Sven Lütticken

DE WITTE RAAF

Editie 93 september-oktober 2001

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Technoromanticism/Techgnosis

In de beeldende kunst is het één en ander veranderd sinds Kandinsky’s Über das Geistige in der Kunst: romantisch-idealistisch-theosofische verhalen over de rol van kunst in de spirituele evolutie zijn danig uit de mode geraakt. Geheel anders liggen de zaken in de wereld van de informatietechnologie, waar in het voetspoor van McLuhan vertellingen over een komend digitaal Gouden Tijdperk van vergeestelijking en harmonie enorme opgang hebben gemaakt. Over dergelijke ‘grote verhalen’ gaat Richard Coyne’s boek Technoromanticism. Coyne geeft in feite niet zoveel concrete voorbeelden van het technoromantisch vertoog; hij duikt vrijwel meteen de geschiedenis in. Hij stelt dat digitale vertellingen in de traditie van de romantiek staan, en langs die weg in neoplatoons vaarwater zitten. Ook de technoromantische verhalen streven immers naar het ontstijgen aan de verbrokkelde, veelvoudige materiële wereld teneinde op te gaan in een spirituele, vergeestelijkte realiteit. Coyne gaat vervolgens op zoek naar intellectueel wapentuig dat tegen de technoromantiek in stelling kan worden gebracht. Helaas neemt dit de vorm aan van droge inventarisaties van historische denkers die met steeds weer dezelfde zinswendingen aan elkaar zijn genaaid; Coyne schrijft even meeslepend als een advocatencollectief, en structureert zijn boek als een onzekere student. In het begin wordt braaf opgesomd welke hoofdstukken met welke inhoud allemaal gaan komen, en als slot volgt een summary. Het is verbazingwekkend dat de MIT Press een boek in deze vorm uitbrengt (kampte men met een redacteurenstaking?) en het is des te spijtiger omdat Coyne wel degelijk belangwekkende zaken te melden heeft.

Het ligt voor de hand om Coynes boek te vergelijken met het een jaar eerder verschenen Techgnosis van Erik Davis. Ook Techgnosis gaat over de zweverige kant van de informatietechnologie, en in tegenstelling tot Coyne schetst Davis werkelijk een panorama van deze cultuur en haar wortels. Daarbij plaatst hij andere accenten dan Coyne: hij heeft weinig tot geen aandacht voor de historische verhalen die in het voetspoor van romantiek en idealisme rond de digitale technologieën worden gesponnen, maar richt zich op de erfenis van westerse esoterie en gnosis. Met de oude hermetici en gnostici hebben de hedendaagse ‘techgnostics’ een verlangen naar transcendentie gemeen: ze willen aan het aardse tranendal ontstijgen en getuigen daarmee net als hun voorgangers van een “hard-core Platonism that amplified the otherworldiness of the old Greek metaphysician into a severe dualism that pitted the spirit against flesh and the world”. Tegenwoordig wordt de digitale technologie voor het karretje van dat wereldbeeld gespannen: de wens van artificiële intelligentiepionier Marvin Minsky om zijn hersens te downloaden en aldus – verlost van zijn ellendige lichaam – onsterfelijk te worden, is slechts één illustratie van deze tendens. Davis besteedt ook aandacht aan eerdere fusies van esoterie en technologie, met name aan de negentiende-eeuwse romantische projecties op magnetisme en elektriciteit. Via McLuhans idee van de terugkeer naar primitieve oraliteit door de moderne media (met als resultaat het romantische beeld van een ‘global village’) komt Davis uit bij verschijnselen als het UFO-geloof en de door Star Trek beïnvloede sekte Heaven’s Gate, waarvan de leden zich collectief van kant maakten om via een ruimteschip – dat zich in het voetspoor van de komeet Hale-Bopp zou bevinden – naar de sterren te kunnen reizen. Davis reduceert zulke zaken niet tot lachwekkende curiositeiten, maar analyseert ze als ernstige symptomen. Hetgeen niet wegneemt dat hij ze met veel schwung en ook veel ironie beschrijft; in tegenstelling tot Coyne heeft Davis met overduidelijk plezier achter de computer gezeten. Het is moeilijk om niet van een auteur te houden die Hermes Trismegistos omschrijft als “one of the great matinee idols of esoteric lore” of – minder frivool en zeer raak – Scientology als “the world’s first corporate cybernetic mystery cult”.

Davis bekritiseert de technognostici door te stellen dat technologie een ‘trickster’ is, die nooit de magische wensvervulling kan garanderen die de gnostici ervan verwachten: ‘onze’ machines leggen ons keer op keer weer in de luren door ons met onverwachte consequenties te confronteren.

Coyne gaat in zijn poging om de uitgangspunten van de technoromantiek te weerleggen te rade bij een hele rits auteurs, van Freud en Heidegger tot Barthes en Lévi-Strauss; met het genoemde, dor opsommerige resultaat. Hij ontwaart bij diverse auteurs meer gesofisticeerde versies van het romantische verhaal van ‘eenheid en veelheid’ (de chaotische ‘veelvuldigheid’ van de materiële wereld moet volgens de romantici worden overwonnen ten gunste van een hogere eenheid) en vraagt zich af in hoeverre uit dergelijke reflexieve ‘postmetafysische verhalen’ argumenten voor de bekritisering van de technoromantiek te winnen zijn. Het is uiteindelijk Lacan – aangevuld met Deleuze en een snufje Zizek – die het vruchtbaarst blijkt, omdat Lacans concept van le réel impliceert dat dit ‘reële’ nooit gepresenteerd kan worden. Aangezien le réel een soort residu is dat aan de symbolische orde onstnapt, en alleen als breuk of als vlek in die orde zichtbaar is, kunnen we het niet bezitten of controleren. De technoromantiek gaat er vanuit dat er een hogere, transcendentale werkelijkheid is, een vergeestelijkte werkelijkheid, maar dat is een symbolische, ideologische constructie die buiten beschouwing laat dat er altijd iets is dat we niet kunnen bezitten – le réel, dat zich onttrekt aan de symbolische réalité, de consensuswerkelijkheid. Als onze machines ons in de luren leggen en ons technognostische of technoromantische wereldbeeld frusteren, zijn ze dus de instrumenten van het reële.

 

• Richard Coyne, Technoromanticism. Digital Narrative, Holism, and the Romance of the Real werd in 1999 uitgegeven door MIT Press, Cambridge, Masschusetts/London. Adres: Fitzroy House, 11 Chenies Street, London WC1E 7EY (0171/306.06.03). ISBN 0-262-03260-0.

• Erik Davis, Techgnosis. Myth, Magic + Mysticism in the Age of Information werd in 1998 uitgegeven door Three Rivers Press, 201 East 50th street, New York 10022. ISBN 0-609-80474-X.