Geert Bekaert

DE WITTE RAAF

Editie 96 maart-april 2002

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Mies in Amerika

De zwijgzame Mies van der Rohe blijft architecten, theoretici en critici op een geheel eigen wijze beroeren, anders dan Wright, Le Corbusier of Gropius, met wie hij vaak in één adem wordt genoemd als protagonist van de moderne architectuur. Dat ligt niet aan zijn persoon, noch aan zijn ideeën, maar aan zijn werk, dat al even weinig spraakzaam is als hijzelf. Ook zijn zeldzame en veelvuldig aangehaalde uitspraken krijgen hun gewicht alleen door de (al dan niet uitgevoerde) ontwerpen. Nochtans heeft Mies niet aan de zijlijn gestaan. Hij was nauw betrokken bij de drukte rond het ontstaan van een moderne architectuur in Berlijn, begin twintigste eeuw, en toen het Bauhaus al aan het instorten was, ondernam hij zelfs nog een reddingspoging door de directie ervan op zich te nemen. Maar zijn engagement resulteerde nooit in de wens om zich met een of andere strekking te verbinden. Mies was en bleef zijn eigen strekking.

In Mies van der Rohe. Das Kunstlose Wort. Gedanken zur Baukunst (1986), een bloemlezing uit Mies’ geschriften verschenen naar aanleiding van zijn honderdste geboortedag, beschrijft Fritz Neumeyer in het kort de receptie van Mies in de geschiedschrijving van de moderne architectuur. Hij laat zien hoe omstreden de architect was. In tegenstelling tot Gropius of Le Corbusier, werd aan Mies geen enkele geschiedenis opgehangen.

In datzelfde jaar verschenen ook Mies Reconsidered (redactie John Zukowsky) en Mies van der Rohe. Critical Essays (redactie Franz Schulze), de eerste pogingen tot kritische evaluatie van de man die doorging voor de extreme incarnatie van alles wat in het modernisme verkeerd was gelopen.

In het boek Mies van der Rohe in America zet Phyllis Lambert, leerlinge van Mies en oprichtster van het Canadian Centre for Architecture, deze kritische traditie voort, samen met een aantal andere auteurs, maar dan in een nieuwe en onafhankelijke richting – als het ware van binnenuit, los van het gezichtspunt van de modernistische architectuurgeschiedschrijving en -kritiek. Het monumentale boek verscheen parallel met het al even imposante Mies in Berlin onder redactie van Terence Riley en Barry Bergdoll. Titel én formaat suggereren een samenhang. Er zijn blijkbaar ook onderlinge afspraken gemaakt, want in Mies van der Rohe in America ontbreekt bijvoorbeeld een bibliografie die in Mies in Berlin wel voorkomt. Beide boeken verschenen naar aanleiding van twee gelijknamige tentoonstellingen in New York, de eerste in het Whitney Museum of American Art, de tweede in het Museum of Modern Art, waar het archief van Mies van der Rohe wordt bewaard. Op die tentoonstellingen – die ook nog elders te zien waren en zullen zijn – werd vooral oorspronkelijk en vaak onbekend materiaal uit het atelier van Mies getoond. Alleen al de omvang van dat materiaal was een reden om 2001 tot het jaar van Mies uit te roepen; maar dat geldt nog veel meer voor de theoretische bijdragen die er, zeker in Mies van der Rohe in America, op gericht zijn om met dat materiaal de betekenis van Mies anno 2001 te duiden.

De titel is even fictief als zinvol. Het oeuvre van Mies kan, hoezeer het ook is geëvolueerd, niet worden opgesplitst. Men kan over Mies in Amerika niet spreken zonder ook Mies in Berlijn erbij te betrekken. Mies verandert niet als hij naar Amerika trekt. Hij blijft zich, zelfs heel bewust, als Duitser en Europeaan gedragen. Philip Johnson beweerde ooit dat emigreren voor Mies onmogelijk was. Eén van de bijdragen beschrijft hoe hij zich in zijn eigen Amerikaanse interieur bleef omringen met Europese kunst (Klee, Kandinsky, Schwitters). Maar omgekeerd was Amerika ook al expliciet aanwezig in zijn Berlijnse periode. Het begrip Amerika is, sinds Loos in 1893 naar de VS trok, niet meer weg te denken uit de geschiedenis van de moderne architectuur. Amerika was ook voor Mies het symbool van de moderne beschaving, waaraan een actuele architectuur gestalte en uitdrukking moest geven. Zijn ontwerpen voor glazen wolkenkrabbers in Berlijn uit de jaren 1919 tot 1921 getuigen hiervan. Het kan dan ook niet verbazen dat in Mies van der Rohe in America de hele loopbaan van Mies ter sprake komt.

