Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 96 maart-april 2002

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Fonds National d'Art Contemporain

Het Fonds National d’Art Contemporain (FNAC) is de belangrijkste verzamelaar van hedendaagse kunst van Frankrijk. In tegenstelling tot de vierentwintig FRACs (Fonds Regional d’Art Contemporain), die in de Franse hedendaagse kunst en ook daarbuiten een belangrijke plaats innemen, is de FNAC minder aanwezig op de hedendaagse kunstscène. Met de benoeming van Claude Allemand-Cosneau als nieuwe directeur is daar nu verandering in gekomen. De eerste resultaten van haar plannen om de collectie beter te ontsluiten, zijn een tentoonstelling in het Musée de Grenoble en de publicatie van een keuze van tweehonderd werken uit de aankopen van de laatste vijftien jaar.

Zoals de naam zegt, is een fonds geen klassieke museumverzameling maar een kapitaal, een soort waarborg voor de kunstproductie. Dat impliceert een vrij eclectische verzameling, die alle stromingen aan bod wil laten komen. De werken uit het fonds worden zoveel mogelijk ter beschikking gesteld van musea, instellingen, administraties en tentoonstellingen.

Het nationale fonds ontstond in de nadagen van de Franse revolutie. Het werd in 1791 opgericht om jonge kunstenaars aan te moedigen. Tot de belangrijkste 19de-eeuwse aanwinsten behoren Le Voeu de Louis XIII (1824) van Ingres, een opdracht van de FNAC bestemd voor de kathedraal van Montauban, en Courbets Un après-diner à Ornans (1848) dat gekocht werd voor het Musée de Lille. Maar ook moderne werken uit het Centre Pompidou, zoals La Blouse romaine en La Tristesse du roi van Matisse, behoren in feite tot de FNAC-collectie. Vandaag houdt de FNAC zich nog steeds bezig met het steunen van jonge kunstenaars en het verwerven van een patrimonium. De meeste jonge Franse kunstenaars verkopen hier hun eerste werk. Het grote voordeel van de FNAC is dat men niet verplicht is om, zoals een museum, een gerichte aankooppolitiek te ontwikkelen. Het gebrek aan coherentie geeft een grote vrijheid.

De regionale fondsen voor hedendaagse kunst ontstonden in het begin van de jaren tachtig onder cultuurminister Jack Lang. In het kader van de decentralisatie werden de regio’s aangemoedigd om, naar het voorbeeld van het nationale fonds, ook hedendaagse kunst te kopen. Dit gebeurde met belangrijke financiële tussenkomsten van de nationale overheid. Was de FNAC echter alleen verantwoordelijk voor het verwerven van patrimonium, dan kregen de FRACs een veel ruimere opdracht. Frankrijk had een achterstand in te halen, enerzijds op Duitsland en Nederland, waar musea al lang recente kunst aankochten, en anderzijds op landen als België en Zwitserland, waar sinds jaren belangrijke privé-verzamelingen bestonden. De FRACs moesten zorgen voor een inhaalbeweging. De bedoeling was dan ook dat hun werken zeer regelmatig en op verschillende plaatsen zouden worden getoond, niet zozeer in musea, maar op plaatsen met een ‘lage drempel’ zoals scholen, hospitalen of culturele centra. Uiteraard moesten die presentaties pedagogisch begeleid worden.

Twintig jaar na hun ontstaan zien we dat de meeste FRACs zijn uitgegroeid tot belangwekkende museumcollecties, zodat zich op het vlak van conservatie en presentatie ook een museale benadering opdringt. Veel werken zijn inmiddels historisch, en dus niet meer representatief voor de hedendaagse kunst. Ze kunnen ook in materieel opzicht – omdat ze te duur of te kwetsbaar zijn geworden – minder vlot tot bij het publiek worden gebracht.

Over de toekomst van de FRACs is er geen eensgezindheid. Over hun nut en bestaansreden is men het echter roerend eens. Sinds het ontstaan van de FRACs hebben meer mensen de weg naar de hedendaagse kunst gevonden. Ook de belangstelling voor het verzamelen is duidelijk toegenomen. Men kan de resultaten dus niet alleen cultureel, maar ook economisch evalueren. Gezien het grote succes van de regionale fondsen wil men deze criteria nu ook op het nationale fonds gaan toepassen. De FNAC moet veel recenter werk aankopen, zijn collectie meer ter beschikking stellen van het publiek en deze presentaties pedagogisch begeleiden.

De tentoonstelling in het Musée de Grenoble geeft een goed idee van de kwaliteit van de verzameling. Zo bezit de FNAC enkele exemplarische werken die deel uitmaken van het collectieve geheugen van de hedendaagse kunst, zoals de opgezette struisvogel met zijn kop in de grond van Maurizio Cattelan (1997), de versmalde Citroën DS van Gabriel Orozco uit 1993, het ensemble van de Walt Disney Productions (1984) van Bertrand Lavier, de Cono (1986) van Mario Merz uit de Magiciens de la terre-tentoonstelling of de Rotozaza 1 (1967) van Jean Tinguely. Naast het aankopen van recente werken tracht de FNAC ook historische gaten te vullen. Enkele voorbeelden uit de tentoonstelling zijn Wolken van Gerhard Richter uit 1968 (gekocht in 1991), een werk van Robert Morris uit 1968-72 (gekocht in 1989) of de reeds genoemde stukken van Tinguely (gekocht in 1988) en Mario Merz (gekocht in 1999).

