Paul Groot

DE WITTE RAAF

Editie 45 september-oktober 1993

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Het sublieme gemis

I

Aan “Het sublieme gemis” ligt een legitiem uitgangspunt ten grondslag: eeuwenoude mythen en allegorieën als inspiratie voor een enscenering die aan “de heldere architectuur van het Museum voor Schone Kunsten een zeldzame intensiteit moet ontlenen”. Maar door de fatale aantrekkingskracht die deze mythen en allegorieën op de deconstructivisten hebben uitgeoefend kan je ze niet zomaar een, twee, drie - en het lijkt naar eigen goeddunken - inzetten. Hoe kan je de wereld van Apollo en de muze opnieuw aankleden nadat ze door de voorgaande generaties zo zijn uitgekleed? Dan moet je wel van goeden huize komen. Heeft Bart Cassiman eigenlijk wel begrepen welke doos van Pandora hij heeft opengetrokken? Of kan een toevallige toespeling in een enkel werk van deze of gene kunstenaar het uitgangspunt recht doen? Kunnen we ons tevreden stellen met de klassiek romantische installatie van Kounellis - een gesprek met Baudelaire via de resten van de boot “albatros”?

Wat hem dan wel zo aantrekt in die betrekkingen tussen het heden en de klassieke mythen en allegorieën blijft een raadsel. Nu goed, in de catalogus vallen een reeks namen van filosofen en literatoren, maar een eigen interpretatie van, en visie op de klassieke mythen en allegorieën is in het museum niet terug te vinden. De imaginaire ontmoetingen tussen de deelnemers van de tentoonstelling en de auteurs die in de catalogus aan bod komen, zijn bovendien problematisch. In de catalogus zijn we dan wel in gesprek met Baudelaire en Canetti, met God en de duivel, in de tentoonstelling zijn we op een conversatie aangewezen tussen Irene Fortuyn en Didier Vermeiren over de diepzinnige betekenis van de sokkel. Zodat je uiteindelijk het gevoel krijgt dat hier niet de (romantische) verbeelding ondervraagd wordt maar een gebrek aan verbeeldingskracht blootgelegd wordt. De laatste resten van de jaren ’80 die gevild, gefileerd en in hapklare brokken uitgestald eerder ons medelijden uitlokken dan onze verbeelding uitdagen.

 

II

Wie zich op zo’n massale schaal presenteert - de gehele benedenverdieping van het Museum voor Schone Kunsten werd voor het project vrijgemaakt - laat zich wel heel makkelijk in de kaarten kijken. De uiteindelijke conclusie is er niet minder om: het ontbreekt Cassiman aan enig verbeeldingsvermogen. Deze tentoonstelling demonstreert een tot in het oneindige herhaalde dorheid. In een andere context zou veel van het hier getoonde best nog tot leven gebracht kunnen worden maar de in het museum geschapen sfeer ademt een tot in het uiterste doorgevoerde saaiheid. Een tot in het extreme doorleefde angst voor iedere vorm van uitbundigheid, een neurotisch aandoend respect voor een opgeschroefde, museale standaard.

Terwijl de meeste werken impliciet aan het theater refereren en de enscenering bovendien - paradoxaal genoeg - deze theatraliteit thematiseert, is overal de angst voor aanstellerigheid voelbaar. Je hebt het gevoel op een beurs voor toneelmeesters beland te zijn waar de maquettes en enkele onderdelen van een paar seizoenen geleden om onduidelijke redenen nog eens getoond worden. Eindelijk gerechtigheid voor de droogstoppels! Overal maquettes, aanzetten tot maquettes, als bij toeval geplaatste toneelrekwisieten, die kennelijk moeten volstaan om het theatrale gebeuren weer in herinnering te brengen. Afgietsels van afgietsels die het Grote Vergeten moeten begeleiden. Alsof je je een toneelvoorstelling moet herinneren die uiteindelijk nooit is opgevoerd.

