Sven Lütticken

DE WITTE RAAF

Editie 89 januari-februari 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Krijn de Koning

Nederlandse kunst moet het doorgaans zonder enigszins serieus commentaar stellen. Kunstenaars krijgen wel publiciteit, maar er bestaat een chronische onwil om zelfs belangwekkend werk op zijn consequenties te toetsen. Die discoursvijandigheid geldt ook voor de bekendste kunstenaars, en dus des te meer voor een minder gemediatiseerd persoon als Krijn de Koning. Het is dan ook verheugend dat naar aanleiding van diens tentoonstelling in de Vleeshal in Middelburg een monografie verscheen, Krijn de Koning: Binnen buiten / Inside Outside. Ze bevat niet alleen een overzicht van De Konings werk in de afgelopen tien jaar, maar biedt ook diverse aanzetten tot analyse. Het misdadig vormgegeven boekje (er staan soms delen van vier teksten op één bladzijde, twee Nederlandse en hun Engelse vertaling) bevat onder meer een essay van Bas Heijne en bijdragen van Daniel Buren en Michel Gauthier. De aanwezigheid van laatstgenoemde twee auteurs wijst erop dat De Koning, die begin jaren negentig in Parijs studeerde, voor de discursieve omkadering van zijn werk minstens evenzeer naar Frankrijk als naar Nederland kijkt. Buren prijst De Koning vanwege de “tegenwoordig zeldzame” toewijding waarmee hij “zich ondubbelzinnig bezighoudt met een activiteit op een bepaalde plek, waaruit ten slotte een werk tevoorschijn komt dat in relatie tot die plek is gemaakt”. Met zijn voor specifieke ruimtes geconcipieerde, in heldere kleuren beschilderde muren of vloeren van hout- of gipsplaat, is De Koning voor zijn voormalige docent Buren klaarblijkelijk een soort artistieke erfgenaam.

Helaas beperkt Buren zich na een korte inleiding letterlijk tot wat citaten uit eigen geschriften. Michel Gauthier tracht daarentegen te preciseren waarin De Konings positie verschilt van die van de generatie van Buren, Robert Morris en Dan Graham. Het verbaast niet dat hij betoogt dat De Koning als jongere kunstenaar een minder ideologische benadering heeft: hij zou een “puur fysieke, materiële en tastbare werkelijkheid” nastreven. Zijn werk zou eerder ervaringsgericht zijn dan expliciet kritisch. Men kan zich echter vragen stellen bij deze nadruk op het fysieke, materiële in het werk van De Koning. Is zijn kunst er niet vooral één van kleurvlakken, colorfields? De fraaie reproducties in het boekje zijn misschien wat misleidend, omdat ze de materialiteit van de drager (gips, hout) en zijn imperfecties (zoals de naden) verdoezelen; toch komen de kleurvlakken bij De Koning ook altijd los van die fysieke elementen. In termen van het discours van de jaren zestig zou je kunnen zeggen dat zijn werk geen keuze toelaat tussen de onlichamelijke, magische presentness van schilderkunst die een zuivere opticality nastreeft en de aardse, fysieke presence van het minimalistische object. Zijn werk staat schijnbaar in de traditie van de (post)minimalistische kunst, maar laat ook de deur open voor een Greenbergiaanse opticality. Misschien staat De Koning wel dichter bij de verguisde Anthony Caro dan bij Robert Morris of Dan Graham. Of misschien moeten we teruggaan naar De Stijl, waar men met de schilderkunst streefde naar driedimensionaliteit, naar een integratie in de architectuur.

De bundel bevat ook een interview met De Koning door Rutger Wolfson en Valentijn Byvanck, waarin De Koning klaagt over de visuele vervuiling van de hedendaagse maatschappij. In de beste modernistische traditie pleit hij voor helderheid en soberheid. De kwaliteit van zijn werk bestaat er echter in dat hij de krachten waartegen hij zich verzet, toch op een gecontroleerde manier binnenlaat. De kleurruimtes van De Koning zijn evenzeer thuis in de spektakelmaatschappij en de amusementswereld van Disney World en Showbizz City – wat niet betekent dat ze daarmee gelijk te schakelen zijn. De Konings Beeld voor de Rietveldvleugel (1999), dat sinds enige tijd permanent in het Centraal Museum in Utrecht is geïnstalleerd, bestaat wel uit geometrische vlakken, maar van soberheid is geen sprake. We zien een ‘extravaganza’ van gekleurde rechthoeken die over twee verdiepingen op complexe wijze in elkaar (en in de bestaande architectuur) grijpen. De link met Rietvelds Stijl-esthetiek is duidelijk, maar het resultaat is een coloristisch overweldigende Piranesi-architectuur. Bas Heijne associeert in zijn essay een ander werk van De Koning met de achttiende-eeuwse ruïne-esthetiek. Dat is slechts op het eerste gezicht een gratuite literaire zet; De Konings werk is niet verankerd in de jaren zestig en zeventig, maar roept voortdurend uiteenlopende historische referentiepunten op. In Beeld voor de Rietveldvleugel ontdekt De Koning via De Stijl de relevantie van Piranesi’s laatbarokke capriccio’s voor de onwerkelijke hedendaagse ruimtebeleving. Het resultaat is – om met Peter Halleys karakterisering van Frank Stella’s ‘barokke’ latere schilderkunst te spreken – “a world where space is dramatic but no longer makes sense. Here, like as Disneyworld, Las Vegas, or the shopping mall, everything is arranged to entice, seduce, and amaze.”

 

• Krijn de Koning: Binnen buiten / Inside Outside is in 2000 verschenen bij NAi Uitgevers, Mauritsweg 23, 3012 JR Rotterdam (010/201.01.32). ISBN 90-5662-169-6