Pascal Gielen

DE WITTE RAAF

Editie 96 maart-april 2002

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

The Art Judgement Show

Het Brusselse beeldende kunstcentrum Roomade werkt met kunstenaars, filosofen en andere intellectuelen aan projecten die nauwelijks te commercialiseren of te ‘musealiseren’ zijn. De nadruk ligt telkens op elementen van het artistieke of wetenschappelijke traject, die minder makkelijk binnen de structuren van de actuele kunstwereld passen. Meestal worden vrij bekende mensen uitgenodigd – zoals Matt Mullican, Bruce Mau, Bruno Latour, Chantal Mouffe… – maar Roomade tracht in het dominante publieke beeld van deze figuren steeds een lichte verschuiving aan te brengen.

The Art Judgement Show, een heuse televisie talkshow met niemand minder dan Boris Groys als gastheer, past duidelijk binnen die opzet. De Duitse filosoof, die onder meer bekendheid verwierf met boeken over kunst en stalinisme, culturele economie en met bijdragen in Parkett, Artforum, Art in America en dit blad, verlaat zijn academische positie van lesgever en schrijver om een debat op de beeldbuis aan te gaan. Op het eerste zicht doet dat denken aan wat de onlangs overleden Franse cultuursocioloog Pierre Bourdieu met zijn exposé Sur la télévision (1996) voor de camera’s van de Franse publieke omroep deed; maar daarmee houdt iedere overeenkomst op. Bourdieu hield immers, onder strikte condities, een beschouwende monoloog over de problematiek van de (televisie)journalistiek. Groys daarentegen verlaat de klassieke format van het academische betoog en de positie van de ‘lesgever-weter’ om zich in de risicovolle omgeving van de conversatie te begeven. Naar eigen zeggen plaatst hij zich daarmee in de filosofische traditie van Socrates, die ervan uitgaat dat de filosoof wijsheid niet bezit maar enkel van anderen kan krijgen. Zo probeert professor Groys zich voor even te onttrekken aan de positie van de sofist – die zich voor zijn wijsheid laat betalen. Hij waagt zich daarvoor zelfs in de agora van deze tijd, de televisie. In een aardig decor, een salon met tafeltje en bloemenboeket, voor een diepblauwe achtergrond waarin de titel The Art Judgement Show oplicht, speelt Groys gastheer. Een selectie van zes studenten uit de Hochschule für Gestaltung van Karlsruhe en de École Régionale des Beaux-Arts van Nantes onderwerpt hij aan de niet mis te verstane vraag: why art?

De conversaties uit de talkshow werden, samen met enkele castinginterviews en meer beschouwende teksten van Barbara Vanderlinden, Zdenka Badovinac en Boris Groys, in gedrukte vorm uitgegeven. Het boek bevat ook stills, die een indruk geven van de show, en foto’s van een Archive of Personal Belongings. Voor de samenstelling van dit ‘archief’ had Groys de geïnterviewde studenten gevraagd om een beeld of een object mee te brengen dat hun keuze voor een artistieke carrière had bepaald. Samen met de projectie van de film werd dit archief in september en oktober 2001 in de ruimte van Roomade tentoongesteld.

Why art? De antwoorden op deze schijnbaar eenvoudige vraag zijn ontstellend, zeker als je weet dat ze afkomstig zijn van een bende jonge (enthousiaste?) kunstliefhebbers en toekomstige kunstenaars. In de ogen van deze mensen is de toverformule ‘dit is een kunstwerk’ per definitie een ongegrond waardeoordeel, dat alleen maar wordt ingezet om dingen te verkopen. Kunst is niets meer dan een marktstrategie, luidt het verdict van de studenten.

Zoveel cynisme had Groys niet verwacht, en hij concludeert onder meer dat sociologische theorieën à la Pierre Bourdieu hun sporen hebben nagelaten in het kunstmilieu. Dominante beschouwingen van wetenschappers en theoretici over de kunstwereld zijn inderdaad op twintig jaar tijd tot heersende zelfobservaties in de kunstwereld uitgegroeid. Sociale netwerken, instituties en de markt duiken in de interviews voortdurend als zondebokken op. Vluchtwegen zien de studenten maar weinig. Toch lijken mij er twee interessant. Een eerste ontsnappingsroute vinden de studenten in de traagheid waarmee het artistieke zich ontwikkelt en laat kennen. Een van de geïnterviewde studenten, Kristofer Paetau, stelt het zo: “Art can never be big business and art can never be on the top level of technology. We’re always running behind and we try to catch up but we can never manage it. Why do we try to run after something? We can slowly walk our own way, which is more interesting.”