 

III

Hoe leeg het sublieme kan zijn bij het ontbreken van een actief geheugen, zelfs als het als een gemis eraan ervaren wordt, is misschien de grootste ontgoocheling van de tentoonstelling. In “Het sublieme gemis” lijkt het geheugen gereduceerd te worden tot de zoveelste herinnering aan Piranesi - ook als je van zijn verontrustende werk weliswaar prachtige tafels maakt (Thomas Schütte) - of een herinnering aan de albatros van Baudelaire in de vorm van een uiteengehaald scheepswrak (Jannis Kounellis).

En wat wordt er niet gemist? Behalve de overtuigende vrouwenval van Niek Kemps, een toespeling op de overvolle doeken van Bouguereau, biedt deze tentoonstelling nauwelijks een erotische uitdaging. Niets van de scheppende kracht en het geweld waartoe de erotiek kan aansporen. Erger nog, iedere niet strikt academische verbeelding is gecensureerd. Natuurlijk is de kwaliteit van de afzonderlijke bijdragen soms best de moeite waard. Maar als een gemeenschappelijk werk dat pretendeert de onzeggelijk mooie titel “Het sublieme gemis, over het geheugen van de verbeelding” waar te maken, faalt deze tentoonstelling. 

Intellectuele bespiegelingen en reflecties van een bewust verwerkt cultureel erfgoed ontbreken eigenlijk, op een uitzondering na. Waar is het geheugen als de actieve partner die je bij de neus neemt, of verder helpt, of als een dramatische, creatieve kracht kan werken? Waar ligt de artistieke visie die aan dit geheel ten grondslag heeft gelegen, verborgen? Een vraag die zich opdringt bij de mededeling aan het einde - in dit geval ook het begin van het tentoonstellingsparcours - dat buiten de wil van de directie alle zitmeubelen uit de zalen werden verwijderd om de esthetiek niet te schaden. “Klachten zijn nutteloos.” Het is de perfecte kritiek op “Het sublieme gemis”, in de zin dat het de hooghartigheid van het gehanteerde model zo onbarmhartig blootlegt. Deze kunst is onbenaderbaar geworden, heeft iedere dialoog dan die met zichzelf uitgeschakeld. En dan niet omdat het een bewustzijn van het eigen kunnen als fundament heeft maar vanwege een voortdurend gevoelde onzekerheid. Het allermooiste natuurlijk ontmaskerd in de “installatie” van John Murphy. Vier monochrome doeken met telkens een contour van een oor, aangevuld met vier opengeslagen lege partituren in een zware vitrine. Als parodie op de hele tentoonstelling, maar vooral als een parodie op zichzelf, is het zelfs nog te grof besnaard. Het is de nikserigheid van een afgesloten decennium, de onbenulligheid van een zoveelste derivaat van het achtergebleven neefje van de conceptuele kunst. Zo kan iemands geest er soms uit zien. Niet leeg van de volheid, de paradox die je in verband met de idee van het sublieme zou kunnen betrekken, maar gewoon leeg omdat er nooit iets in is opgenomen.

Het geheugen kan dus kennelijk ook als excuus functioneren. Niet als een bewaarplaats van doorleefde tijden en aangeleerde functies, maar als een lekkende gieter waar zo nu en dan toch een druppeltje aan de wand blijft kleven. Kortom het geheugen zoals we dat in het dagelijks spraakgebruik hanteren. Daar geldt het geheugen bijna als een excuus, het rechtvaardigt het gemis aan parate kennis die ons nu eenmaal onsnapt. Tegenover dit manke geheugen staat natuurlijk de droom van het fotografisch geheugen dat de werkelijheid in een zakelijke data-base vastlegt. Tussen deze beide extremen vinden we het gebied dat door Francis Yates in haar curieuze “Art of Memory” is geïnventariseerd. Dit historisch overzicht van systemen om de bruikbaarheid van het geheugen te vergroten, heeft in de jaren ’80 in de kunst tot nu toe te weinig invloed gehad. Yates behandelt de ezelsbruggetjes en de allegorisch mythische sfeer waarmee in het verleden intellectuelen en kunstenaars zich van het geheugen bediend hebben. Wat ze overtuigend aantoont, is dat de herinnering wel degelijk actief en revolutionair kan zijn. Niet beperkt blijft tot de leegte zoals Murphy die kennelijk in zijn hoofd ervaart.

