Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 89 januari-februari 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Rodney Graham

Het boek Rodney Graham - Cinema Music Video werd uitgegeven naar aanleiding van een tentoonstelling in de Kunsthalle Wien (1999) die zich concentreerde op de media film, video en muziek in Grahams werk van de afgelopen vijf jaar. Op de binnenkant van de flap zit een CD op een rubberen nopje: Grahams popalbum I’m a Noise Man, gevuld met veertien songs die volgens de kunstenaar ‘in de populaire stijl’ zijn geschreven. De archaïsche stijfheid van die formulering werkt komisch. In de 18de eeuw sprak men over liederen ‘in de populaire stijl’ wanneer men Lieder im Volkston bedoelde – die ‘volks’ klonken zonder het echt te zijn. ‘Populair’ verwees, algemener nog, naar alles wat makkelijk in het oor lag bij de liefhebbers, die na de dood van de oude Bach steeds meer de concertzalen bevolkten. Maar Graham is natuurlijk geen Telemann. Zijn songs flaneren met een komisch flegma door de popmuziek van de laatste twintig jaar. Ze mengen sixties-invloeden, new wave en bossa nova tot – met bedaarde ironie gebrachte – Amerikaanse lo-fi rock.

Eén van de drie essay’s in het boek, dat van Michael Glasmeier, is volledig gewijd aan een werk van Graham met échte 18de-eeuwse, populaire roots: The King’s Part. Langs een loopbrug liet Graham ons een geluidsdichte kubus betreden, waarin we het kale geklepper van een moderne dwarsfluit konden horen. Adellijk geklepper welteverstaan, want het was afkomstig van het derde fluitconcerto van de vorst, amateur-fluitist en componist Frederik II van Pruisen. Alleen had Graham de muziek van de orkestbegeleiding én van de aangeblazen klank ontdaan. Het schrale klankskelet dat overbleef, leerde volgens Glasmeier meer over de vorstelijke dilettant Frederik de Grote dan een onbehandeld concerto. Immers, “alles wat hij deed verliep volgens de wetten van de mechanica. Zijn muziek klapperde, zijn verzen klapperden, als ook zijn staatshuishouding en zijn krijgskunst.”

Graham ontvleest het vorstelijke imago tot een rammelend mechaniekje – niet voor niets leefde Frederik in de tijd van de eerste muziekautomaten. Volgens Alexander Alberro doet de kunstenaar iets gelijkaardig in de werken met film en video. In zijn eerste 35-mm film, Two Generators  (1984), horen we aanvankelijk enkel het geluid van een ruisende rivier. Plots springen aan de oever van die rivier twee lampen aan, waardoor het stromende water zichtbaar wordt; maar de dieselgeneratoren die de lampen voeden, maken zoveel lawaai dat ze het geruis van de rivier overstemmen. Cinema is een illusiemachine, Graham kon niet didactischer en duidelijker zijn.

Alberro interpreteert ook recenter werk als deconstructie van het medium. Beelden van passiviteit en verdoving gaan hand in hand met een monotone of repetitieve structuur. De kleurenfilm Vexation Island (1997) toont een man in 17de-eeuwse kledij, die bewusteloos op een strand ligt. De man ontwaakt, loopt naar een palmboom, schudt aan de stam en krijgt een kokosnoot op zijn hoofd, waardoor hij in zijn bewusteloze toestand terugkeert. In de film treedt ook een papegaai op die “wakker worden” krijst, volgens Alberro een oproep om de cirkel van de verdoving (teweeggebracht door het medium) te doorbreken. Maar de film, die een ‘lus’ beschrijft, want begint en eindigt met een bewusteloze held, suggereert eerder een permanente beneveling. Dat geldt evenzeer voor Coruscating Cinnamon Granules, dat de lichtgensters toont die opspringen wanneer kaneel in contact komt met de gloeispiraal van een elektrisch fornuis. Het werk gaat over ‘het zien van sterren’ – in de dubbele betekenis – en verbeeldt dus volgens Alberro, net zoals Two Generators, de benevelende werking van cinema. Dat klopt ook wel, maar toch zou je kunnen nuanceren. In het oudere Two Generators is Graham veel meer de demystificator die toont hoe de kijkmachine werkt. Het ‘culinaire vuurwerkje’ daarentegen suggereert een blik die zelf in de greep is van die verdovende fascinatie.

Het derde en laatste essay (van Shep Steiner) heeft een lossere band met Grahams werk, en gaat over de fascinerende vraag waarom Freud argwaan koesterde jegens de muziek. Freud, het meest bereidwillige oor van Wenen, had volgens Steiner de neiging om alles wat hij hoorde in ‘figuren’ vast te zetten, of om ‘van het oor een oog te maken’. Steiner gaat er vanuit dat in muziek iets van het onbewuste verschijnt dat niet onmiddellijk in ‘figuren’ vast te zetten is, en dat daarom door Freud wel moest worden afgewezen. Dat ‘iets’ heeft alleszins iets met ‘ritme’ te maken. Jammer dat de auteur zijn betoog niet helder en strak doortrekt. De tekst is eerder een speels en vaag, frivool-nonchalant probeersel. De vraag is nochtans prikkelend. Graham heeft niet voor niets zowel Oeuvres Freudiennes als Oeuvres Wagneriennes achter zijn naam staan.

 

• Rodney Graham. Cinema Music Video bevat de CD I’m a Noise Man en essays van Alexander Alberro, Michael Glasmeier en Shep Steiner (Engels/Duits). Het boek werd in 1999 uitgegeven door Kunsthalle Wien en Yves Gevaert uitgever, Vinkstraat 160, 1170 Brussel (02/660.23.72). ISBN 3-85247-021-8 (Kunsthalle Wien) en 2-930128-10-0 (Yves Gevaert)