Pascal Gielen, Caroline Van Eccelpoel

DE WITTE RAAF

Editie 89 januari-februari 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De toekomst van het verleden

Dat aan prestigieuze culturele projecten heel wat denkwerk voorafgaat, klinkt evident, maar het publiek maken van deze reflectie kent nog maar een korte traditie in Vlaanderen. De publieke debatten die Brussel 2000 inleidden, zijn een voorbeeld, alsook de vorig jaar verschenen reader voor Brugge 2002. Het openbaar maken en stimuleren van denkwerk (onder meer door schrijfopdrachten) verschaft deze manifestaties niet alleen meer legitimiteit, het schetst eveneens de mogelijkheden en verwachtingen die men met het toekomstige project kan verbinden.

Dat geldt ook voor het boek De toekomst van het verleden, dat een web van ideeën weeft rond een nog op te richten nieuw historisch stadsmuseum in Antwerpen. Het Museum aan de Stroom (MAS) – zoals het nog ongeboren kind werd gedoopt – zal op de Hanzenstedenplaats tussen het Bonaparte- en het Willemdok in het noorden van Antwerpen worden gebouwd. Het moet plaats bieden voor de collecties van het huidige Volkskundemuseum, het Scheepvaartmuseum, het Vleeshuis en aanverwante stukken uit de ‘collectie Antwerpen’.

In de rand van deze opzet biedt De toekomst van het verleden een interessant geheel van teksten door binnen- en buitenlandse historici, museologen, stedenbouwkundigen, filosofen en sociologen. We zeggen wel ‘in de rand’, want het grootste deel van de bijdragen gaat niet concreet over het beoogde stadsmuseum. De drie delen – Geschiedenis en herinnering; Stad, stedelijkheid en stedenbouw; Geschiedenis en museum – bieden veeleer algemene inzichten over de verhouding tussen het geheugen, de geschiedenis, de stad en het (stads)museum.

Ondanks het feit dat de auteurs vanuit verschillende vakgebieden vertrekken, zijn ze het over heel wat dingen eens. Zo is het voor een aantal onder hen evident dat een museum noodgedwongen een selectieve geschiedenis aanbiedt. De Nederlandse historicus Willem Frijhoff rehabiliteert in dit verband de term lieu de mémoire, in zijn woorden één van de readymades van het historische begrippenapparaat. Deze ‘geheugenplaats’ kan zowel een object, een situatie, een verhaal, een locatie als een beeld zijn. Eigen aan die plek is dat ze kan bestaan, onafhankelijk van haar actualisering. Een lieu de mémoire is dus een soort archief van potentiële betekenissen. Pas wanneer een interactie tot stand komt tussen het artefact en de herinnering, begint de lieu de mémoire een leven te leiden, en in dit proces moet een museum volgens Frijhoff een richtinggevende rol spelen.

Vergelijkbare ideeën ontwikkelt de stedenbouwkundige Pieter Uyttenhove, maar dan met betrekking tot de stad. Hij stelt met name dat de ‘accumulatiestad’ een mythe is, waarmee hij bedoelt dat het onmogelijk is om de aanwas van feiten, objecten, gebouwen volledig bij te houden. Zoals het museum wordt ook de stad tot selectie gedwongen, een selectie die zowel door praktische als door politiek-ideologische overwegingen wordt bepaald.

Cultuursocioloog Rudi Laermans beschouwt selectie als een essentiële eigenschap van het geheugen. Het onderscheid tussen herinneren én vergeten definieert het geheugen, en om deze dynamiek te accentueren overweegt Laermans zelfs een nieuw werkwoord: ‘geheugenen’, als synoniem van bijhouden én kwijtraken, rappel én vergetelheid.

Geschiedschrijving is altijd een selectie uit het verleden. De kracht van een historisch museum ligt dus in het maken van interessante selecties en combinaties van historische artefacten, selecties die aansluiten bij actuele opvattingen en gebeurtenissen. Tegelijkertijd moet een museum tonen dát het selecteert. Een actueel historisch museum ensceneert met voldoende overtuiging, maar legt tegelijkertijd die ensceneringstechnieken bloot. Het toont op die manier dat het geheugen altijd selectief is. Een historische tentoonstelling zegt om die reden vaak meer over onze manier van denken dan over het verleden. Dat besef leidt in verschillende bijdragen tot de paradoxaal aandoende gedachte dat een historisch stadsmuseum juist met hedendaagse cultuur moet bezig zijn. Allochtone culturen en populaire cultuuruitingen moeten een plaats vinden in het museum. Kevin Moore, zelf conservator van het Football Museum in Preston, is van mening dat een historisch museum ook dingen van vandaag moet verzamelen. Als de materiële of niet-materiële uitingen van de huidige volks-, sub- en populaire culturen niet vandaag worden ‘gevangen’, dan dreigen ze voor altijd verloren te gaan.

Moores opvatting veronderstelt echter dat een historisch museum niet meer het geprivilegieerd professionele terrein van is historici. Ook andere ‘cultuurkenners’ zoals antropologen, sociologen en filosofen zullen in de toekomst de museumstaf mee bevolken. Enkel op die manier kan het historisch museum een band hebben met het actuele leven in de stad. Deze piste lijkt noodzakelijk indien het museum nog een belangrijke rol wil spelen in het uitzetten van identiteitscoördinaten voor haar publiek. Het moet op dit vlak immers zwaar concurreren met de dominante beeldcultuur.

De toekomst van het verleden bevat veel interessante ideeën – waarvan we er hier slechts enkele hebben aangehaald. Het boek schept hoge verwachtingen voor het nieuwe Antwerpse stadsmuseum. Hopelijk vinden de toekomstige curatoren van het Museum aan de Stroom nog af en toe de tijd om naar dit boek terug te grijpen.

 

• De toekomst van het verleden. Reflecties over geschiedenis, stedelijkheid en musea, samengesteld door Mandy Nauwelaerts, werd in 1999 uitgegeven door het Hessenhuis, Falconrui 53, 2000 Antwerpen (03/206.03.50). ISBN 90-805467-1-2