 

IV

Het tonen van afgietsels in het hongerjaar van Sarajevo is wel een heel mager idee. Gelukkig was een enkele deelnemer zich er ook van bewust. De wereld heeft de kunst weer nodig, de kunst de wereld. Maar dat gaat niet volgens de gebaande paden. Scenario‘s voor die terugkeer worden niet voorgeschreven. In Antwerpen bleken er enkele verborgen te liggen, die “Het sublieme gemis” tenslotte van de ondergang wisten te redden. In die op de vingers van twee handen te tellen schilderijtjes van Tuymans ontdekte ik er een aantal. Want mocht ik ook aanvankelijk wat verweesd in Tuymans’ zaaltje hebben gestaan, toen mijn oog op die schilderijtjes viel, begreep ik plotseling waar het allemaal ook al weer over ging. Eerst was er “De Arena” bijvoorbeeld, een uit enkele lagen opgebouwd “mixed media” werkje. Vervolgens stuitte ik op enkele loszwevende, zwarte onderdelen boven een wat waterig geschilderde achtergrond van een lege ruimte… Je staat er een paar minuten naar te staren, je herkent een teken, je ziet meteen dat hier iets verteld wordt dat een echte betekenis heeft. Wat voor ruimte is dat met die langs elkaar schuivende lagen? Wat is het anders dan een schets van een gaskamer, een lege ruimte, een afvoerraster, een gesloten deur, donkere schaduwen en wat onduidelijke zaken aan het plafond. Auschwitz? We weten wat het betekent. En hier fungeerde het als een embleem. (Zelfs artistiek. René Daniëls gelezen na Tuymans wint weer heftig aan betekenis. Hier ligt een blauwdruk voor de strikjesschilderijen van Daniëls. De door een herseninfarct uitgeschakelde René Daniëls heeft een oeuvre bij elkaar geschilderd dat er mag zijn. De manier echter waarop met dit werk wordt omgesprongen als een soort icoon van een bepaald genre hedendaagse kunst is weinig geruststellend. Zo ga je niet om met het werk van een levend kunstenaar. Ook al in Kassel moest Daniëls met zijn kennelijk afgesloten oeuvre als een soort gebalsemd en mooi afgemaakt geheel figureren. Er is duidelijk iets niet in orde. Dat betreft niet de schilder, maar de curatoriale bemoeizucht.) Een schilderij dat de geïsoleerde esthetiek openbreekt en de kunst weer op uiteenlopende en elkaar tegensprekende niveaus laat spreken. Een schilderij als een politiek, maar ook als een psychologisch statement. Je vindt er de blik van de beul én van het slachtoffer in terug. Enerzijds een helderheid die een efficiënte, moordende blik suggereert - ‘s morgens voordat het werk weer begint, de hygiëne in het slachthuis. Maar ook de gebroken blik van het slachtoffer, net voor hij het bewustzijn verliest. De wereld die uit elkaar schuift en zijn vaste contouren verliest. Door een artistieke ingreep wordt een beeld dat in het collectief geheugen verankerd zit tot een persoonlijke ervaring gesublimeerd.

 

“Het sublieme gemis - over het geheugen van de verbeelding” omvat werken van Jean-Marc Bustamante, René Daniëls, Thierry De Cordier, Lili Dujourie, Luciano Fabro, Fortuyn/O’Brien, Cristina Iglesias, Niek Kemps, Harald Klingelhöller, Jannis Kounellis, Juan Muñoz, John Murphy, Michelangelo Pistoletto, Gerhard Richter, Thomas Schütte, Ettore Spalletti, Mitja Tusek, Luc Tuymans, Jan Vercruysse, Didier Vermeiren, Jeff Wall, James Welling, Franz West en Rachel Whiteread. De tentoonstelling loopt nog tot 10 oktober in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Leopold de Waelplaats, 2000 Antwerpen. Meer informatie op het volgende nummer: 03/226.93.00.