Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 92 juli-augustus 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Nicolas Bourriaud, Rutger Pontzen

Een diner organiseren, een feestje bouwen, wake houden bij andermans dromen of samen op reis gaan. Over dit soort ‘relationele’ en humane kunstpraktijken van de jaren negentig verschenen recent twee boekjes, Esthétique relationelle van Nicolas Bourriaud en Nice! Over nieuw engagement in de hedendaagse kunst van Rutger Pontzen. Het eerste bundelt herwerkte en nieuw geschreven stukken, heeft achteraan een glossarium van concepten en sleutelbegrippen, en is niet geïllustreerd. Het tweede is korter, journalistieker en zeer uitvoerig geïllustreerd. Bourriaud komt een stuk filosofisch geschoolder uit de hoek. Hij put zijn voorbeelden meestal uit individuele kunstpraktijken, waaronder die van Rirkrit Tirivanija, Pierre Huyghe, Philippe Parreno, Dominique Gonzalez-Foerster; een sleutelfiguur blijkt de in 1996 aan aids overleden Felix Gonzalez-Torres, aan wie hij een volledige bijdrage heeft gewijd.

Pontzen daarentegen volgt in eerste instantie het spoor van ‘opvallende tentoonstellingen’ zoals Ik + de Ander (Amsterdam, 1994) of This is the show and the show is many things (Gent, 1994).

Beide auteurs lezen in de kunst die hen interesseert een voortzetting van het modernistische project, dat volgens hen niet in de prullenmand ligt, maar wel ontdaan is van zijn idealistische en teleologische pretenties. De grote utopieën zijn vandaag ‘micro-utopieën’. De ‘relationele’ of ‘nieuwe geëngageerde’ kunst belooft niet meer het paradijs op aarde, maar schept ‘vrijplaatsen’ of ‘tussenruimten’ binnen de bestaande werkelijkheid. Deze kunst is mensvriendelijk en anti-autoritair, bescheiden en fragmentair, en volgens Bourriaud heeft ze zelfs de koloniale (of ‘aristocratische’) gewoonte afgeleerd om ruimten te bezetten. Ze offreert ons een te doorleven tijdspanne. We kunnen ze afwijzen of erin stappen, ze ‘beleven’ of ze beleefd afslaan. Ze is als een contract dat ons vrijblijvend ter ondertekening wordt aangeboden. Discreter en menselijker kan niet! Bourriaud verdedigt deze kunst vanuit een interactionistische kunstopvatting. Vormen of betekenissen bestaan nooit op zich, ze worden altijd pas (h)erkend – als kunst, of als betekenisvolle vorm – op grond van een intersubjectief appèl. Dat is volgens hem altijd zo geweest, maar de relationele kunst heeft dit pas tenvolle beseft en neemt daarom het stichten van collectieve betekenis tot eigenlijke inhoud.

Dat die kunst zich zo bescheiden en low profile opstelt, mag ons echter niet misleiden: voor Bourriaud is de inzet niet minnetjes. Tenminste, dat moeten we toch afleiden uit zijn draconische diagnose van onze actuele toestand, per slot van rekening de toestand waar de relationele kunst een tegengewicht voor moet bieden. De sociale verhoudingen zijn heden ten dage volledig gestandaardiseerd, aldus Bourriaud. Mondiaal kapitalisme en consumentisme hebben elke communicatie en menselijke interactie in hun greep. Vroeger kon je nog door een echte stem aan de telefoon gewekt worden, nu pruttelt een synthetisch stemgeluid in onze oren. Zo erg is het geworden. Kortom, de kunst lijkt wel de laatste strohalm in de global terror van een totale aliënatie. Des te vreemder is het dat Bourriaud dan zo luchtig en makkelijk doet over haar mogelijkheden om nog tegen de stroom op te roeien. Deze kunst haalt haar authentieke en onvervreemde omgangsvormen nogal vlotjes uit de rekken. En het besef dat het subject een composiet amalgaam is van overgenomen betekenissen – op zich een modern en legitiem inzicht – brengt hem tot de overtuiging dat we dit maar hoeven in te zien, opdat we onze subjectiviteit kunnen ‘heruitvinden’. In het laatste hoofdstuk, dat over Felix Guattari handelt (volgens Bourriaud de wat miskende kompaan van Gilles Deleuze), wordt nogal delirant gedweept met het vermogen van de kunst om de verdinglijking, de opsplitsing van het denken in sectoren en de vastgeroeste autonomie van die systemen te boven te komen. Zo makkelijk overwint het bewustzijn de vervreemding natuurlijk niet. Laat staan dat je zo makkelijk met het subject kunt puzzelen.

Al bij al lijkt de schampere cultuurpessimist Bourriaud de macht van het gewraakte kapitalistische systeem nog te onderschatten. Biedt de markt immers niet zelf al de ontsnappingsroutes aan die hij als reddend alternatief ziet? Sinds de keurig gescheurde jeansbroek heeft de markt haar eigen ontkenning toch al lang opgeslorpt? Ligt het marktonvriendelijke niet al lang in de etalage? Anti-consumentisme is een alternatieve service en een populair pesticide voor wie de greep van de markt niet wil voelen. Te vrezen valt dat de relationele kunstpraktijken deze ontwikkeling niet tegengaan, maar eerder nog consolideren en illustreren. Tot op zekere hoogte kopieert deze kunst de ‘humaniserende’ strategieën waarmee het systeem haar eigen almacht ontzenuwt. Een ‘te beleven tijdspanne’ kan trouwens ook een product zijn. Het is niet omdat kunstenaars geen objecten meer produceren en tentoonstellen, dat ze geen marktwaarde meer belichamen.

