Dieter De Clercq

DE WITTE RAAF

Editie 93 september-oktober 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

The Critical Landscape Series

In de serie The Critical Landscape van Stylos, een vereniging van Delftse architectuurstudenten, verschenen de jongste jaren een drietal volumes onder de redactie van Arie Graafland: The Critical Landscape (1996), The Socius of Architecture (2000) en Cities in Transition (2001). De vereniging, bekroond met de prestigieuze Rotterdam-Maaskantprijs in 1998, organiseert lezingen, symposia en internationale conferenties, en streeft naar een theoretischer en kritischer klimaat binnen de opleiding architectuur. De nieuwste publicatie, Cities in Transition, vormt een neerslag van Stylos’ tweede conferentie die in november 1998 plaatsvond, met op het programma ronkende namen als Scott Lash, Michael Hays, Ignasi de Solà-Morales, Michael Sorkin en Saskia Sassen. Voor wie niet goed vertrouwd is met hun gedachtegoed, is deze verzameling van onderling vaak sterk uiteenlopende teksten natuurlijk het lezen waard. Een neerslag van de gevoerde discussies of een reflectie op de verschillende bijdragen zou het boek echter ten goede zijn gekomen.

Het boek behandelt de positie van architectuur en de veranderende maatschappelijke omgeving waarin ze tot stand komt: de ‘cities in transition’. Het stelt met name de effecten van de globalisering op architectuur en stedenbouw ter discussie en schuift twee grote havensteden, Rotterdam en Tokio, naar voor als casestudies. Al vormen begrippen als globalisering en informatietechnologie tegenwoordig het referentiekader van de architectuur, toch vraagt Arie Graafland zich in zijn inleiding terecht af of de huidige spektakelarchitectuur een geschikt antwoord weet te formuleren op deze condities en of er geen andere oplossingen in het verschiet liggen.

Zelf geeft Cities in Transition geen duidelijk antwoord, maar een echo van deze vraag weerklinkt wel in The Socius of Architecture, een boek van Graafland zelf. De term ‘socius’ – ontleend aan Deleuze en Guattari – duidt al op de onderliggende vraagstelling van het boek: een onderzoek naar de kritische positie van architectuur binnen de huidige maatschappij. Vreemd genoeg stelt Graafland het sublieme voor als verbindend element tussen architectuur en maatschappij. Hij moet de filosofische en esthetische categorie van het sublieme (zoals die voorkomt bij Kant en Burke) dan wel zo (her)definiëren dat ze ook daadwerkelijk naar onze maatschappij kan verwijzen. Volgens Graafland speelt ‘het formele’ – of beter: het kritisch parafraseren van het formele – daarin een belangrijke rol. Niet alleen zet een kritische / sublieme architectuur het formele onder spanning door kleine verschuivingen aan te brengen, ze is – overeenkomstig Kants definitie van het sublieme – ook ‘vormeloos’, waaronder Graafland een architectuur verstaat zonder decoratie en ornamenten. Het is maar één voorbeeld van de vaak geforceerde en associatieve manier waarop Graafland filosofische concepten tracht te verbinden en inzetbaar te maken voor de architectuurpraktijk en -kritiek. Als voorbeeld bij uitstek van een ‘sublieme’ architectuur haalt de auteur de Rotterdamse Kunsthal van Rem Koolhaas aan. Ongetwijfeld zijn er in dit gebouw elementen aan te duiden die de stelling van Graafland in verband met het kritisch parafraseren onderschrijven: het gebruik van een eenvoudige schuifdeur, als betrof het een voorlopige toegang, het aanbrengen van boomstammen rond de betonnen kolommen, de flitsende reclamepanelen in de traditie van de Russische agitprop, enzovoort. Maar de overwegend esthetische insteek van zijn analyse valt moeilijk te rijmen met zijn sociaal-politieke uitgangspunten, die onder meer tot uiting komen in zijn talloze verwijzingen naar daklozen.

Terwijl Graafland in het eerste deel van zijn boek lijkt aan te sturen op een filosofisch begrippenkader als basis voor het ontwerpen, stelt hij expliciet dat dit niet de enige ingang is. In het tweede deel van zijn boek wordt de bespreking van drie verschillende steden – Amsterdam, Tokio en New York – gevolgd door eigen ontwerpvoorstellen. Waar in de stedelijke analyses filosofische begrippen als rhizoom (Deleuze en Guattari) en heterotopie (Foucault) centraal staan, legt hij in zijn eigen voorstellen meer nadruk op lokale ontwerpcondities en bewijst hij dat ontwerpen een zelfstandig onderzoeksgebied is dat informatie kan opleveren voor de theorie. Een woningbouwvoorstel voor de Amsterdamse IJ-oevers, een arbeidshal in Tokio met woonruimtes voor dagloners en een daklozenopvang in New York zijn de respectievelijke ontwerpvoorstellen. De filosofische termen uit de voorafgaande analyse van deze steden dienen telkens als uitgangspunt of inspiratiebron. Hoewel er een parallel proces wordt gesuggereerd van ontwerpen en analyseren, zijn niet alle keuzes even helder. De plannen worden overigens maar kort toegelicht, terwijl tekeningen en beelden verder geheel voor zich moeten spreken. Toch getuigen de ontwerpen van een sociaal engagement en vormen ze ook impliciete antwoorden op uitdagingen en problemen die in de hedendaagse ‘cities in transition’ aan de orde zijn.

 

• The Socius of Architecture (Arie Graafland, 2000, ISBN 90-6450-389-3) en Cities in Transition (Arie Graafland, Deborah Hauptmann, (red.), 2001, ISBN 90-6450-415-6) verschenen als tweede en derde volume in de Stylos serie The Critical Landscape, onder redactie van Arie Graafland. Beide boeken werden uitgegeven door 010 Publishers, Watertorenweg 180, 3063 HA Rotterdam (010/433.35.09).