De rangschikking van de essays suggereert een chronologische opbouw, maar alle bijdragen willen in de eerste plaats afrekenen met de clichés die Mies’ imago bepalen. Ze doen dat door een grondige analyse van het werk zelf, in een poging om de actualiteit ervan te funderen. Het indringende essay van Werner Oechslin is op dit vlak exemplarisch. Zijn voorstelling van de Berlijnse jaren draagt de lange titel “Not from an aestheticizing, but from a general cultural point of view.” Mies’s Steady Resistance to Formalism and Determination: A Plea for Value-Criteria in Architecture. Dit pleidooi voor waardecriteria in architectuur vormt overigens een rode draad in het hele boek. Een tijdgenoot van Mies, Justus Bier, noemde het Barcelonapaviljoen van Mies uit 1929 “ruimte in zichzelf, architectuur als een vrije kunst, de uitdrukking van een geestelijke betrokkenheid” en hij sprak over “een zuivere toon”, “een begin dat tegelijkertijd een verwante traditie opneemt”. Dat zijn de thema’s van Oechslin. “Mies blijkt vanaf het begin”, stelt Oechslin, “voorkeur te hebben gegeven aan universele principes, los van alle contemporaine beschouwingen over afhankelijkheid of afleiding.” Wat helemaal niet wil zeggen dat hij een ‘eeuwige architectuur’ voorstond. De universele principes moeten zich telkens opnieuw in nieuwe vormen realiseren, vormen die niet op zich worden nagestreefd, maar het resultaat zijn van het verantwoorde bouwen zelf. “We kennen geen vorm-, alleen bouwproblemen”, zegt hij. “Er bestaat geen vorm op zich. De vorm is niet het doel, maar het resultaat van het bouwen.” De principes die hij zijn leven lang zal blijven herhalen, lagen in wezen al in zijn Berlijnse periode vast.

De toespitsing op het bouwen betekent niet, zoals vaak werd aangenomen, dat een omgang met de actuele stad uitgesloten is. “Er zijn in feite geen steden meer”, zegt Mies, “het gaat in zijn werk zoals een bos.” De oude stad, de geplande stad, ze behoren volgens hem tot het verleden, en we doen er dus goed aan na te denken over “de middelen die ons ter beschikking staan om te leven in een jungle”. Die visie op de actuele stad bepaalt Mies’ denken over stad en architectuur. Het gebouw vindt geen plaats meer in de stad. Het moet zelf, als een zelfstandige grootheid, zijn plaats bepalen. Deze opvatting over het gebouw is een perfecte transpositie van de plaats die het individu, die Mies zelf, in de maatschappij van vandaag inneemt. Hij is voor dit inzicht schatplichtig aan de cultuurfilosoof en theoloog Romano Guardini die, samen met de architect en theoreticus Rudolf Schwartz, tot de intimi van Mies behoorde; veel van zijn ideeën heeft hij aan hen te danken.

Het verdwijnen van de stad leidt bij Mies niet tot nostalgische overwegingen. De nieuwe situatie inspireert hem om op een volstrekt onsentimentele wijze uitdrukking te geven aan de spirituele krachten die in de nieuwe maatschappij sluimeren. “Ik ben geen hervormer”, zegt hij van zichzelf. “Ik heb geen behoefte om de wereld te veranderen. Ik wil hem uitdrukken.” En elders: “Deze wereld en geen andere staat ons ter beschikking. Hierin moeten we onze positie bepalen.”

