Sven Lütticken

DE WITTE RAAF

Editie 96 maart-april 2002

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Minimal

Nederlandse musea voor moderne kunst zijn erg bedreven in het doen vervagen van de grens tussen volwaardige tentoonstellingen en presentaties van de eigen collectie. Slechts weinig musea tonen permanent een adequate selectie van hun verzameling, en als ze weer eens een deelpresentatie van de verzameling maken, verkopen ze het geheel – soms met wat bruiklenen erbij – al snel als een sensationele tentoonstelling. De expositie Minimal in het Gemeentemuseum Den Haag hoort thuis in dat genre: volgens de ondertitel is dit een ‘Hommage aan Enno Develing’, de voormalige conservator van het Gemeentemuseum die hier al in 1968 minimal art tentoonstelde. Maar waarom heeft men de eigen collectiestukken dan aangevuld met werken uit een Belgische privé-verzameling? Kennelijk moest het toch meer zijn dan een collectiepresentatie. Het resultaat is vlees noch vis. Op zichzelf is het aardig dat het Gemeentemuseum werken uit dit deel van haar verzameling toont, want ze zijn de afgelopen jaren, tijdens het directoraat van Hans Locher, weinig te zien geweest. Locher gijzelde dit instituut met zijn benepen visie op het museumgebouw van Berlage: minimal art kon volgens hem, net als videokunst en installaties, niet adequaat in het Gemeentemuseum worden gepresenteerd. Op slinkse wijze ontdeed de mentaal verstarde Locher zich zo van de verplichting om aandacht te besteden aan naoorlogse kunst – op zijn vreemde privé-canon van Nederlandse kunstenaars na. Locher liet zelfs de vier muurschilderingen – van onder andere LeWitt en Förg – die onder zijn voorganger Rudi Fuchs in de trappenhuizen waren aangebracht, verwijderen, om het vereerde gebouw van Berlage nóg zuiverder aanwezig te stellen. Wim van Krimpen heeft de muurschilderingen recent weer laten aanbrengen.

Terecht, maar helaas heeft Van Krimpen ook de grootste verworvenheid van Lochers bewind overboord gegooid: de vaste presentatie van negentiende-eeuwse en vroegtwintigste-eeuwse moderne kunst, van Courbet tot Mondriaan en het constructivisme. Het conservatieve karakter van deze presentatie, die heel rechtlijnig van realisme via impressionisme en postimpressionisme naar de abstracte kunst liep, werd goedgemaakt door de grote kwaliteit van de werken en de zorgvuldigheid van de inrichting – en niet in de laatste plaats door het feit dat men er in Den Haag, in tegenstelling tot andere Nederlandse musea, zeker van kon zijn dat bepaalde werken uit dit segment van de verzameling altijd op zaal hingen. Het was evident dat de nieuwe directeur dit gemummificeerde museum weer een actievere rol moest geven, maar dat had ook naast en in dialoog met de vaste opstelling gekund, in een samenspel van vastheid en beweging. Nu is het weer een typisch Nederlandse rommelboel geworden, waarbij de bezoeker nooit weet welk deel van de unieke Mondriaancollectie op zaal zal hangen, en in wat voor omstandigheden. In het geval van de Minimal-tentoonstelling is een deel (!) van de Mondriaancollectie gecombineerd met werk van Judd en Andre – nauwelijks een waardig substituut voor de oude opstelling, die als geen ander toeliet om Mondriaans ontwikkeling te bestuderen.

Het werk van minimalisten als LeWitt, Judd en Andre wordt verder nog gecombineerd met Fabro, Mucha, Förg en (veel te veel) Toroni. Natuurlijk is een categorie als ‘minimal art’ beperkt, en hoeft men zich daarbij niet tot een kleine canon te beperken; kunstenaars zoals Smithson of Graham, die in de marges van het minimalisme de minimalistische vormen op hun historische en sociale connotaties onderzochten, zijn niet minder ‘essentieel’ dan Judd of LeWitt. In het Gemeentemuseum is van een kritische reflectie op de categorie ‘minimal’ echter geen sprake. Men liet gewoon elke zin voor nuancering varen om, volgens louter formele criteria, ‘minimale kunst’ als core business van het museum te poneren. Dat marketinglieden en subsidiegevers een helder profiel verlangen is één ding, maar kan het ook minder infantiel?

Onderdeel van de tentoonstelling is een zaal rond de figuur van Enno Develing. De tentoonstelling zou het startsein zijn voor “een onderzoek naar de rol die het Gemeentemuseum heeft gespeeld bij de doorbraak van de Minimal Art”. Maar ondanks de nadruk op de ‘pioniersjaren’, ligt de benadering van Minimal eerder in het verlengde van de jaren tachtig, toen medewerkers van het Gemeentemuseum (waaronder de na jarenlange afwezigheid teruggekeerde Develing) behalve minimalistisch werk ook veel van de andere nu getoonde kunstwerken aankochten. Terwijl de minimal art voor Develing in de late jaren zestig ook sociale en politieke implicaties had, werd zij in de jaren tachtig meer gezien als een stilistische aangelegenheid, waardoor ze probleemloos naast andere ‘geometrische kunst’ kon worden gezet. Het Gemeentemuseum is, wat de minimal art betreft, kennelijk in die esthetiserende fase blijven steken.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Sol LeWitt zo nadrukkelijk present is. Naast de onder Van Krimpen herstelde, grijszwarte wall drawing zijn ook een aantal nieuwe kakelbonte wall drawings te zien, en staat op de binnenplaats een sculptuur – een pilaar op een kruisvormige ‘sokkel’ van vier liggende pilaren, uitgevoerd in de voor het Gemeentemuseum kenmerkende gele baksteen. Het radicale van LeWitts conceptuele benadering, die inhoudt dat eender wie zijn werk kan uitvoeren, heeft niet zozeer geleid tot de afschaffing van de status van kunst als handelswaar, als wel tot het succes van LeWitt als corporate artist, die de hele wereld bezaait met in toenemende mate behaagzieke werken. Deze interessante ontwikkeling zegt veel over de algemene ontwikkeling van de kunst in de afgelopen decennia, maar LeWitt drijft simpelweg in deze tendens mee in plaats van haar, zoals Daniel Buren, tegelijkertijd te affirmeren en te ondervragen. Buren en jongere kunstenaars als Tobias Rehberger zouden in deze fase interessant kunnen zijn voor het Gemeentemuseum – met deze oeuvres zou men de teken-wording en het afglijden naar decoratie van de minimal art (en andere stromingen) kunnen ondervragen. Dat zou een meer reflexieve houding ten opzichte van het eigen verleden kunnen stimuleren. Maar misschien klinkt dat erg ambitieus voor een museum dat met een haastige en halfbakken tentoonstelling als Minimal op de proppen komt.

 

• Minimal tot 31 maart in het Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41, 2517 HV Den Haag (070/338.11.11; www.gemeentemuseum.nl).