Petra Brouwer

DE WITTE RAAF

Editie 93 september-oktober 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Het Nederlandse rijtjeshuis

In 1995 publiceerde Adriaan Geuze (Bureau West 8) In Holland staat een huis, een systematisch beeldverslag van de Nederlandse nieuwbouwwijken van de afgelopen decennia. Hoewel de titel van het boek ontleend is aan een vrolijk en onschuldig kinderliedje, sloeg Geuzes beeldmanifest in als een bom. Voor het eerst waagde een architect van naam zich in tot dusver onooglijk bevonden plaatsen als Maarssenbroek, Papendrecht, Zoetermeer en Almere. Hij fotografeerde de rijtjeshuizen, de geluidswallen die de wijken afschermen van de snelweg, de winkelcentra en de sporthallen: de dagelijkse leefomgeving van de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking, die architecten het schaamrood op de kaken jaagt. Geuze stelde zich de vraag hoe het verder moest met de vormgeving van het Nederlandse rijtjeshuis, en deze vraag was bijzonder urgent: De Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra (VINEX) uit 1990 stelde zich tot doel tussen 1995 en 2005 750.000 woningen te bouwen, waarvan het merendeel in de dichtbevolkte Randstad moest komen, in laagbouw. Op deze wijze zouden de kapitaalkrachtige gezinnen behouden blijven voor de steden, en niet hun toevlucht zoeken tot suburbia.

Sinds Geuzes studie is een stroom van publicaties op gang gekomen waarin de wereld van suburbia verkend wordt. Almere, Zoetermeer en de Haarlemmermeerpolder fungeren in boeken en tijdschriftenspecials als prototypen van de moderne stedelijkheid, maar mooi durft niemand deze steden te noemen. Integendeel. Carel Webers pleidooi voor Het Wilde Wonen (1998) waarin bewoners met behulp van catalogusbouw hun eigen woning mogen ontwerpen, vindt steeds meer weerklank. De eindeloze zee van rijtjeshuizen bestaat volgens Weber uit niet meer dan precies dezelfde typen eengezinswoningen, die er van de buitenkant allemaal net iets anders uitzien omdat ze door de architect van een modieuze make-up-façade zijn voorzien. Terwijl Weber ageert tegen deze betuttelende architectenesthetica die bewoners de mogelijkheid ontneemt een huis te ontwerpen volgens hun eigen smaak, wijzen andere auteurs, zoals hoofredactrice van De Architect Janny Rodermond, op de gevaren van deze praktijk voor het architectenvak. De architect houdt zich niet langer bezig met de sociaal-psychologische vraagstukken van het wonen, maar is gedegradeerd tot een banale vormgever.

De vele discussies over suburbia ten spijt, heeft niemand in Nederland zich de moeite getroost het rijtjeshuis als woningtype nu eens werkelijk goed te bestuderen en, onbevooroordeeld, de aantrekkingskracht en de tekortkomingen ervan te inventariseren. Das niederländische Reihenhaus, geschreven door Rob van Gool, Lars Hertelt, Frank-Bertolt Raith en Leonhard Schenk, is alleen daarom al een waardevolle publicatie. In twee opzichten gaat het boek verder, daar waar Geuze ophield. Geuze inventariseerde de wijken van de jaren zeventig en tachtig, terwijl hier de productie van de jaren negentig centraal staat, zowel in de algemene inleiding als in de documentatie van een veertigtal projecten. Zat de kwaliteit van Geuzes studie vooral in het zo compleet mogelijke fotografische overzicht van de nieuwbouwwijken, dan schuilt die bij Das niederländische Reihenhaus in de diepgang van de analyse.

Vergeleken met Duitsland wonen in Nederland veel meer huishoudens in een laagbouwwoning (zeventig tegenover vijftig procent), en terwijl in Duitsland het eerste eigen huis wordt aangekocht wanneer men de veertig is gepasseerd, kunnen in Nederland zelfs jonge gezinnen zich al een eengezinswoning veroorloven. Hoe is het mogelijk dat het rijtjeshuis in het dichtbevolkte Nederland zo’n goedkoop product kan zijn, vroegen de auteurs zich af. Twee factoren blijken van invloed. Bouwland is in Nederland relatief goedkoop en vergelijkend onderzoek tussen de bouwkosten in beide landen wees uit dat die in Nederland veertig tot vijftig procent lager liggen dan in Duitsland. Dit kostenaspect is van groot belang, want typologie en aanzien van het Nederlandse rijtjeshuis worden er grotendeels door bepaald.

Een eerste besparing, van twintig tot vijfentwintig procent, realiseert men in de planningsfase. Anders dan in Duitsland, waar de architect individueel zijn ontwerp uitwerkt, maakt de Nederlandse architect van begin af aan deel uit van een bouwteam dat bestaat uit verschillende specialisten: de opdrachtgever(s), planologen, technische en financieel deskundigen. Dat is van belang, want beslissingen die in de eerste fase van het ontwerp worden genomen, zijn cruciaal voor de kosten van een project; in de uitvoeringsfase kan relatief weinig meer worden bezuinigd. Verder wordt twintig procent van de kosten bespaard door een vergaande mechanisering en standaardisering van de bouw en een optimale organisatie van de bouwplaats. Het Nederlandse bouwmétier bestaat nauwelijks nog uit handwerk. Veel meer is er sprake van montagespecialisten die op de bouwplaats industrieel vervaardigde halffabrikaten in elkaar zetten. Ook wordt er gestreefd naar grote projecten, liefst van zestig wooneenheden, omdat bij deze omvang optimaal gebruik kan worden gemaakt van de benodigde faciliteiten en mechanica op de bouwplaats. Zo kunnen de achtereenvolgende bouwhandelingen zo efficiënt mogelijk op elkaar aansluiten en is de productietijd van een woning in Nederland teruggebracht tot negentig dagen.