Dat voor deze presentatie het Musée de Grenoble werd uitgekozen, wijst op de pioniersrol die de FNAC opnieuw wil gaan spelen. Het Musée de Grenoble besteedde als eerste Frans museum, reeds vanaf 1920, aandacht aan de moderne kunst. Van in het begin kon het ook beroep doen op permanente bruiklenen uit het nationale fonds, getuige La Danse (1929) van Fernand Léger dat zich sinds 1935 in het museum bevindt.

De selectie voor deze tentoonstelling, een honderdtal werken waarvan de helft op papier, werd nog gemaakt door Serge Lemoine, die recent tot directeur van het Musée d’Orsay werd benoemd. De presentatie weerspiegelt zijn uitgesproken voorkeur voor de formele aspecten van de kunst, zoals die in de geometrische abstractie van de jaren twintig, waarvan dit museum een belangrijke verzameling bezit, tot uiting komt. Uitlopers hiervan vinden we bij kunstenaars als Carl Andre (Flanders Fields, 1978), Donald Judd, Helmut Federle, François Morellet, Adrian Schiess, Michel Verjux of Didier Vermeiren.

Minder fraai is dat dit formalisme ook op de presentatie wordt toegepast. Het leidt tot pijnlijke confrontaties, bijvoorbeeld tussen La Robe de mariée van Marie-Ange Guilleminot en een altaar van Christian Boltanski: de trouwjurk van Guilleminot doet hier meer denken aan een lijkwade. Het Air Bed van Rachel Whiteread wordt verpletterd door een vreselijke Compression plate van César, nota bene uit 1995.

Het nadeel van dergelijke non-museale verzamelingen is dat niemand echt vertrouwd is met de werken. Dat leidt soms tot verkeerde interpretaties, zoals bij Light Sentence (1992) van Mona Hatoum. Doordat de ruimte onvoldoende verduisterd is, wordt dit werk herleid tot zijn materiële aspect, terwijl alleen al de titel duidelijk maakt dat het gaat om het spel van licht en schaduw. De sokkel onder de struisvogel van Cattelan verleent zijn werk een objectkarakter, zodat de betekenis ervan totaal verloren gaat. De virtuele expansie van een viltsculptuur van Robert Morris wordt verhinderd doordat ze netjes ingepast werd tussen de muur en een in de vloer verwerkte verluchtingsrooster.

Eerder dit jaar verscheen een bloemlezing uit de aankopen van de laatste vijftien jaar. De publicatie leert ons dat de FNAC momenteel over zeventigduizend werken beschikt. ‘Slechts’ achttienduizend daarvan bevinden zich in de reserves op La Défence. De drie commissies – een voor plastische kunsten, een voor fotografie (bedoeld wordt de klassieke fotografie, la photographie plasticienne valt onder de plastische kunsten) en een voor design – kopen jaarlijks met een budget van ongeveer 3 miljoen euro tussen de zevenhonderd en duizend werken aan.

Ondanks de mooie keuze Amerikaanse kunst die er in Grenoble te zien is, en die kan worden aangevuld met belangrijke werken van James Lee Byars, Felix Gonzalez-Torres, Robert Gober, Richard Artschwager, Robert Irwin, On Kawara of Bruce Nauman, blijft de FNAC hoofdzakelijk een Europese collectie.

Opvallend in Grenoble is de totale afwezigheid van de videokunst, terwijl die in de collectie met werk van Absalon, Joël Bartolomeo, Claude Closky, Gary Hill, Bill Viola, Rodney Graham, Thomas Hirschhorn, Paul McCarthy, Michael Curran, Jana Sterbak, Pierrick Sorin, Thierry Kuntzel, Doug Aitken, Pierre Huyghe, Rineke Dijkstra en Pipilotti Rist vrij goed vertegenwoordigd is.

Een van de belangrijkste werken uit het fonds is ongetwijfeld het Auditorium van Franz West, de 72 zitbanken die op de negende documenta dienst deden als openluchtbioscoop. Een werk dat als herinnering aan de Documenta van Jan Hoet beter in het SMAK had gestaan dan in de reserves van de FNAC.

 

• L’Art d’aujourd’hui. Un choix dans la collection du Fonds National d’Art Contemporain loopt tot 28 april in het Musée de Grenoble, 5 Place de Lavalette, 38000 Grenoble. Het contactadres van de FNAC: 70 voie des Sculpteurs, 92000 Puteaux (01/46.93.02.50).

• Art contemporain. Un choix de 200 oeuvres du fonds national d’art contemporain (1985-1999) werd in 2001 uitgegeven door Editions du Chêne, Hachette Livre, 43 quai de Grenelle, 75015 Parijs (01/43.92.30.00). ISBN 2.84277.337.3.