informatie en visuele of intellectuele informatie. De ervaring ligt in de spanning tussen die twee, het niet in staat zijn ze met elkaar te verenigen.” Met Koolhaas kiest Dercon voor flexibiliteit en densiteit; met Buren voor het primaat van openbaarheid; met De Duve en Sennett stelt hij het esthetisch oordeel centraal en refereert hij aan André Malraux’ Musée Imaginaire.

Met deze publicatie wil Chris Dercon de indruk wekken dat hij al vijftien jaar nadenkt over een nieuw type museum. Ik geloof hem zonder meer. Nu moest dat museum er ook maar eens komen.

 

• Chris Dercon, Ik zou een museum willen maken waar de dingen elkaar overlappen is het achtste deel in de serie Fascinaties die wordt uitgegeven door NAi Uitgevers, Mauritsweg 23, 3012 JR Rotterdam (010/201.01.33). ISBN 90-5662-149-1.