Het geloof dat deze kunst werkelijk aan ‘het systeem’ ontsnapt, wordt bij Pontzen aangedikt met optimistische cliché’s. Eindelijk is het gedaan met de kunst van de jaren tachtig en haar cynische jacht op succes. In de jaren negentig zien we geëngageerde kunstenaars, altruïsten die tenminste bekommerd zijn om hun publiek. Terwijl de musea als professionele kijkmachines hun publiek exploiteren en alleen maar in hun pronkstukken geïnteresseerd zijn, trekt de goede kunstenaar ten strijde tegen zelfgenoegzaam objectfetisjisme en passief consumentisme.

Geen van beide boekjes stelt de vraag of deze relationele of geëngageerde kunst wel tegen de institutionele belangen ingaat. Per slot van rekening moeten kunstinstellingen vandaag, meer dan ooit, hun sociale relevantie bewijzen, en in principe kunnen ‘sociale’ kunstprojecten hen daarbij van pas komen. De relationele kunst en het museum, allebei doen ze hun best om de indruk te wekken dat ze dicht bij de mensen staan. Het Gentse museum dat voor Pontzen de koploper in het ‘humaniseringsproces’ vormt, lokt inmiddels met de platste methodes de massa’s naar de zalen. Maatschappelijke relevantie en publieksbereik, het is maar een stap.

In werkelijkheid staat de kunst niet dicht bij de mensen, en daarom doet ze alsof. Dat geldt ook voor de instellingen. Beide hebben er belang bij hun institutionele scène weg te moffelen achter menselijkheid en maatschappelijke relevantie. De interessantste kunstenaars zijn in die context wellicht diegenen die de illusie van een spontane, authentieke socialiteit de pas afsnijden. Kunstenaars als Felix Gonzalez-Torres en Dominique Gonzalez-Foerster, die in Bourriauds relaas optreden, verwerken ‘persoonlijke’ elementen in een bewust gestileerde vormgeving, en maken zo letterlijk abstractie van de ‘persoonlijke’ inhoud. Hun esthetiek houdt suggestieve gezelligheid en existentiële warmte op een afstand. Het sociale appèl is terzelfdertijd esthetische flessenpost. Zo ontzenuwt hun werk de belofte van direct consumeerbare interactie.

Bourriaud is een te driftige apologeet van zijn kunstenaars om een aantal cruciale problemen op te merken. Dat Pontzen minder apologetisch klinkt, betekent echter niet dat zijn betoog gereflecteerder is. Zijn distantie is die van de journalistieke vlotte jongen. Het boekje hangt aaneen van de labels en slogans. Tentoonstellingen die kunst en publiek willen verzoenen, die de opbouw in de tentoonstelling laten overvloeien en interactie hoog in het vaandel dragen, blijken allemaal wel ergens schatplichtig aan het zogenoemde ‘Gentse model’. Over de uitspraken en opvattingen van de betrokkenen wordt kritiekloos heen geschaatst. Als Bart De Baere, curator van This is the show and the show is many things in de catalogus uitroept dat het museum geen “krachtcentrale” is maar een plaats waar “de dingen elkaar ontmoeten”, dan roept dat bij Pontzen geen vragen op; hij meldt gewoon vrolijk dat de benadering aansloeg. Wel schrijft hij die woorden toe aan Dirk Pültau, terwijl die ze in zijn catalogustekst citeert om ze vervolgens juist te bekritiseren. Als die laatste merkt welke rol hem wordt toegeschreven in dit boekje, wat moet hij dan nog geloven van de rest van dit relaas?

En wat betreft die bevlogen opvattingen en uitspraken die de auteur rapporteert, gelooft hij daar zelf ook in? De methode van Pontzen bestaat erin die vragen niet te stellen. Hij houdt een non-geëngageerd koffiepraatje over geëngageerde kunst. The show must go on. Esthétique relationelle zal wellicht nog overleven als een interessant tijdsdocument van een betrokken curator-criticus, alhoewel de term ‘relationele kunst’ tegenwoordig (vooral in Frankrijk) al driftig en dankbaar wordt ingezet als een nieuwe stilistische merknaam. Maar Nice! had gewoon niet gedrukt – laat staan in het Engels vertaald – moeten worden.

 

• Nicolas Bourriaud, Esthétique relationelle werd in 1998 uitgegeven door Les presses du réel, Rue Quentin 16, 21000 Dijon (03/80.30.75.23; consortium@planetb.fr). ISBN 2-84066-030-X.

• Rutger Pontzen, Nice! Over nieuw engagement in de hedendaagse kunst werd in 2000 uitgegeven door NAi Uitgevers, Mauritsweg 23, 3012 JR Rotterdam (010/201.01.32). ISBN 90-5662-161-0.