Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 93 september-oktober 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Un art populaire

Un art populaire is de even vrijblijvende als dubbelzinnige titel van een tentoonstelling in de Parijse Fondation Cartier. Ze confronteert hedendaagse volkskunst met actuele kunstvormen die zich door deze tribale uitdrukkingsmogelijkheden lieten inspireren. De titel is dubbelzinnig omdat hij laat uitschijnen dat deze kunstvormen niet alleen volks maar ook populair zouden zijn. Populaire kunst is echter een contradictio in terminis. Kunst wordt door het grote publiek niet bezocht, noch gesmaakt. Un art populaire heeft dan ook even weinig te maken met hedendaagse kunst als met volkskunst.

Sinds Magiciens de la terre, de controversiële tentoonstelling die in 1989 door Jean-Hubert Martin werd voorgesteld in het Parijse Centre Pompidou, zweren bepaalde Franse kunstfilosofen bij een antropologische, zoniet etnografische benadering van de hedendaagse kunst. Paradoxaal genoeg leest men daarbij niet alleen de hedendaagse kunst maar ook de volkskunst in hoofdzaak als een formeel verschijnsel – dat werd vorig jaar nogmaals ten overvloede geïllustreerd op de vijfde biënnale van Lyon. Men maakt de hedendaagse kunst in dat geval los van haar historische context – de westerse avant-garde van de twintigste eeuw – en vervreemdt de volkskunst van haar tribale oorsprong en haar politieke, religieuze en sociale functie. Kunst, of wat men daar ook onder verstaat, is dan enkel nog een kwestie van (goede) smaak, minder van betekenis of van zingeving.

Volgens de catalogus zijn de werken in Un art populaire vooral gekozen om hun “plastische kwaliteiten en hun beeldende kracht”. Nochtans wil deze tentoonstelling ook een “nieuwe visie” voorstellen op de volkskunst die, hoezeer ze ook in de traditie en in collectieve productievormen is ingebed, ook vernieuwend, inventief en creatief heet te zijn. Un art populaire wil in één klap komaf maken met de categorieën van de kunstgeschiedenis en de aanvaarde hiërarchie. “Soms op de grens van de art brut, de Folk Art, de Outsider Art, de moderne kunst, de naïeve kunst of de kunst van geestesgestoorden, ontsnappen de verzamelde werken aan een strenge cartografie, keren ze zich met hun rug naar de etiketten die de volkskunst buiten het veld van de hedendaagse kunst trachten te houden. De moderniteit van de volkskunst berust in het ontsnappen aan deze categorieën.” En daarin zou ze dicht aanleunen bij een “hedendaagse kunstscène die zelf de grenzen tussen de verschillende domeinen van de creatie ondermijnt of aan het wankelen brengt”.

Door de volkskunst uit haar context te halen en de hedendaagse kunst in het keurslijf van de volkskunst te dwingen – traditie, ambachtelijkheid, groepswerk... – verliezen uiteindelijk beide aan betekenis. Het etnografische object wordt herleid tot esthetische kenmerken, die de laatste zorg van de maker waren, en de hedendaagse kunst krijgt een al even reducerende behandeling. Er zijn soms wel formele verwantschappen tussen de volkskunst en wat men hier un art savant noemt, maar de bedoelingen van de volkskunst zijn sociaal, niet artistiek. Haar ambachtelijke productievorm is de uitdrukking van een groepsgevoel, en staat lijnrecht tegenover de conceptuele creatie van het individu in de hedendaagse kunst, die hoofdzakelijk bestemd is voor een gecultiveerde elite.

Alsof de organisatoren onbewust hun stelling hebben willen ondermijnen of tegenspreken, vinden we het werk van de westerse kunstenaars (waaronder de levensgrote in hout gesculpteerde en rijk versierde Caterpillar van Wim Delvoye, speciaal gemaakt voor deze tentoonstelling en voor de verzameling van de Fondation Cartier) in de mooiste ruimte op het gelijkvloers, terwijl het etnografisch werk uit hoofdzakelijk Afrika en Zuid-Amerika naar de kelder werd verwezen.

Maar ook zonder die hiërarchische scheiding was het onderscheid tussen beide kunstvormen duidelijk merkbaar. Hedendaagse kunstenaars ontlenen thema’s, technieken of motieven aan volkse culturen, zonder dat ze daar zelf deel van uitmaken. Dit geldt zowel voor de levensgrote mangafiguren van Takashi Murakami, de tatoeages die Claude Closky verwerkte tot behangpapier, de bricolages van Chris Burden uit de bidonvilles, als voor de insignes van de jeugdcultuur in de assemblages van Mike Kelley. Eén van de meest indrukwekkende bijdragen is de Back Yard van de Amerikaanse Liza Lou. Haar achtertuin is het vergulde ideaal van de Amerikaanse middenklasse. Het volledige tafereel, niet alleen de barbecue, de grasmaaier en het sproeisysteem, maar ook elk grassprietje, elke bloem en elk colablikje, is bezet met gekleurde parels. Lou idealiseert de vrije tijd en sublimeert het banale, maar ze brengt ook een hommage aan het traditionele ambacht in groepsverband. Tegelijk herwaardeert ze de meestal miskende typische vrouwenarbeid.

Ondanks die bijzondere bijdragen neemt Un art populaire geen duidelijk standpunt in ten aanzien van deze complexe maar uiterst boeiende materie. Hierdoor blijft de tentoonstelling steken in een kleurrijk maar vrijblijvend spektakel. Dat is jammer, want hier zijn belangrijke kansen voor een ruime discussie blijven liggen. Niet over de relatie tussen de volkskunst en de hedendaagse kunst, maar over de problemen van de contextualisering versus decontextualisering van de kunst, de relatie tussen de kunst en de cultuur, de zogenaamde autonomie van de kunst en haar universeel karakter (problemen die opgelost leken en nu plots terugkomen). Maar het meest nog over het probleem van de democratisering van de kunst en de vraag naar de wenselijkheid daarvan.

 

•  Un art populaire loopt tot 4 november in de Fondation Cartier, 261 Boulevard Raspail, Paris (14). (01/42.18.56.51).