Efficiëntie en geringe kosten heersen ook op het niveau van de afwerking en in het comfort van de woningen. Vergeleken met Duitsland zijn de huisjes smal, de grondstukken klein, en de kamers en de gangen krap bemeten. Deuren en ramen zijn van de goedkoopst mogelijke makelij, trappen kraken omdat ze van zachthout zijn gemaakt, muren worden niet geverfd maar gespoten, tegelvloeren en wanden worden tot een minimum oppervlakte beperkt, en kelders zijn er niet: in plaats daarvan staat er een schuur in de tuin.

Het Nederlandse rijtjeshuis is een industrieel vervaardigd massaproduct dat grote overeenkomsten vertoont met de huidige auto-industrie. Met zo min mogelijk technische basistypen worden zoveel mogelijk verschillende modellen op de markt gezet. Juist de technische standaardisering maakt het mogelijk de buitenkant zo flexibel en verschillend mogelijk vorm te geven. Architectenbureaus als Mecanoo, Duinker & Van der Torre, DKV, Geurst & Schulze blijken bijzonder goed in staat binnen deze krappe randvoorwaarden hoogwaardige architectuur te ontwerpen. Hun gemeenschappelijke esthetische voorkeur ligt bij een gedurfde materiaalkeuze en een strakke vormgeving: de woningen worden letterlijk ‘en bloc’ vormgegeven, met lange doorlopende lijnen, wijd uitkragende daklijsten, streng rechthoekige en ritmisch herhaalde voor- en terugsprongen in de gevel, en duidelijk van elkaar gescheiden maar compositorisch op elkaar afgestemde gevelvlakken.

Anders dan in de voorgaande decennia is het rijtjeshuis van de jaren negentig ondergeschikt aan het blok als geheel. Articulatie van de individualiteit van het huis is minimaal. Voortuinen zijn verdwenen, de ingangspartij wordt bescheiden geaccentueerd, door een afdak, een stoepje of een smalle groenrand. Het verdwijnen van de semi-openbare tussenzone, tussen huis en stad, is volgens de auteurs tekenend voor het tegenwoordige rijtjeshuis. Tot dusver was de gangbare verklaring voor de populariteit van de rijtjeswoning de behoefte van jonge gezinnen aan een veilige buurtgemeenschap en een woning in het groen. Maar volgens de schrijvers wordt het rijtjeshuis vandaag eerder door individualisering en consumptie gekenmerkt. In geen ander land spreekt men met zoveel vanzelfsprekendheid over een wooncarrière als in Nederland. Een huis is een tijdelijk product dat, als er gewoond wordt, met alle mogelijke middelen tot een privé-paleis wordt omgebouwd, maar met evenveel gemak weer wordt verlaten voor een betere woning. Het rijtjeshuis is aldus onderworpen aan een ‘tweede productiviteit’, zoals Michel de Certeau het uitdrukte in L’invention du quotidien. Arts de faire (1980). Consumenten zijn volgens De Certeau tactici, die op basis van hun eigen smaak en voorkeuren fragmenten selecteren uit de enorme productiehoeveelheid, en deze samenstellen tot een eigen individueel verhaal, een nieuw product. Anders dan de bezorgde Nederlandse architectuurcritici beweren, is er dan ook geen sprake van een behoefte bij bewoners om de ontwerpvisie van de architect te achterhalen en na te leven. De woonconsument geeft zijn huis betekenis met zijn aangekochte vondsten, van tuinkabouters tot lamellen.

In het concept van Het Wilde Wonen hebben de auteurs van Das niederländische Reihenhaus weinig vertrouwen. Het biedt geen garantie voor de verhoopte individualisering, want enkele grote producenten zullen de bouwmarkt blijven domineren met hun voorbeeldhuizen en bouwonderdelen. Het rijtjeshuis is daarentegen springlevend, omdat het zich in het afgelopen decennium heeft ontwikkeld van eengezinswoning in het groen tot een veelzijdig woningtype, dat inmiddels bijvoorbeeld ook in de binnensteden te vinden is – smaller, hoger, met patio in plaats van tuin – en dat bewoond wordt door diverse soorten huishoudens. De Nederlandse architecten zijn in staat uit hun ivoren toren te komen en als teamworker te opereren. Ze streven niet naar dat ene geïsoleerde meesterwerk, maar naar de hoogst mogelijke kwaliteit van de alledaagse architectuur. En wie de tientallen projecten bekijkt die onze oosterburen geselecteerd hebben, kan ze geen ongelijk geven.

 

• Rob van Gool e.a., Das niederländische Reihenhaus. Serie und Vielfalt, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart/München, Geibelstrasse 6, 81679 München (089/455.54-0), 2000. ISBN 3-421-03265-3.