Steven Jacobs

DE WITTE RAAF

Editie 96 maart-april 2002

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Andreas Gursky

Parijs is deze maanden voor de liefhebbers van architectuur- en stadsfotografie een waar festijn. Het Maison européenne de la photographie wijdde een tentoonstelling aan de Mission héliographique, zowat de eerste belangrijke overheidsopdracht die aan fotografen werd toegekend: in 1851 werden Baldus, Bayard, Le Secq, Le Gray en Mestral op pad gestuurd om het Franse bouwkundig erfgoed te fotograferen. In de Fondation Cartier eindigde zopas de retrospectieve van William Eggleston, die vanaf de late jaren ’60 Amerika’s suburbia exploreerde, in een beeldtaal die niet alleen doet denken aan Walker Evans, maar ook aan New Topographers als Robert Adams of Stephen Shore, en die bijwijlen zelfs David Lynch aankondigt – vooral in de manier waarop deze laatste het bizarre in de suburbane banaliteit weet bloot te leggen.

Tenslotte pakt het Centre Pompidou momenteel uit met een tentoonstelling van de Duitse fotograaf Andreas Gursky (°1955), een van de fotografen uit de zogenaamde Becher-Schule. In de loop van de jaren ’80 ontwikkelde ook Gursky een belangstelling voor de achterkant van het verstedelijkte landschap. Hij fotografeerde een voetbalterrein achter een huizenrij, kijklustigen aan het hek van een vliegveld, vissers en wandelaars langs de oever van de door betonnen bruggen overspannen Ruhr, enzovoort. Zijn benadering verschilt echter fundamenteel van Egglestons idiosyncratische visie. De foto’s van Gursky zijn fletser, ze staan dichter bij de documentaire aspiraties van de meeste fotografen van de Mission héliographique. Ze vertonen bovendien een ruimtelijke en psychologische afstandelijkheid die ook kenmerkend is voor de meeste andere leerlingen van Bernd en Hilla Becher – zoals Axel Hütte, Thomas Struth, Thomas Ruff of Candida Höfer.

In Parijs zijn enkele van Gursky’s werken uit de jaren ’80 te zien, maar de tentoonstelling wordt veruit gedomineerd door de foto’s op groot formaat uit de late jaren tachtig en de jaren negentig. Met deze beelden heeft Gursky zich tot dé fotograaf opgewerkt die het epitheton peintre de la vie postmoderne verdient. Gursky behandelt niet alleen thema’s die ook in hedendaagse stedenbouwkundige theorieën centraal staan, zijn foto’s illustreren ook de belangrijkste sociologische en politicologische analyses van de globalisering (zie mijn tekst in De Witte Raaf nr. 81, september-oktober 1999). Zijn global city is een ruimte, gevuld met monoculturele kantoorwijken, die volledig in de ban is van de infrastructuur en de mobiliteit. Verder fotografeert Gursky de knooppunten van de huidige geglobaliseerde economie – beurzen, hoogtechnologische bedrijven, luchthavens, hotellobby’s en, in een van de recentste werken op de tentoonstelling, internationale topconferenties. Hij brengt ook nieuwe vormen van massarecreatie (popconcerten of technofuiven) in beeld, en waar hij sublieme landschappen fotografeert, blijken die bij nader inzien al in beslag genomen door het toerisme. De grootsheid van de natuur is al door de mens getemd: een kabellift, een skiwedstrijd, een eindeloze rij langlaufers of overal verspreide bergwandelaars bevolken het woeste landschap.

Sinds enkele jaren maakt Gursky gebruik van digitale beeldbewerkingstechnieken. Soms doet hij dat om het beeld te abstraheren, door het bijvoorbeeld uit te vlakken, met als gevolg dat de foto (mede door het grote formaat) aan de traditie van de modernistische schilderkunst refereert. Overigens, alleen al de bijna duizelingwekkende all over structure van de krioelende mensenmassa’s in zijn foto’s herinnert aan Pollock. In andere gevallen – en de laatste tijd steeds meer – zet Gursky deze manipulatietechnieken in om de architecturale of stedelijke ruimte te transformeren. In de foto’s van door John Portman ontworpen atriums visualiseert Gursky de ersatzstedelijkheid van het atrium treffend met de digitale technieken die het onderscheid tussen realiteit en simulacrum laten vervagen. Gursky is niet geïnteresseerd in de illusionistische (of vervalsende) mogelijkheden van de beeldmanipulatie op zich. De sporen van de digitale beeldbewerking zijn in sommige foto’s immers duidelijk zichtbaar. Nadat we de blik minutenlang over de talloze details laten glijden, zien we plots dat bepaalde figuurtjes worden herhaald, of dat ze niet eens volledig zijn afgebeeld, en dat er lichaamsdelen verdwenen zijn. Het schetsmatige van deze fotografie is niet te zien vanop afstand, en ook niet merkbaar op reproducties in boeken. Eén recent werk vormt een uitzondering. In Conseil d’administration (2001), een beeld waarvoor Gursky financiers en topindustriëlen in conferentiezalen tussen berglandschappen en bedrijfslogo’s heeft gemonteerd, is de samenstelling van het geheel nadrukkelijk heterogeen.

Afgezien van de fysieke impact van deze reusachtige beelden, maakt ook het plezier van de details deze tentoonstelling tot een belevenis. Is Gursky dan niet te megalomaan en te aanmatigend, te nadrukkelijk, te weinig subtiel en te macho? Misschien wel, maar breedsprakerig is hij in ieder geval nooit. Zijn foto’s zijn geen luidkeelse aanklacht, en evenmin trivialiseren, celebreren of esthetiseren ze de hedendaagse conditie. Alles wordt streng beteugeld door een technische perfectie en een meesterlijke vormbeheersing.

 

• Andreas Gursky nog tot 29 april in het Centre National d’art et de culture Georges Pompidou, Place Georges Pompidou, 75004 Parijs (01/44.78.12.33).