Petra Brouwer

DE WITTE RAAF

Editie 92 juli-augustus 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Horta and After. 25 Masters of Modern Architecture in Belgium

In 1999 werd de Vakgroep Architectuur & Stedenbouw van de Universiteit in Gent uitgenodigd een overzichtstentoonstelling samen te stellen voor de vierde Internationale Architectuurbiënnale in Sao Paulo. De tentoonstelling was daarop te zien in Praag, en is nu tot 2 september te bezichtigen in Mechelen. Later reist ze nog naar Japan. Zowel aan binnen- als aan buitenland wordt voor het eerst een overzicht getoond van een volledige eeuw moderne bouwkunst in België. De oppervlakte die de tentoonstellingsmakers in Mechelen ter beschikking stond, was niet al te groot: het is een compact en helder vormgegeven overzicht geworden dat bestaat uit een selectie werken van 25 Belgische architecten, en dat begint bij het Maison du Peuple (1895) van Victor Horta. Lopend in een middelhoog lineair labyrint, waar foto’s van de gebouwen onder glasplaten liggen, volgt de bezoeker de chronologie van de twintigste eeuw die loopt tot aan het ontwerp voor het Concertgebouw in Brugge (1998-99) van Neutelings Riedijk Architecten. Als finale eindnoot is in het hart van het labyrint een schaalmodel geplaatst van het Brusselse Atomium. Het is niet duidelijk of de middelpuntzoekende beweging die de twintigste eeuw zo heeft aangenomen, een bewuste keuze van de ontwerpers is geweest. Het tentoonstellingsconcept zet in ieder geval aan tot speculeren. De twintigste eeuw loopt letterlijk dood op het Atomium, icoon van de Belgische identiteit. Is dit bedoeld als een ironisch, alles relativerend gebaar? Wie het nog somberder wil, kan in de in zichzelf vastdraaiende eeuw zelfs de implosie van de Belgische architectuur ontwaren, de zinloosheid van een poging om de hedendaagse Belgische architectuur een traditie te geven of te definiëren vanuit een welbepaald idioom.

Aangezien de tentoonstelling zich louter tot afbeeldingen en maquettes beperkt, en geen verklarende tekst bevat, blijft het gissen welk doel de samenstellers voor ogen hadden. In de begeleidende catalogus spreekt men zich wel uit. Een postmodern ongemak met het ‘grote verhaal’ blijkt uit de korte toelichting van curator Mil De Kooning. Het samenstellen van een heldengalerij van de moderne architectuur noemt hij een ‘hopeloze en volledig achterhaalde’ onderneming: de selectie van 25 oeuvres is dan ook geen volledig overzicht, en wil ook geen lexicon zijn, noch een panoramisch totaalbeeld of een ideeëngeschiedenis. Het betreft een groep van 25 eigenzinnige individuen die zich hebben onderscheiden door hun specifieke interpretatie van wat gewoonlijk ‘moderne architectuur’ genoemd wordt, aldus De Kooning. Maar wat dan die ‘moderne architectuur’ inhoudt, laat hij na te definiëren. Een ander selectiecriterium is dat het werk, los van de ontwerper en de historische context, nog steeds moet intrigeren en fascineren. Ook dit klinkt vaag, maar voor een buitenstaander als ik, die nauwelijks op de hoogte is van de (geschiedenis van de) Belgische architectuur, was de selectie wonderwel overtuigend: de meeste ontwerpen zijn ware verkenningen van de mogelijkheden van plasticiteit en ruimte, tot in de kleinste details doordacht.

De keuze voor persoonlijkheden heeft allicht ook geleid tot het grote aantal eigen huizen van architecten die hier te zien zijn, onder meer van Victor Horta, Henry van de Velde, Louis-Herman De Koninck, Gaston Eysselinck, Julien Schillemans, Lucien Engels, Charles Vandenhove, Marc Dessauvage, bOb Van Reeth. Verder zien we villa’s gebouwd voor bekenden van de architect of rijke opdrachtgevers (het Jespers Huis van Victor Bourgeois, Haegens Huis van Huib Hoste, Dirickx Huis van Marcel Leborgne, Villa M. van Stéphane Beel en een huis in Brasschaat van Xavier De Geyter), representatieve publieke gebouwen (Universiteitsbibliotheek Gent van Henry van de Velde, het postkantoor van Oostende van Gaston Eysselinck, het Joseph Lemaire sanatorium en nationaal vliegveld Zaventem van Brunfaut, de Aue Paviljoens van Paul Robbrecht en Hilde Daem, het Roger Raveel museum van Stéphane Beel en het postkantoor van Zichem van Neutelings Riedijk Architecten), sociale woningbouw uit de periode dat men nog geloofde dat het moderne samenleven met ontwerpen gestuurd kon worden (Plaine de Droixhe bij Luik van Groupe Egau, Ieder Zijn Huis in Evere van Willy Van Der Meeren) en utopische steden (World City van Julien Schillemans, Linear City van Renaat Braem).

