Nicoline Wijnja

DE WITTE RAAF

Editie 93 september-oktober 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

25 jaar kunst in Almere

Het is een wonder dat pioniers Almere niet onmiddellijk hebben volgestort met kunst, want het moet een troosteloze aanblik geweest zijn, zo’n dertig jaar geleden. Het ‘gedolven graf’, zoals een zondagsdichter de polder eens noemde, moest in een hoog tempo leven worden ingeblazen. In de afgelopen vijfentwintig jaar is Almere bezaaid met kunst. Bekend is bijvoorbeeld De Groene Kathedraal (1987-1996) van Marinus Boezem, opgetrokken uit populieren. Maar ook binnen de bebouwde kom heeft de kunst wortel geschoten. (On)voltooide beelden, 25 jaar kunst in de openbare ruimte, dat nu in De Paviljoens loopt, geeft een overzicht van de uiteenlopende manieren waarop de drooggelegde lap grond Almere met kunst beschonken werd. De tentoonstelling is het aardigst wanneer men ze als een plaatjesboek bekijkt: vluchtig doorbladerend en af en toe een regeltje commentaar lezend. De ietwat saaie presentatie wordt in het Cahier 4 aangevuld met een helder overzicht van het opdrachtenbeleid in die vijfentwintig jaar. Niettemin is het raadzamer om bij De Paviljoens een fiets te lenen en erop uit te trekken, op zoek naar stadse polderkunst.

Een gek idee was het niet, zo’n jonge stad aankleden met kunstwerken, om het op die manier een gezicht en aanzien te geven. Identiteit moest dit blanke land een kwart eeuw geleden nog krijgen, geschiedenis moest het nog schrijven. En wat een vrijheid heeft de kunstenaar niet, die een werk mag maken op zo’n onbeschreven plek. Cornelis Rogge, kunstenaar en einde jaren tachtig kunstadviseur voor Almere, zag grote voordelen: “Een kunstenaar kan in Almere veel beter uit de voeten dan in een oude stad als Zwolle of Deventer waar de historie een flinke stempel heeft gedrukt op het stadsbeeld. (…) Almere is wat dat betreft net zo fris als een stadje uit het Wilde Westen van Amerika – niet gehandicapt door een cultureel verleden.” Of dat culturele verleden nu een handicap is of een prikkelend vertrekpunt, het gaat om de vraag met welk soort beelden men een stad als Almere identiteit wil geven. Rogge koos einde jaren tachtig onder andere voor Pjotr Müller en Sigurdur Gudmundsson. Eerstgenoemde bouwde een triomfboog in het Koningin Beatrixpark, de andere ontwierp een beeld met bronzen vis- en vogelmotieven voor de Grote Markt. Het zijn autonome beelden die klassiek cultuurgoed importeren, of die refereren naar tijdloze mythologieën. Almere telt enorm veel gelijkaardige beelden, die zo ‘universeel’ zijn dat ze in iedere willekeurige stad in Nederland wel een plekje hadden kunnen vinden. Dat ze de stad dus echt van een identiteit voorzien, valt te betwijfelen.

Neem dan het kunstbeleid van een kleine tien jaar daarvoor. De polderpompen waren nauwelijks uitgeronkt, of er lagen al ambitieuze plannen klaar. Kunstenaars zouden mee gaan draaien in een ontwerpteam, waar men ook stedenbouwers bij wilde betrekken. Kunstadviseur Berend Hendriks, die ook deel uitmaakte van de Arnhemse School, stimuleerde een dergelijke werkwijze die in praktisch opzicht echter onuitvoerbaar bleek. Uiteindelijk realiseerde hij alleen De kus (1984), een werk dat bestaat uit ronde en vierkante palen die met hun spiegelende koppen land, lucht en water nader tot elkaar brengen. Het sluit naadloos aan bij de ruimtelijke situatie ter plekke en verwijst ook naar de hele polder, als een land waar deze elementen op een kunstmatige manier met elkaar zijn verstrengeld. Hendriks voegt niet zozeer iets nieuws toe, hij toont gewoon de eigenheid van de nieuwe stad.

Hoe onuitvoerbaar de radicale plannen van Hendriks en de eerste kunstadviseurs ook waren, de achterliggende ideeën zijn actueler dan ooit tevoren. Men hoeft maar namen als John Körmeling en Atelier/Joep van Lieshout te noemen, of de hele kunstwereld zet al een harmonieus engelengezang in. Kunstenaars houden zich opnieuw en op succesvolle wijze bezig met het integreren van kunst in de omgeving, al huldigen ze een minder strenge leer dan hun voorgangers.

Schie 2.0 is ook zo’n clubje van architecten, kunstenaars en ontwerpers dat kunst wil integreren in de context. In 1999 lanceerden zij een idee voor de vinexwijk Tussen de Vaarten in Almere. Eén van de straatstukken toont een sportveld tussen de woningen; elders heeft een bos zich tussen de rijtjeshuizen weten te wringen. Identiteit wordt niet met behulp van een beeldje op een sokkeltje naar de wijk gehaald. In plaats daarvan schept Schie 2.0 condities: plaatsen net buiten de deur – ontspanningsruimtes en ontmoetingsplekken – waar mensen zelf hun ‘identiteit’ uit kunnen halen, om het ‘hier’ ermee op te vullen. Identiteit is geen kunstzinnig etiket dat op een woonwijk wordt geplakt; het is iets dat door ingrepen een vorm kan gaan zoeken, en zich zo zal nestelen in de alledaagse leefwereld, in de vinexwijken, in de stad. Maar het veelbelovende plan sneuvelde. Almere vond het waarschijnlijk een al te drastische ingreep. Nochtans levert Schie 2.0 een rake commentaar op het hele ‘kunst en identiteit’ fenomeen. En wat meer is, met dergelijke kunst kun je makkelijk een hele polder volstorten.

 

• (On)voltooide beelden – 25 jaar kunst in de openbare ruimte loopt tot 11 november in De Paviljoens, Almeers Centrum voor Hedendaagse Kunst, Odeonstraat 5, 1325 AL Almere (036/537.82.82).