Lionel Devlieger

DE WITTE RAAF

Editie 93 september-oktober 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Tropismen

In 1996 verscheen het vierde boekje in de reeks Fascinaties van de NAi-uitgevers, waarin zes architecten, allen oud-medewerkers van het Office for Metropolitan Architecture, hun ontwerpprincipes gebald uit de doeken trachtten te doen. Willem-Jan Neutelings onderscheidde zich met een helder stuk, voorgesteld als een apologie van de luiheid in het architectuurbedrijf. Neutelings wist onder meer op een serene manier toe te lichten, hoe men in het beslissingsproces dat tot een voltooid ontwerp leidt een onderscheid kan maken tussen een reeks consistente, rationeel gemotiveerde keuzes en andere “volstrekt irrationele operaties”. Hij aanvaardde ongegeneerd dat bij de laatste volkomen subjectieve factoren meespelen, zoals smaak en intuïtie.

De idee dat bepaalde opties in een ontwerp aan willekeur onderhevig zijn, doet bij het merendeel van de architecten steeds angstzweet uitbreken. Ooit voorkwam men dat soort penibele situaties met regelboeken. Vandaag lijkt een deel van de architectuurtheorie te suggereren dat er quasi metafysische, extrasubjectieve ‘krachten’ in het spel zijn, die tussen het bewustzijn van de ontwerper en zijn ontwerp een ruis genereren, waarin bepaalde dilemma’s als vanzelf oplossen. Deze theoretische tendens besteedt logischerwijze heel wat aandacht aan de impact van de cybernetische revolutie op het ontwerpproces; impliciet gaat ze ervan uit dat de enorm toegenomen complexiteit van de elektronische ontwerpinstrumenten ongecontroleerde processen doet ontstaan. In de meest delirante interpretaties krijgt het ontwerp een autonoom leven, het groeit uit tot een ‘geanimeerd lichaam’. 

Het voorliggende Tropismen, metaforische animaties en architectuur, recent verschenen in dezelfde reeks Fascinaties, gaat geheel op in die halfretorische tendens om architecturen een eigen leven toe te schrijven. Auteur Ton Verstegen legt met behulp van de erg meerduidige term ‘tropisme’ (wending) een verband tussen taal en biologie, disciplines die bij hem eerder paradigma’s opleveren voor het vormkrijgen dan voor het vormgeven van architectuur. Aan het einde van zijn boekje omschrijft hij creaties van architecten als Van Berkel en Bos of Kas Oosterhuis in dezelfde passieve termen: het is alsof ze voortkwamen uit de inwerking van amper gedefinieerde krachtvelden op een flexibel vormembryo. 

Verstegen behandelde deze thematieken al eerder in twee artikels voor Archis, Het Tastende gebouw; de metaforische animaties van Peter Wilson uit mei 1993 en Tropismen, Ponge en de architectuur uit november 1995. Eigenlijk heeft hij voor het boekje Tropismen beide artikels alleen maar aaneengelast, met toevoeging van een aantal minder belangrijke nieuwe elementen. Zijn basisconcepten (het principe van de ‘maelström’, de ‘metaforische animatie’, het gebouw als plant) heeft hij in beide artikels trouwens op een meer consistente manier ontwikkeld dan in het boek. De artikels zijn ook verhelderend omdat de auteur er openlijk toont hoezeer hij aan de literatuur schatplichtig is voor zijn ‘analogische’ redeneringen over de vorm; in het boekje wordt die schatplichtigheid wat verhuld.

