Petra Brouwer

DE WITTE RAAF

Editie 96 maart-april 2002

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De grote projecten

Sinds de jaren vijftig is in Nederland gestaag gewerkt aan een nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. De fysieke consequenties van de bevolkingsgroei, van de snel toenemende welvaart en mobiliteit, en de veranderingen in economische sectoren zoals industrie en landbouw, werden telkens bestudeerd en zo mogelijk bijgestuurd. De Nota’s voor de Ruimtelijke Ordening – de Vijfde is inmiddels bijna gereed – hebben concepten geïntroduceerd als het ‘groene hart’, ‘groeikernen’ of ‘VINEX’, die deel uitmaken van het dagelijkse vocabulaire van landschapsontwerpers en stedenbouwkundigen. In de concrete verschijningsvorm van de ruimtelijke ingrepen was de overheid minder geïnteresseerd, totdat in 1991 de nota Ruimte voor Architectuur verscheen. De huidige iconen van het Nederlandse ‘architectuurklimaat’, zoals het Stimuleringsfonds voor Architectuur, het NAi, het Berlage Instituut en de lokale architectuurcentra, werden destijds uitgedacht. Zij moeten door tentoonstellingen, onderzoek, debat en voorbeeldprojecten de architectonische kwaliteit verbeteren.

In oktober 2000 verscheen alweer de derde architectuurnota, Ontwerpen aan Nederland. Architectuurbeleid 2001-2004, waarvan de concrete beleidsbeslissingen nu tentoongesteld worden in de grote zaal van het Nederlands Architectuurinstituut. Het lijkt een weinig spannend onderwerp voor een tentoonstelling, maar niets is minder waar. Het is opvallend hoe ongebroken het vertrouwen is in de sturende hand van de overheid, ook al wordt de huidige tijd gekarakteriseerd als uiterst dynamisch en onvoorspelbaar, en wordt er veel invloed toegekend aan de marktpartijen. Uitgerekend op het moment dat ruimtelijke processen uiterst complex zijn geworden, vanwege het aantal meebeslissende partijen en de vele onzekere factoren, schuift de overheid het concrete en gedetailleerde ontwerp naar voren als baken en houvast. Speerpunt van de nota Ontwerpen aan Nederland zijn dan ook tien zogenaamde Grote Projecten: Deltametropool; de reconstructie van de zandgebieden in Brabant, Limburg, Gelderland en Twente; Rijksweg A12; de Zuiderzeespoorlijn; het stimuleren van particulier opdrachtgeverschap in de woningbouw; de nieuwbouw voor de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek en de Rijksdienst voor Monumentenzorg; de verbouw van het Rijksmuseum; openbare ruimte; de Nieuwe Hollandse Waterlinie en, tot slot, bedrijventerreinen.

De aard van de opgave en de mate van uitwerking verschillen per project. In het geval van het Rijksmuseum betreft het een verbouwing en uitbreiding van een van de belangrijkste monumenten van Nederland. Het meest prangende vraagstuk is hoe het eisenprogramma van het moderne museum zich verhoudt tot de monumentale waarde van het negentiende-eeuwse gebouw. Op de tentoonstelling zijn de ontwerpen voor de ver- en nieuwbouw te zien van het bureau Cruz & Ortiz, evenals de oorspronkelijke presentatietekeningen van P.J.H. Cuypers en foto’s van de eerdere grootscheepse verbouwing in de jaren 1946-1957 onder leiding van F.A. Eschauzier. Het project A12 is van een heel andere orde. De bedoeling is hier dat de rijksweg tussen Den Haag en de Duitse grens (aangelegd tussen 1932 en 1965) weer een samenhangend beeld krijgt. De route van 137 kilometer bevat acht knooppunten, dertig afslagen en evenveel verschillende ontwerpoplossingen hiervoor. De bonte verzameling van geluidsschermen, borden, vangrails en belichtingsarmatuur maken het geheel er niet overzichtelijker op. Drie ontwerpers en een kunstenaar moeten een visie ontwikkelen voor een totaalontwerp, waardoor de automobilist de weg weer als een eenheid beleeft. Op groot doek is de route te zien, gefilmd vanuit de auto. Een topografische kaart maakt het mogelijk de weg tot in detail te volgen. Foto’s uit 1966 tonen hoe de A12 er destijds uitzag: het lijkt een andere weg. Juist zo’n contrast maakt duidelijk hoezeer een snelweg een ontwerpopgave is, een vraagstuk van compositie en materialisering. Alleen al het vervangen van betonplaten door asfalt geeft de weg een volledig ander aanzien.

