Camiel van Winkel

DE WITTE RAAF

Editie 93 september-oktober 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Dan Graham

“Mijn werk heeft niets van doen met theorie,” zegt Dan Graham in een gesprek met Benjamin Buchloh, dat is afgedrukt in de catalogus van de tentoonstelling Dan Graham. Oeuvres 1965-2000. Het gesprek leest als een komische sketch voor twee oudere heren, die beide een product van de jaren zestig zijn maar toch op geen enkel moment willen begrijpen waar de ander het over heeft. Buchloh waardeert Grahams vroege werk, tot het einde van de jaren zeventig, als een vorm van maatschappelijk geëngageerde institutionele kritiek. Net als Michael Asher, Daniel Buren en andere ‘conceptuele’ kunstenaars zou Graham een kunstpraktijk hebben ontwikkeld die de vervreemding van het kunstpubliek opheft, door dit publiek te laten ervaren dat museale en andere officiële presentatievormen geen natuurlijk en tijdloos karakter bezitten maar historische producten zijn, die het politieke en economische belang van bepaalde bevoorrechte groepen dienen. Graham reageert door te zeggen dat hij een dergelijke interpretatie volkomen banaal vindt en musea juist als geweldige plekken beschouwt met een groot potentieel aan sociale dynamiek. Buchloh kaatst terug dat Grahams glazen paviljoens uit de jaren tachtig en negentig een regressie inhouden naar de verfoeide ‘transhistorische’ essentialia van de fenomenologie; bovendien zouden de paviljoens in tijden van ecologische rampspoed de fictie van de arcadische landschapstuin helpen overeind houden. Op dit punt in het gesprek worden de uiteenzettingen van Buchloh steeds langer en de antwoorden van Graham steeds korter en geïrriteerder.

De retrospectieve tentoonstelling in het Musée d’Art Moderne de la Ville de Paris, die in november zal doorreizen naar het Kröller-Müller Museum in Otterlo, ondermijnt de theoretische schema’s die Benjamin Buchloh hanteert door de nadruk te leggen op de veelzijdigheid en gelaagdheid van Dan Grahams kunstenaarschap. Graham wordt in zekere zin gepresenteerd als een stamvader van al de hedendaagse kunstenaars die zich van de meest uiteenlopende media en presentatievormen bedienen. De tentoonstelling toont vroege tijdschriftpublicaties en tekstwerken, enkele film- en video-installaties, een reconstructie van sleutelwerken zoals Public Space/Two Audiences (1976), de videodocumentaire Rock My Religion (1982-84), talrijke architectuurmodellen, een aantal paviljoens op ware grootte, en een New Design for Showing Videos (1995), waarin videoregistraties van performances en installaties kunnen worden bekeken.

De omvang van de tentoonstelling valt nog in het niet bij die van de catalogus, waarin voor het eerst Grahams complete oeuvre vanaf 1965 systematisch en chronologisch is gedocumenteerd. In de tentoonstelling is vanzelfsprekend maar een fractie van dat geheel te zien. De nadruk lijkt daarbij te liggen op de latere architectuurmodellen, die het grootste deel van de halfronde hoofdzaal in beslag nemen; in vergelijking daarmee zijn de vroege werken – de tekstwerken, de tijdschriftpublicaties, de diaserie Homes for America – wat stiefmoederlijk behandeld. Hoewel de lastige architectuur van het Parijse museum deze indeling mede zal hebben afgedwongen, hadden de curatoren – Marianne Brouwer en Corinne Diserens – ook kunnen besluiten om de chronologie helemaal los te laten en alles door elkaar te gooien, in de wetenschap dat ze het overzicht van de oeuvrecatalogus toch nooit op zaal konden evenaren. Daarmee was ook de hybriditeit van Grahams kunstenaarschap als thema beter uit de verf gekomen.

De kunstenaar zelf is degene die dat thema in interviews het zwaarste accent geeft. Hij beseft dat iedere indruk van theoretische en artistieke zuiverheid moet worden vermeden, wil hij niet – met Buchloh – als een reliek van de jaren zestig te boek komen te staan. Hybriditeit is zijn huidige wensbeeld en ideaal. “Ik houd zowel van de muziek van Ray Davies als de architectuur van Eero Saarinen. Al mijn werken zijn hybriden. Ik denk dat de adolescentie bestaat uit hybride mutaties, zonder geboortebeperking voor de cultuur. Ik heb al mijn werken geconcipieerd als hybriden in een staat van wanorde.” (catalogus, p. 400) Hybriditeit betekent in dit verband niet zozeer dat verschillende media en technieken naast en door elkaar worden gebruikt – dat is sinds de jaren zestig tot een cliché verworden. Belangrijker is dat tegenstrijdige, elkaar uitsluitende concepten worden geïntegreerd tot één quasi-transparante structuur. Het is vanuit dat perspectief dat Graham nu op zijn vroege productie terugkijkt. In Alteration to a Suburban House (1978) ontwaart hij een kruising tussen de architectuuropvattingen van Mies van der Rohe en die van Robert Venturi. Zijn latere architectuurmodellen zouden zowel van alternatieve kunstenaarsruimtes (de loft) als representatieve bedrijfsarchitectuur (het atrium) zijn afgeleid. Het is niet moeilijk om, in deze trant doordenkend, nog meer ‘onmogelijke’ kruisingen te ontwaren in Grahams werk. Zo zijn de performances uit de jaren zeventig te beschouwen als empirische constructies waarin het existentialisme van Jean-Paul Sartre, de interferentiepatronen uit de muziek van Steve Reich en het exhibitionisme van Jim Morrison ertoe worden gebracht elkaar wederzijds te bevruchten.

Eén van de hoogtepunten in de tentoonstelling vormt Body Press (1970-72). Deze dubbele filmprojectie toont een naakte man en vrouw, staand met de rug naar elkaar toe in een cilinder van spiegelglas. Ieder filmt het eigen vervormde spiegelbeeld, door een camera met de lens naar voren in een zijwaartse beweging over het eigen lichaam te schuiven. Achter hun rug nemen ze de camera van elkaar over, waarna de procedure wordt herhaald, eerst ter hoogte van de borst, vervolgens ter hoogte van de hals. De twee filmloops van acht minuten worden in een kleine, verduisterde ruimte op tegenoverliggende wanden geprojecteerd. Het ratelende geluid van de filmprojectoren schuift een duister orgelpunt onder het beeld – twee naakte lichamen die met lethargische blik een industrieel reproductieapparaat tegen zich aandrukken, als ware het een fetisjistisch liefdesobject.

 

• Dan Graham. Oeuvres 1965-2000 is nog tot 14 oktober te zien in het Musée d’Art Moderne de la Ville de Paris, 11 Avenue du Président Wilson, 75116 Parijs (01/53.67.40.00) en vanaf 25 november in het Kröller-Müller Museum in Otterlo.