Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 92 juli-augustus 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Suchan Kinoshita

Verleden jaar had Suchan Kinoshita voor het eerst een tentoonstelling in Japan, met name in de galerie van de cosmeticafirma Shiseido. Kinoshita is van Japans-Duitse afkomst, maar verblijft sinds lang in het westen, voor de Japanse organisatoren voldoende om haar te programmeren binnen de tentoonstellingsreeks ‘Shiseido Gallery introducing Japanese artists living abroad’.

Het grootschalige werk dat Kinoshita voor de Shiseido Gallery realiseerde, werd inmiddels aangekocht door het Bonnefantenmuseum te Maastricht. Kunstenaar en museum werken in de loop van de zomervakantie aan de presentatie, waardoor het vanaf augustus binnen de vaste collectie-opstelling moet te zien zijn.

Wie, zoals wij, de tentoonstelling in Japan niet gezien heeft, kan zich alvast behelpen met de foto’s van de originele presentatie in de begeleidende catalogus van de Shiseido Gallery. Op een groot overzichtsbeeld zien we een regelmatig, rechthoekig bouwsel op een klein verhoog dat, perfect op maat, in de galerijruimte geschoven zit. De constructie blijkt volledig opgebouwd uit schuifwanden van Japans papier. Elk verschuifbaar wanddeel is met dunne houten stijlen in vierentwintig rechthoeken verdeeld, en de Japanse papiervellen hangen los in het rechthoekige raamwerk. Een ventilator laat ze naar binnen waaien, en zorgt zo voor de nodige ‘oosterse tocht’.

Rondom het bouwsel staan schoenen die (Japanse) bezoekers er blijkbaar hebben achtergelaten, en er wachten groene pantoffeltjes waarop latere gasten het interieur kunnen binnenschuifelen. Binnenin wordt de constructie door dezelfde halftransparante, Japanse schuifwanden verdeeld. Alle wanden zijn verschuifbaar, zodat je naar believen doorkijkjes kunt creëren, ruimtes kunt openen en sluiten, kamers kunt vergrendelen of vergroten. Het semi-transparante van de Japanse papierschermen maakt de doorluchtige verwarring van dit afgemeten bouwsel nog groter. Het ontdekken van nieuwe perspectieven, nieuwe mensen, nieuwe ruimtes, gaat onmiddellijk gepaard met zelf ontdekt en bekeken worden. Kijker en kijkobject kantelen onophoudelijk in elkaar in deze ‘woonmodule’, waardoor je er vermoedelijk op de tippen van de tenen leeft.

Op één foto in de publicatie zien we mensen rond de tafel zitten. In sommige ruimtes staan ook objecten, en er lijken zich zelfs ‘tentoonstellingsachtige situaties’ voor te doen. Zo is op een bepaalde plek de houten vloer opgebroken. In de uitsparing zijn ingekaderde schilderijtjes, prenten en foto’s geschikt; er liggen ook steentjes, stroken kunstgras, en er staat een zandloper en een constructie die bestaat uit een gele kleibol, waar stokjes in geprikt zijn met pluishaar erover. Dit ding oogt minder huiselijk en meer kunstwerk-achtig. De opstelling houdt het midden tussen het ‘opslaan’ en het ‘tentoonstellen’ van dingen. De ingekaderde beelden vragen wel om aandacht, dankzij de bureaulamp die ze zo nadrukkelijk beschijnt, maar ze zitten zo achter elkaar geklemd dat we ze eruit moeten nemen om ze te zien.

Elders staat een cactus met tussen de naalden strookjes papier waarop nummers staan. Een cactus hoort thuis in een huiselijke omgeving, maar dit exemplaar eist door de genummerde papiertjes toch ook een ‘lectuur’ op. De bureaulamp van zijn kant brengt dingen onder de aandacht, stelt iets tentoon, maar is toch ook huiselijker dan professionele museumverlichting. Moeten we hier leven of moeten we kijken? Wat is de juiste afstand? Alles houdt zich op in een onbeslisbaarheid die misschien nog het meest aan botanische tuinen doet denken: je wandelt er gewoon rond, maar zodra je naamkaartjes ziet, begin je te kijken, en plots is die omgeving niet meer zomaar een omgeving, een vanzelfsprekende ambiance, maar een toonplaats waar we tegenover de dingen staan.

Het tentoongestelde lijkt bewoonbaar, en het bewoonbare wordt tentoongesteld. Als je op de foto’s in de publicatie mensen ziet, lijkt het alsof ze het ‘kijken naar dingen’ spelen. Alsof ze het ‘converseren rond de tafel’ in scène zetten, of het water geven aan planten opvoeren (in werkelijkheid gieten ze zout op een rol die uitgeeft op de galerijruimte rond het Japans papierbouwsel, waardoor het zout op de grond terecht komt). Zijn dit gewoon bezoekers, of heeft Kinoshita ze geëngageerd als acteurs? Wonen ze, of treden ze op in een schimmenspel van het wonen? Kinoshita lijkt een choreografie van het wonen te ontwerpen, ze brengt het ‘wonen’ in beeld zoals de zandloper – die Kinoshita zo vaak gebruikt – de tijd in beeld brengt: als een gesloten circuit, een zelfstandig ding dat zich (daardoor) terzelfdertijd aan de tijd te onttrekt.

Het Bonnefantenmuseum kocht al in 1997 een werk van Kinoshita dat momenteel deel uitmaakt van de vaste opstelling. Het gaat om Hok I (1996), een ruw houten Baustelle die tegen de wand is aangezet, en waarin op een houten blad acht zandlopers met uiteenlopende vloeistoffen in verschillende kleuren worden tentoongesteld.