In het artikel uit 1993 vertrok Verstegen van een reflectie over de schuitvormige architecturen van Peter Wilson, en diens metaforische voorstelling van Tokio als een elektronische zee, om vervolgens een verband te leggen met de manier waarop een aantal grote romantisch-realistische auteurs (Balzac, Dickens of Dostojevski) hun personages voorstellen als ondergedompeld in, en geconditioneerd door de metropool. Het ‘onderdompelingsverhaal’ bij uitstek is voor Verstegen A Descent into the Maelström van Edgar Allan Poe, een fabel die hij bijna mythische dimensies toekent. Het verhaal van Poe beschrijft het fatale neerwaartse tollen van een schip in een draaikolk. Een meedraaiende zeeman redt zichzelf uit de hachelijke situatie door zich op een ton vast te binden, na eerder gemerkt te hebben dat cilindrisch gevormde voorwerpen trager in de draaikolk afdalen dan de andere. Zo weet hij zijn neergang te vertragen tot de eb aanbreekt en de maelström tot rust komt. “Niet langer de inhoud van de dingen, maar de vorm bepaalt de overlevingskansen in de maelström.” Het is maar één van de vele keren dat Verstegen, om grote waarheden te verkondigen, teruggrijpt naar literaire identificatieprocessen tussen menselijk gedrag in de brede zin van het woord, en fysiek of soms ook biologisch gedrag. In het artikel uit 1995 laat hij een lange mijmering over de plantaardige eigenschappen van de architectuur beginnen met een citaat van de Franse schrijver Francis Ponge, waarin deze zijn verlangen naar een ‘onbeheerst schrijven’ projecteert op een voorstelling van plantaardige weelderigheid.

Op basis van dat soort literaire extracten ontwikkelt Verstegen een eigen epistemologie, waarin mens, architectuur, plant en dode vorm op éénzelfde lijn worden geplaatst: organische en minerale entiteiten worden onderworpen aan een systematisch antropomorfisme, terwijl het individu op zijn beurt wordt herleid tot een elementair deeltje, een speelbal van natuurkundig definieerbare, simplistische krachtwerkingen. De tekst van Ponge leidde tot het postuleren van een soort universele vormimpuls. Het principe dat een gepaste vorm of houding het mogelijk maakt in een bepaald milieu te gedijen, werd geïllustreerd en gefundeerd met het verhaal van Poe. En opvallend genoeg: ook het beginsel dat Verstegen in het boekje nog het meest wilde uitwerken, dat van de vormbepaling onder invloed van een milieu, heeft een literaire oorsprong, namelijk een bundel teksten van Nathalie Sarraute: Tropismen uit 1938. De metafoor, die bij Sarraute verwijst naar een vereenzelviging van haar personages met planten, waarvan het groeigedrag wordt bepaald door uitwendige prikkels, fungeert voor Verstegen weerom als een vrijgeleide voor het postuleren van de universele geldigheid van de tropistische groeiprincipes.

Het formaat van de Archisartikels was nog enigszins in overeenstemming met het vederlichte van al deze poëtische gedachtesprongen. Maar de boekvorm van de Fascinaties-reeks veronderstelt een systematisch opgebouwd essay, en dat is de doodsteek voor de capriolen van Verstegen. Noch de uitweiding over verschillende vormen van tropismen in planten- en dierenwereld, gebaseerd op vooroorlogse biologische literatuur en geïllustreerd met een aantal hippe microscoopbeelden, noch de verwijzing naar de catastrofetheorie van René Thom, met afbeeldingen van diens vloeibare morfogenetische modellen, kunnen de beoogde indruk van wetenschappelijke consistentie afdwingen. De algehele (inter)disciplinaire verwarring zorgt er bovendien voor dat de enkele mooie momenten van onversneden vitalisme – die Verstegen met veel zorg puurt uit de reeds vermelde Poe, of uit teksten van Melville en zelfs Hölderlin – verloren gaan in een eendimensionaal verhaal dat van metaforen meteen harde waarheden wil maken.

 

• Tropismen. Metaforische animatie en architectuur van Ton Verstegen werd in 2001 uitgegeven door NAi Uitgevers, Mauritsweg 23, 3012 JR Rotterdam (010/201.01.32). ISBN 90-5662-205-6.