Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 89 januari-februari 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Hans Haacke en Boijmans. Van Abbemuseum over zichzelf

Na Harald Szeemann, Peter Greenaway en Robert Wilson was Hans Haacke de vierde gast die door Museum Boijmans Van Beuningen werd gevraagd een collectiepresentatie te maken – en de eerste op uitnodiging van de nieuwe directeur Chris Dercon. Haackes omgang met de collectie is nu gedocumenteerd in een bijzonder sprekend boek dat net zoals de tentoonstelling AnsichtsSachen heet.

In zijn inleidende tekst vertelt Haacke hoe zijn bezoek aan het museumdepot deze gastbijdrage een beslissende wending gaf. In de reserveruimte, aldus Haacke, hangen de werken zonder enig inhoudelijk plan naast elkaar. Hun willekeurige accumulatie doet je begrijpen wat sociologen en cultuurwetenschappers bedoelen, wanneer ze spreken over de “ideologische macht die beschilderde houten platen en rechthoeken van textiel in kunstwerken verandert”. (p.14) Haacke haalde rekken uit het depot naar boven, en hing een deel van de werken tegen hun stalen rasters. Juist door de associatie met de ‘neutraliteit’ van een opslagplaats, wordt onze blik scherp gesteld op de discursieve bewerking die kunstwerken in elke presentatie ondergaan. In de museumzalen verschijnen de ‘neutrale’ rekken als een discursief raster. De presentatie toont zich openlijk als een gemonteerd betoog.

Het raster keert ook in het boek terug. Ook waar werken afzonderlijk worden afgebeeld, werd nog een stukje van het rek meegefotografeerd. Bij andere beelden is vaak nog een stukje muur met een randje schaduw meegenomen. Bijna alle schilderijen worden nadrukkelijk in hun omlijsting getoond. Het rangschikken van beelden naast elkaar (in het boek) behoudt nog iets van een accrochage, de geste van het tentoonstellen blijft permanent zichtbaar, en de media ‘tentoonstelling’ en ‘boek’ worden op een vaak geraffineerde wijze verzoend. Zo toont het boek een aantal zaalbeelden met werken op een witte muur, waarbij de werken echter zo sterk naar voor komen dat je ze bijna als illustraties binnen de bladspiegel leest. De titels zijn boven de illustraties op het wit van het blad gezet – het wit dat ook het wit is van de gefotografeerde muur. Ophanging en reproductie, zaalbeeld en bladspiegel glijden in mekaar over.

De willekeur van de reserveruimte heeft Haacke ertoe uitgenodigd om, bevrijd van de esthetische beneveling die eigen is aan mooie zaalpresentaties – en naar zijn goede gewoonte – de politieke en ideologische achtergronden van stichters, schenkers en kunstenaars bloot te leggen. In het geval van de oudere kunst wordt vooral de verwikkeling van kunst met de historische agenda’s van de Nederlanden getoond.

Haackes boek is net zoals de tentoonstelling in thematische hoofdstukken opgedeeld. Een eerste deel toont beelden van kunstenaars, gemaakt door henzelf, door collega’s of door derden. Dit deel gaat dus over de politiek van hun artistieke (zelf)representatie. Hierna volgen de thema’s ‘receptie’ en ‘macht/arbeid’, gevolgd door een hoofdstuk getiteld ‘alleen, samen, tegenover elkaar’ – met een onderdeel ‘westerse beelden van niet-westerse mensen’. Tot slot is er een deel over het ‘zien’ als dusdanig. De thematisering van de (ideologische) blik blijkt uit heel het boek, maar de ideologie van het tentoonstellen wordt nog eens extra geaccentueerd door de presentatie van lege kaders, die in de tentoonstelling de bovenrand van de muur afboordden. Het commentaar bij de beelden in het boek legt de nadruk op hun politieke en sociale achtergronden. Sprekende details worden vaak nog eens uitvergroot in een aparte illustratie. Bij de beelden van ‘niet-westerse mensen’ zijn de stroken met laatstgenoemde personen binnen de kleurenreproductie van het geheel in zwart-wit uitgespaard. Haacke heeft letterlijk de plaats afgebakend die de heersende ideologie hen toewees. Zo’n ‘vervreemdingsstrategie’ illustreert treffend Haackes harde huwelijk van ideologiekritiek en beelddidactiek. De letterlijkheid van zijn aanpak is zijn beperking, maar het resultaat is ook altijd ‘sec’, en daardoor nooit melig politiek correct. AnsichtsSachen is een inzichtelijk boek, en mag toch zonder gêne mooi genoemd worden.

Een heel andere omgang met een museumcollectie spreekt uit Een collectie is ook maar een mens, dat handelt over de collectievorming in het Van Abbemuseum na de Tweede Wereldoorlog. In de loop van 1999 verzorgden de vier naoorlogse directeuren van het Van Abbemuseum te Eindhoven een collectiepresentatie in het oude gebouw. Het boekje ligt in het verlengde daarvan. Het viertal – Edy de Wilde (1946-1963), Jean Leering (1964-1973), Rudi Fuchs (1975-1987) en huidig directeur Jan Debbaut (1988-) – worden er over hun Eindhovense periode geïnterviewd door leden van de museumstaf. Voorwaar een gezellige bedoening. We komen wel ongeveer te weten waar de vier heren voor stonden, maar kritische afstand blijkt niet de eerste zorg van de interviewers geweest te zijn. Een collectie is ook maar een mens: het relativisme van de titel verraadt een wel erg vergevingsgezinde houding tegenover de directeuren, die rustig hun heldenverhalen mogen debiteren. Om te beletten dat hun ego te veel opzwelt, benadrukken ze af en toe hoe belangrijk die vorige directeur voor hen was.

Men kon moeilijk verwachten dat de vier zichzelf op de pijnbank zouden leggen, maar het globale opzet van dit ‘menselijk document’ verraadt weinig bereidheid tot kritische reflectie vanwege het museum over het eigen kunsthistorische werk.

 

• Hans Haacke, AnsichtsSachen/ViewingMatters, werd in 1999 uitgegeven door Richter Verlag, Am Rittersberg 18, 40595 Düsseldorf (0211/70.18.16). ISBN 3-928762-61-3.

• Een collectie is ook maar een mens werd in 1999 uitgegeven door NAi Uitgevers (Mauritsweg 23, 3012 JR Rotterdam (010/201.01.33)) en het Stedelijk Van Abbemuseum, Eindhoven. ISBN 90-70149-74-5.