Fredie Floré

DE WITTE RAAF

Editie 92 juli-augustus 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

J.J.P. Oud & Philip Johnson

De tentoonstelling, die in het NAi plaatsvindt en kadert binnen Rotterdam 2001, geeft in de eerste plaats een erg uitgebreid beeld van het werk van de Nederlandse modernistische architect J.J.P. Oud (1890-1963). Terwijl Oud vooral bekend is van de Rotterdamse wijken (Kiefhoek, Spangen, Tusschendijken, Hoek van Holland) of van de woningen op de Weissenhofsiedlung in Stuttgart, is nu ook werk te zien dat minder besproken wordt, waaronder het ontwerp voor de Rotterdamse Beurs en woonhuizen in Tsjechië. De projecten worden grondig toegelicht aan de hand van maquettes, foto’s en originele tekeningen.

Zoals blijkt uit de titel, J.J.P. Oud - Philip Johnson, een dialoog, wil deze tentoonstelling echter meer zijn dan een Oud-retrospectieve. Het werk van de Nederlander ‘dialogeert’ er met dat van een andere grote modernist, de Amerikaanse architect, curator en criticus Philip Johnson (°1906). Dat de zestien jaar jongere Johnson een vriend en bewonderaar was van Oud, wordt alvast in de verf gezet met een grote sculptuur die de 95-jarige Amerikaan ter gelegenheid van de tentoonstelling in het NAi heeft ontworpen. Welcoming Arms heet ze. In het midden van de expositieruimte brengen twee indrukwekkende gebogen wanden, die in elkaar grijpen en in de richting van het plafond slingeren, hulde aan de Nederlandse modernist. Op de sculpturale constructie is een tekst aangebracht die vooral de verwantschap tussen beide modernisten belicht. Binnenin de welcoming arms zien we een video waarin Johnson het werk van Oud becommentarieert. Vlakbij hangen grote portretfoto’s van de beide heren, en daartussen wordt een selectie uit hun briefwisseling op de muur geprojecteerd.

De welcoming arms, de briefwisseling en de videoreportage vormen het centrum van de tentoonstelling en het bewijsmateriaal voor de beloofde ‘dialoog’. Daarrond – op het gelijkvloers en de eerste verdieping – kunnen we het oeuvre van Oud volgen aan de hand van vijf thema’s: ‘New Vernacular’ (1906-1916), ‘De Stijl’ (1917-1922), ‘De Rotterdamse Woningdienst’ (1918-1933), ‘Crisis in het modernisme’ (1933-1945) en ‘Ouds reactie op de International Style’ (1945-1963). Hoewel de thema’s keurig overeenkomen met periodes in Ouds werk, volgt de tentoonstelling deze indeling niet strikt. Ze start op het gelijkvloers met het derde thema omdat de verwantschap tussen Oud en Johnson daar het grootst is. Nog op het gelijkvloers vormen een reeks meubelen naar ontwerpen van Oud een apart hoofdstukje. De overige vier thema’s vinden we terug op de eerste verdieping.

Zoals de welcoming arms al suggereren, definieert het NAi de relatie tussen Oud en Johnson vooral in termen van verwantschap. Men kan zich echter afvragen of de architectuurhistorische betekenis van zo’n confrontatie niet eerder in de conflictmomenten zit. De dialoog tussen beide bouwmeesters wordt vooral interessant als je ze leest tegen de achtergrond van een breder fenomeen: de overgang van een Europese naar een internationaal georiënteerde moderniteit. In dat licht vertegenwoordigen Oud en Johnson eerder tegengestelde posities. Ed Taverne, één van de samenstellers van de tentoonstelling, gaf in zijn openingsspeech al aan dat Philip Johnson heel soepel wist om te springen met de artistieke en intellectuele complicaties van de internationalisering van de moderne architectuur. Als curator van de tentoonstelling Modern Architecture-International Exhibition (1932) in het MoMA – waar ook Ouds werk prominent aanwezig was – heeft Johnson een belangrijke bijdrage geleverd aan de canonisering van het modernisme tot een soort ‘internationale stijl’. J.J.P. Oud van zijn kant, heeft altijd met dat grootwereldse ‘stijlmodernisme’ geworsteld. Na zijn strak modernistische ontwerpperiode uit de jaren twintig experimenteerde hij verder met een architecturale vormentaal die soms ver afstond van deze ‘International Style’. Dat werd hem niet altijd in dank afgenomen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de manier waarop zijn Shell-gebouw in ‘s Gravenhage (1937-1942) na de Tweede Wereldoorlog door de Amerikaanse vakpers werd onthaald. De meeste architectuurcritici, inclusief Johnson, konden weinig of geen begrip opbrengen voor deze naar Amerikaanse normen nogal ‘ouderwetse’ architectuur, die gebaseerd was op klassieke compositorische elementen. Het ging zelfs zo ver dat de naam van Oud uit de architectuurtijdschriften werd geschrapt en men zijn artikelen in Engeland en Amerika weigerde.

Hoewel juist deze conflictmomenten een dialoog tussen Johnson en Oud betekenis kunnen geven, komen ze in de tentoonstelling slechts tussen de regels aan bod. Enkel de openingsspeech van Ed Taverne, die ook in de persmap stak, suggereert zo’n perspectief; verder blijven Johnson en Oud in het NAi de beste vrienden.

Naar aanleiding van deze tentoonstelling verscheen ook een nieuwe publicatie over het werk van Oud: J.J.P. Oud, Poëtisch functionalist. 1890-1963 Compleet werk door Ed Taverne, Cor Wagenaar en Martien de Vletter. Deze lijvige oeuvre-catalogus vormt, samen met de expositie, de publieke verantwoording van een onderzoeksproject van de Afdeling Kunst- en Architectuurgeschiedenis van de Rijksuniversiteit Groningen. De verhouding Johnson-Oud staat in het boek niet langer centraal. In de eerste plaats wordt het oeuvre van Oud hier, door middel van heldere essays, in kaart gebracht en historisch gesitueerd.

 

• J.J.P. Oud - Philip Johnson, een dialoog loopt nog tot 9 september in het NAi, Museumpark 25, 3015 CB Rotterdam (010/440.12.00).

• Ed Taverne, Cor Wagenaar en Martien de Vletter (red.), J.J.P. Oud, Poëtisch functionalist. 1890-1963 Compleet werk, werd in 2001 uitgegeven door NAi Uitgevers, Mauritsweg 23, 3012 JR Rotterdam (010/201.01.33). ISBN 90-5662-198-X.