Een tweede vluchtweg bestaat erin de kunstwereld, zoals die vandaag functioneert, volledig te ontkennen. Internet wordt omarmd als het medium om aan de institutionele context te ontsnappen. Blijft natuurlijk de vraag of de kunstenaar van zijn artistieke bezigheden kan leven.

Zowel in het afgedrukte gesprek van de talkshow als in de individuele castinginterviews komen geregeld interessante thema’s aan bod. Ze worden echter zelden uitgediept. De lezer blijft dus een beetje op zijn honger – ook dat is eigen aan het televisiemedium. Conversaties zijn nu eenmaal vluchtig en hoogst beweeglijk. Het boek vangt dit ten dele op met een algemene beschouwende tekst van Groys over kunst in de eeuw van de democratie. Hier ruilt de filosoof de rol van Socrates weer in voor die van de sofist. Tegelijk kantelt de logica van de televisie in die van het boek. Groys houdt een fors betoog waarin hij het pluralisme van het museum als een vertaling opvat van de (politieke) democratie. Sterker nog: musea zijn alles opslorpende representatiemachines die het gebrek aan representatie binnen onze parlementaire democratie te allen prijze willen compenseren. In een tweede betooglijn spreekt Groys zich uit over de vernieuwingsmoraal van de avant-garde en het doorbreken van artistieke taboes. Hij ontmaskert die principes als typisch voor de institutionele logica van de expansie. Ook de avant-garde staat ten dienste van het museaal pluralisme. Conclusie: de grens tussen politieke – Groys bedoelt misschien ‘politiek correcte’ – en artistieke logica’s lijkt bijzonder broos.

In Art in the Age of Democracy ontwikkelt de filosoof enkele interessante en provocatieve gedachten. Hier ontmoeten we weer de Groys die we van zijn geschriften kennen. Spijtig genoeg komt hij niet meer terug op de aanzetten die de gesprekken met de studenten hadden opgeleverd. Wat kan het internet bijvoorbeeld betekenen in een museale, pluralistische, democratische context? Hoe kan de kunstenaar weerstand bieden tegen het cynisme van de kunstwereld? En heeft Groys een wezenlijk alternatief voor de allesoverheersende invloed van Bourdieu? Niet dat ik onmiddellijk heldere antwoorden of oplossingen verwachtte – maar toch wel enige repliek. Bovendien kwam de rol van de politieke democratie in de talkshow en de interviews nauwelijks aan bod. Waarom dan, in het verlengde daarvan, Groys’ tekst over kunst en politiek?

De breuk tussen conversatie en monoloog wordt ook gesymboliseerd door de laatste videostill van de talkshow (pp. 62-63). De filosoof Groys zit nu niet meer in het salon, te midden van zijn studenten, hij staat recht. Terwijl de nog zittende geïnterviewden in een blauwe mist verdwijnen, schijnt op Groys een helder studiolicht. De – letterlijk – verlichte filosoof staat boven zijn discipelen, die zich duidelijk in een troebele toestand bevinden. De denker lijkt zich te onttrekken aan de beweeglijkheid en de onvoorspelbare uitkomst van het vraaggesprek om, na gewonnen inzichten, zijn eigen discours weer aan te scherpen.

De democratie van de dialoog is functioneel om een polymorfe wereld te begrijpen. Wie echter een stelling met enige helderheid en kracht wil poneren, behelpt zich beter met de dictatuur van de monoloog. Ook Boris Groys lijkt dat te beseffen. Waarschijnlijk kruipt hij daarom terug in zijn vertrouwde sofistenrol. Zolang de format een boek is, hoeft Groys zich geen zorgen te maken: voor deze sofisterij betalen we graag.

 

• Boris Groys, The Art Judgement Show (red. Barbara Vanderlinden) werd in 2001 uitgegeven door Roomade, Koopliedenstraat 60-62, Brussel (02/223.26.73; www.roomade.org). ISBN 90-71122-01-8.