Het essay van Oechslin is, zoals alle overige in het boek, rijk geïllustreerd met zeldzame documenten. De daaropvolgende bijdrage van Vivian Endicott Barnett over The Architect as Art Collector is van een heel andere, haast boekhoudkundige aard, maar werpt een bijzonder licht op de verhouding van Mies tot de kunst. Zowel in Berlijn als in Amerika kon hij vele kunstenaars tot zijn vrienden rekenen. Maar voor zijn eigen omgeving was hij erg selectief. Klee en Schwitters komen op de eerste plaats. Zijn artistieke voorkeuren komen overigens ook naar voren in zijn vele collages, zoals die van Een Museum voor een kleine stad, waarin hij haast altijd kunstwerken integreerde.

Cammie McAtee gebruikt het eerste verblijf van Mies in Amerika, in 1937, om na te gaan hoe ‘Amerikanen’ over hem dachten. Ze citeert Alfred Barr die Mies “de beste architect […] van de naoorlogse periode” noemt en hem in staat acht om “een belangrijke bijdrage te leveren aan de Amerikaanse cultuur, zoals Arturo Toscanini, Alexis Carrel of Albert Einstein”. Tegenstemmen vroegen zich dan weer af waarop Mies’ faam steunde, “hij die weinig had gebouwd, nog minder had gezegd en helemaal niets had geschreven”. De bijdrage van McAtee gaat echter veel verder dan deze anekdotiek. Ze bespreekt de eerste werken van Mies in Amerika, waarin deze zich aan zijn faam niets gelegen liet liggen, maar gewoon de bouwer en denker was zoals weleer – de bouwer van het Resorhuis (Jackson Hole, Wyoming, 1937) en de auteur van het programma voor de architectenopleiding aan het Armour Institute of Technology (AIT) – het latere Illinois Institute of Technology (IIT) – in Chicago, een van de basisteksten van Mies. Hoewel hijzelf geen woord Engels sprak, ontwikkelde hij zich in enkele maanden “van de positie van waarnemer tot die van een actieve voorvechter voor een architectuur als expressie van de technische beschaving”.

Op die grond bouwt Phyllis Lambert verder aan haar nauwgezette historische reconstructie van het werk en vooral van het atelier van Mies. Als studente, medewerkster en opdrachtgeefster van Mies is zij bijzonder goed geplaatst. Haar bijdrage Mies Immersion vormt letterlijk de kern van het boek. Alle thema’s komen er samen. In verschillende hoofdstukken heeft ze het over de ontwikkeling van de taal van Mies, over de verhouding van ruimte tot structuur, over het ontstaan van de twee grondtypes van het nieuwe ruimtebegrip, zoals onder meer uitgewerkt in het Farnsworth House, de hallengebouwen op de IIT-campus, de Neue Nationalgalerie in Berlijn en de torengebouwen in Chicago, New York en Toronto. Haar aandacht gaat echter vooral uit naar de ontwerpmethoden van Mies en naar zijn houding ten overstaan van medewerkers en opdrachtgevers. Ook zij citeert overvloedig uit de spaarzame geschriften van Mies. De tekst is rijk geïllustreerd, overwegend met schetsen, maquettes en fotocollages, aangevuld door een actuele fotoreportage van Guido Guidi en Richard Pare.

Hoezeer deze bijdragen ook verrassen door hun originele standpunten, hun vernieuwende inzichten en hun ruime documentatie, toch zijn de laatste essays niet het minst belangwekkend. Ze gaan in op Mies’ urbanistische en planologische opvattingen, het meest verwaarloosde aspect in zijn benadering. Detlef Mertins speurt naar de achtergrond van Mies’ opvatting over ‘organische architectuur’. De eerste zin van Mies’ IIT-programma luidde: “The goal of an Architecture School is to train men who can create organic architecture.” Het ‘organische’ verwijst naar de manier waarop vormen ontstaan in de natuur. Mies was bekend met de vele publicaties daarover, zoals Francé’s Die Pflanze als Erfinder (1920), Thompsons On Growth and Form (1942) en vooral Blossfeldts Art Forms in Nature (1929). Mies’ uitspraak “I do not design. I develop” is een rechtstreekse weergave van die invloed. Zijn opvattingen over architectuur blijven echter niet beperkt tot het gebouw zelf. Dat gebouw staat, zoals gezegd, in functie van een nieuwe visie op de stad, een stad evenwel die geen globale planning meer verdraagt – in tegenstelling tot die van Ludwig Hilberseimer bijvoorbeeld, zijn naaste medewerker inzake stedenbouw. Zoals Hays in zijn essay stelt, gaat het bij Mies om zijn vermogen “een afwezige totaliteit te figureren”. Sarah Whiting analyseert in haar essay Bas-Relief Urbanism: Chicago’s Figured Field Mies’ lay-out van de IIT-campus, en gaat daarbij dieper in op de rol die de architectuur in de stad kan spelen. Ze verzet zich tegen de opvatting dat Mies zijn project als een autonoom geheel zou hebben opgevat, zonder rekening te houden met de stedelijke omgeving. Ze laat op een overtuigende wijze zien dat het voorstel van Mies een nieuwe aanpak inhield voor de hele sector van de stad, waarvan echter weinig terechtgekomen is.