De ambitie van de tentoonstelling om het overheidsbeleid ten aanzien van de Grote Projecten duidelijk te maken en ze tevens in historisch perspectief te plaatsen, is meer dan geslaagd. De confrontatie tussen het moderne en het historische materiaal verheldert de eigentijdse opgave. Net zoals de simpele vergelijking tussen het programma van het Rijksmuseum in de negentiende eeuw, en dat voor 2010: 250.000 bezoekers per jaar tegenover anderhalf tot twee miljoen, 1750 schilderijen tegenover 5.500, zes toiletten tegenover tachtig, tien vierkante meter museumwinkel tegenover 350. De eis dat de verbouwing het gebouw van Cuypers zoveel mogelijk moet respecteren en versterken, krijgt zo veel meer gewicht en inhoud. Het concept van de Deltametropool, waarbij het gebied tussen Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht, Amersfoort en Almere als één samenhangend stedelijk landschap wordt beschouwd, wint aan vanzelfsprekendheid en urgentie wanneer men de indrukwekkende voorgeschiedenis van tientallen publicaties overloopt die vanaf 1941 over dit onderwerp zijn verschenen. Al die kaftjes op een rij maken in een oogopslag de permanente preoccupatie duidelijk met het dichtbevolkte westen des lands. Te zien is een gedetailleerd landschapsplan (1958-1974) dat het bureau Wissing maakte voor het poldergebied tussen Delft en Rotterdam, met recreatieve fietsroutes, botenverhuur, een evenemententerrein en wandelbos. Het heeft niets aan actualiteit verloren. En het spookbeeld waar het project van de Deltametropool tegen vecht, bestond ook al bij architecten die een eeuw geleden actief waren. H.Th. Wijdeveld schetste in vijf etappes hoe de Randstad in 2100 een volledig aaneengegroeid en vastgelopen stedelijk gebied zou zijn geworden, waar elke snipper groen verdwenen was.

Het is spijtig dat het weldoordachte plan van de tentoonstelling zich met moeite laat ontdekken door het ingewikkelde parcours en de slordige presentatie. Bij binnenkomst wordt de bezoeker te woord gestaan door alle ministers en staatssecretarissen van de verschillende beleidsterreinen – Verkeer en Waterstaat (V&W), Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM), Landbouw, Natuur en Visserij (LNV), Economische Zaken (EZ) en Cultuur – waaronder telkens een of meerdere projecten vallen. Maar de monitoren zijn zo opgesteld dat hun toelichtingen opgaan in één onverstaanbare kakofonie.

De tien projecten worden gepresenteerd op een golvende, steeds verspringende wand, die een aantal kleinere ruimtes omsluit waarin de historische plannen zich bevinden. Het is een ware uitdaging om uit te vinden welk materiaal bij welk project hoort, waarbij de bezoekers elkaar in de weg lopen in de nauwe passages. Alleen diegenen die ook de andere tentoonstelling bezoeken en naar de tweede verdieping gaan, zullen achter de logica van deze opstelling komen: de telkens verspringende tentoonstellingswand blijkt de contour te zijn van Nederland, en met enige goede wil reconstrueerde ik dat de tien projecten ook min of meer op de geografische locatie tentoongesteld waren. Van bovenaf ziet het er prachtig uit en op papier was dit vormgevingsconcept ongetwijfeld spannend en ingenieus. Maar dat is niet het standpunt van de bezoeker. Hopelijk vergaat het de tien Grote Projecten anders, en wordt Nederland niet vanuit het perspectief van de droomwolk geordend, maar vanuit het asfalt, de betontegels, de parkeerplaatsen, de zandgrond, de zompige weiden, de dijken, het spoor.

 

• De Grote Projecten. Nederlands architectuurbeleid in perspectief is nog te zien tot en met 21 april 2002. Nederlands Architectuurinstituut, Museumpark 25, 3015 CB Rotterdam (010/440.12.00). Parallel aan de tentoonstelling vindt een reeks debatten plaats over het architectuurbeleid. Voor meer informatie zie www.nai.nl.