Bart Meuleman

DE WITTE RAAF

Editie 89 januari-februari 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De idee Maurice Gilliams

Twee tot drie keer per jaar verschijnt bij uitgeverij Pandora een Cahier, een publicatie over de relatie tussen beeldende kunsten en literatuur uit de periode 1850-1950. Het achtste Pandora-Cahier is gewijd aan de Antwerpse auteur Maurice Gilliams, en verscheen naar aanleiding van de tentoonstelling De idee Maurice Gilliams: een schrijver over schilders in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Die titel refereert aan zijn befaamd essay Inleiding tot de idee Henri De Braekeleer, dat hij schreef tussen 1936 en 1939. De poëticale relatie tussen Gilliams en zijn stadsgenoot De Braekeleer vormt dan ook de spil van de tentoonstelling. Overigens was Gilliams zelf een verdienstelijk amateurschilder, die zich in de jaren ’20 en ’30 liet beïnvloeden door alle modernistische stijlen die op dat moment de revue passeren.

Een kunstcriticus in klassieke zin kan men de schrijver van Elias en Winter te Antwerpen bezwaarlijk noemen. Gilliams, dat is je reinste subjectivisme, het volstrekte tegendeel van wetenschappelijke analyse. De auteur heeft het werk van De Braekeleer – vooral dan de Man voor het venster – eerder naar zich toegetrokken, het ‘aangevoeld’, en met de indrukken die het naliet zijn autobiografische poëtica onderbouwd. Centraal in die poëtica staat het kunstenaarschap dat zich ontwikkelt in een even noodzakelijke als gecultiveerde eenzaamheid, die tijd en ruimte schept voor een obsessief literair perfectionisme. Gilliams is voor alles de man van het haarjuiste woord die, in weerwil van het efemere, weke dat hem tot onderwerp was, ongemeen krachtige zinnen kon neerschrijven.

Vanzelfsprekend dat een Cahier gewijd aan Gilliams vertrekt vanuit het autobiografische. Annette Portegies geeft een korte levensschets van de auteur die moet uitmonden in een echte autobiografie. We krijgen alvast het beeld van een volbloed narcist, gekweld en vernederd, hautain en kinderachtig, die ondanks zijn onaangename trekken moeiteloos weet te intrigeren. Maar het Cahier is vooral interessant voor het gewaagde maar prikkelende en suggestieve stuk van Martien de Jong. Om te beginnen stelt De Jong een kleine stamboom op van Belgische kunstenaars die zich verlamd wisten door hun sexuele pudeur. Zowel Ensor als De Braekeleer hadden daar zo’n last van, dat het één van hun belangrijkste drijfveren werd, al sloeg het bij De Braekeleer volkomen naar binnen, in verstikkende huiskamertaferelen, terwijl het bij de Oostendse meester gestalte kreeg in een agressief vrouwbeeld – bijvoorbeeld in het doek De Rog (1892). Vooral dat is voor De Jong belangrijk: de keuze tussen gelatenheid en agressieve manifestatie. Tussen laat-romantiek en vroeg-modernisme in een Belgische, katholieke context.

Gilliams, die na een mislukt, ongeconsumeerd huwelijk zelf aan sexuele versterving deed, heeft aan Ensor nooit een apart stuk gewijd, maar hij leidt er zijn essay over De Braekeleer wel mee in. Volgens De Jong had Gilliams een enorme waardering voor Ensor, maar kon hij niet over hem schrijven omdat hij Ensor simpelweg niet naar zich ‘toe kon trekken’. “Bij alle lof en liefde voor de ‘langzame nawerking’ van De Braekeleers kunst, begint en eindigt hij zijn essay met een lofzang op de vernieuwende kracht van de fantasierijke durf in de kunst van James Ensor. Zo verging het Maurice Gilliams ook toen hij over zijn twee grote voorgangers in de Vlaamse Letterkunde schreef. Hij bekritiseerde de overladen smartcultus in de Eva-romantiek van Karel van de Woestijne en prees de vernieuwende ontdekkingsdrift in de moderniteit van Paul van Ostaijen. Maar zijn eigen werk vertoont meer verwantschap met de vermoeide verzen (en het vrouwbeeld) van Karel van de Woestijne dan met het experimentele elan van Paul van Ostaijen.” Met Gilliams verwelkt een der laatste takken van de romantiek.

 

• De idee Maurice Gilliams, een schrijver over schilders, werd uitgegeven door Pandora  en is te verkrijgen in het Koninklijk Museum voor Schone van Antwerpen, Leopold de Waelplaats, 2000 Antwerpen (03/238.78.09). De tentoonstelling loopt nog tot 21 januari 2001.