De actualiteit van Mies, die voortdurend op de achtergrond in het boek aanwezig is, wordt expliciet aan de orde gesteld in de laatste drie bijdragen van K. Michael Hays, Peter Eisenman en Rem Koolhaas. Hays wil laten zien dat bij Mies de idee van “[…] negatie – de constructie van een architecturale propositie die weerstand biedt of een breuk vertoont met de werkelijke situatie die haar heeft laten ontstaan – meer is dan een nee zeggen, maar eerder een afstandelijke en demystificerende operatie, en dat de totaliserende aanpak van Mies niet de projectie is van een normatieve totaliteit […] maar eerder een inherent onstabiele, decentrerende en evoluerende praktijk, die daarom niet minder utopisch is. […] De interpretatie van een ingreep in een gegeven realiteit veronderstelt niet het uitschakelen van die realiteit, zowel fysisch als conceptueel, maar eerder de constructie van de vraag en van de begrippen om die realiteit te transformeren in een specifieke toekomst.” In zijn studie verwijst Hays naar Eisenman en Koolhaas, die beide een ontwerp hebben gemaakt voor de Student Center Competition van de IIT. Aansluitend bij Hays noemt Eisenman zijn bijdrage Figuring the Absence. In een notitie vooraf stelt hij dat zijn tekst niet begrepen kan worden zonder zijn project, maar van dat project is verbazend genoeg geen spoor te bekennen. Hij stelt dat Mies’ IIT-plan “een autonomie van het beeld voorstelt, dat de zin van de polis vergeten is”. “Als het plan iets betekent, is het de leegte als een manifestatie van het negatieve, van een gemis; het suggereert de onmogelijkheid van een connectie met het oude.” Positief uitgedrukt “impliceert het een antiklassiek, anti-idealistisch, antiprogressief utopisch project in strijd met de hoofdbeginselen van de modernistische revolte”. In Miestakes doet Rem Koolhaas in de vorm van een beeldverhaal verslag van de heibel die is ontstaan rond zijn bekroond ontwerp voor het Student Center. Er zitten prachtige oneliners tussen zoals “De IIT-campus is een meesterwerk dat onzichtbaar is voor het hedendaagse oog” en “I do not respect Mies, I love Mies.”

Het boek Mies van der Rohe in America levert niet alleen een bijzonder boeiend en levendig beeld op van het werk van Mies, maar stelt door dit werk heen ook de actualiteit van de architectuur en stedenbouw aan de orde. De verschillende bijdragen zijn niet echt op elkaar afgestemd, maar vertonen wel een merkwaardig parallellisme in de interpretatie, wat vermoedelijk te danken is aan de inspirerende redactrice Phyllis Lambert. Het is een onmisbaar boek.

 

• Mies van der Rohe in America (red. Phyllis Lambert) werd in 2001 uitgegeven door het Canadian Centre for Architecture (Montréal), het Whitney Museum of American Art (New York) en Hatje Cantz (Senefelderstrasse 12, 73760 Ostfildern/Ruit, 0711/44.05.0, www.hatjecantz.de). ISBN 0-8109-6728-6. De tentoonstelling Mies in Berlin is van 30 juli tot 29 september nog te zien in Fondacion La Caixa te Barcelona.