Doordat de selectie zich beperkt tot een aantal typologieën, ontstaan er interessante dwarsverbanden. Zo roept de strakke geometrie van de langgerokken Villa M. in Zedelgem (1987-92) van Stéphane Beel als vanzelf de vergelijking op met Lucien Engels’ ontwerp voor zijn eigen woning uit 1958 (Elewijt). De beide maken even compromisloos en trefzeker gebruik van het landschap. De confrontatie tussen het stedenbouwkundig ontwerp van Victor Bourgeois La Cité Moderne voor Sint-Agatha-Berchem (1922-1923) en dat van Groupe Egau voor Plaine de Droixhe in Luik (1951-70) laat eenzelfde preoccupatie zien met een juiste oriëntatie van de woningen, en met de plaatsing van sociale en openbare voorzieningen in het hart van het plan, maar de schaal van de stedelijke uitbreidingen is in enkele decennia onvoorstelbaar veel groter geworden. Als aanvulling op de fototentoonstelling is er een muur gereserveerd voor een aantal ontwerp- en presentatietekeningen en een tiental maquettes, die de verschillende handschriften van de architecten in een oogopslag laten zien.

Er is reden genoeg om na bestudering van zoveel kwaliteit de tentoonstelling met optimistisch gemoed te verlaten. Toch knaagt er iets: namelijk de vraag wat men met dit overzicht wil zeggen, welke uitspraak er wordt gedaan over de Belgische architectuur in de twintigste eeuw. Als we de redenering van De Kooning volgen, dan ligt de nadruk niet zozeer op een historisch tijdsbeeld, maar op persoonlijkheden. In de catalogus is niet geprobeerd de 25 monografieën op systematische wijze te beschrijven. De bijdragen hebben de ene keer aandacht voor opdrachtgevers, dan weer voor opleiding en leermeesters, en beperken zich een volgende keer tot een reeks ontwerpbeschrijvingen, of ontwerptheorieën. Door deze aanpak blijft het begrip ‘moderniteit’ ongedefinieerd, laat staan dat men problematiseert wat een architect tot een modern architect maakt.

La nouvelle maison van Henry van de Velde wordt in het inleidende essay van Geert Bekaert beschreven als een “kalm, onopvallend, gesloten bakstenen volume met afgeronde hoeken” dat de trend zette voor de gedomesticeerde architectuur van de jaren dertig. Veel uitgesprokener modernistisch noemt Bekaert de witte villa’s van Huib Hoste en Louis-Herman De Koninck, om direct daarna te beweren dat de echte moderne architecten niet zozeer uit waren op uiterlijke stilistische kenmerken, maar dat ze zochten naar de ruimtelijke organisatie van de plattegrond, en zich afvroegen hoe die uitgedrukt kon worden in het bouwvolume en de gevel. Hoe dit proces van ruimtelijke organisatie en expressie in de loop van de eeuw dan gestalte kreeg, laat Bekaert na te beschrijven. Moeilijk met elkaar te rijmen vallen ook de verschillende periodes van ‘moderniteit’ die Bekaert onderscheidt. De jaren zestig zouden worden gekenmerkt door het besef dat de architect niet langer de dominante leidsman is in het ontwerpproces. De rol van hervormer en herder die Le Corbusier hen had toegedicht, bleek steeds meer gereduceerd te worden tot die van een specialist onder de specialisten in het bouwproces. Eerder noemt Bekaert deze bescheiden opstelling van de architect nu juist typisch Belgisch: in België werden en worden de modes van de internationale avant-garde altijd getemperd door het bewustzijn dat architectuur in een collectieve behoefte voorziet, en geen autonome discipline is. Zelfs de architectuur van Huib Hoste en Antoine Pompe beschrijft Bekaert als expressie van een cultuur die humanisering vooropstelde, en zich gebonden wist aan de sociale condities en tradities.

Een meer consistente analyse van het begrip moderniteit, en dan met name van de verschillende interpretaties van de architecten daarvan, was de catalogus ten goede gekomen. Horta and after biedt nu niet zozeer een overzicht van de moderne architectuur, als wel een selectie van een aantal inspirerende, uitdagende en alles behalve doorsnee gebouwen. Wellicht zijn de architectuurkritiek en -geschiedenis vastgelopen op het labyrintisch eindpunt van de twintigste eeuw. De oplossing is eenvoudig: men draaie zich om, en lope via Horta de eeuw weer uit. De twintigste eeuw kan nog vele malen herschreven worden.

 

• Horta and after. 25 Masters of Modern Architecture in Belgium loopt nog tot 2 september 2001 in De Garage, ruimte voor actuele kunst, Onder den toren, Mechelen (015/29.40.14). De catalogus werd uitgegeven in 1999 als nummer 39-49 in de serie Vlees en Beton: Mil de Kooning (red.), Horta and after. 25 Masters of Modern Architecture in Belgium, met een inleidend essay van Geert Bekaert, Departement voor Architectuur en Stedenbouw Universiteit van Gent.