Dries Vande Velde

DE WITTE RAAF

Editie 100 november-december 2002

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Universo Gaudí

Wellicht is Antoni Gaudí (1852-1926) de meest bekende en tegelijk de meest miskende architect van de voorbije eeuw, afhankelijk van het publiek dat aangesproken wordt. Voor de duizenden toeristen die jaarlijks Barcelona en omgeving aflopen om er zijn architectuur te bezoeken is er waarschijnlijk geen andere architect die zo herkenbaar samenvalt met zijn stijl en zijn stad. ‘Gaudí’ is een waarmerk voor vreemde parabolische constructies, voor een diepe religieus-nationalistische symboliek en vooral voor een uiterst aaibare decoratie-architectuur. Kortom, Gaudí is een bevlogen genie in de romantische zin van het woord. Voor het grote publiek is de Catalaan zonder twijfel de meest bekende bouwmeester van de twintigste eeuw en het vroege modernisme.

Volgens de architectuurgeschiedschrijving daarentegen behoort de man niet eens tot die twintigste eeuw. Bovendien lijken de belangrijkste thema’s van het modernisme – zoals de pure ruimtewerking, de soberheid, het sociale engagement – in zijn oeuvre te ontbreken. Maar wellicht stuit vooral de combinatie van hysterie en genie de rigoureuze architectuurhistorici tegen de borst – precies de eigenschappen dus die Gaudí zo interessant maken voor het grote publiek. Toen Barcelona het jaar 2002 – het jaar waarin Gaudí 150 zou geworden zijn – uitkoos als officieel herdenkingsjaar van de architect, vormde dit in feite de gelegenheid om de discrepantie tussen beide visies af te wegen.

Eén van de centrale tentoonstellingen van dit herdenkingsjaar, momenteel te zien in het kunstencentrum Reina Sofia in Madrid, draagt de ambitieuze titel Universo Gaudí. Het “universum” van de expositie krijgt vorm vanuit drie verschillende perspectieven. Las cosas vistas toont het laatromantische culturele klimaat waarin Gaudí opgevoed werd. Er liggen afbeeldingen van de slagroomarchitectuur van de 19de-eeuwse wereldtentoonstellingen, er weerklinken concepten als het Wagneriaanse Gesamtkunstwerk, en er hangen tekeningen van Gaudí toen hij nog studeerde aan de plaatselijke ‘Beaux Arts’ school. Het tweede onderdeel – el Taller – wil via een verzameling objecten en afbeeldingen het atelier van de architect tonen, en dan vooral de manier waarop deze werkplaats Gaudí’s visie op architectuur weergeeft. Er zijn welgeteld twee architectuurtekeningen en drie studiemodellen van de architect zelf te zien. Voor de rest wordt het atelier uitgebeeld door beeldjes van Rodin, foto’s van gekruisigde mannen en andere attributen voor vormstudies van het menselijke lichaam. De tentoonstelling eindigt vervolgens met La Fortuna, wat vrij vertaald zoveel betekent als de nalatenschap. Die erfenis blijkt al net zo breed als de culturele invloeden op Gaudí: rationalisten, surrealisten, expressionisten en symbolisten vonden allemaal op de een of andere manier een kiem in het universum dat Gaudí gecreëerd had. Bovendien toont het hoofdstuk over die erfenis ook de geleidelijke canonisering – middels verschillende grote overzichtstentoonstellingen en ‘odes’ – van de aanvankelijk onbegrepen architect.

Na het doorlopen van de verzameling prentjes die Gaudí’s universum uitbeelden is de boodschap duidelijk: hier was geen dorre bouwmeester aan het werk, maar een waar Schepper. Het opgeroepen universum gaat volledig verloren in de eindeloze reeks anekdotes die het mythische beeld van de architect nu al jaren stofferen. De verschillende – en onderling tegenstrijdige – percepties van Gaudí worden gerecycleerd, moeiteloos door elkaar gehaald en vermengd met het waarmerk ‘Gaudí’. Het ontgaat de tentoonstellingsmakers volledig dat de Gaudí waarnaar Le Corbusier zogezegd zou hebben verwezen in zijn Maison Jaoul – “zie de golvende dakgewelven” – compleet verschilt van de religieuze hermeticus Gaudí, of de Gaudí die wereldtentoonstellingen bezocht. In plaats van al die beeldvorming van zich af te schudden en zich te concentreren op het werk van de man, tracht de tentoonstelling amechtig de hele personenconstellatie samen te houden. En natuurlijk kon dat alleen in een ‘Universum’, het enige formaat dat wijd genoeg was om alles te bevatten. Universo Gaudí overstijgt de gangbare visies op de architect niet, maar beperkt er zich toe de platgetreden paden nog eens te asfalteren: weer eens het rariteitenkabinet annex atelier van de bejaarde Gaudí bij de Sagrada Familia. En niet het ontwerpproces van bijvoorbeeld Palau Guell, één van de beste modernistische stadswoningen.

Zelfs binnen het gekozen uitgangspunt – de persoon vóór het oeuvre – blijft de tentoonstelling hopeloos vaag. Dat komt nog het best tot uiting in de kleine zaal die de relatie van het surrealisme met Gaudí belicht. Als er één kunstenaar is geweest die zich werkelijk aangetrokken voelde tot de hysterisch-geniale figuur van de architect, dan was het wel de Catalaanse schilder Salvador Dalí. Los van Gaudí’s eigen achtergronden thematiseerde Dalí de figuur van Gaudí als creator. Hij zag hem als de schepper van een eigen universum met eigen motieven, eigen perspectieven en eigen finaliteiten: letterlijk een surrealistisch universum. Op het moment dat Dalí wordt opgevoerd in de tentoonstelling krijgt dit persoonlijke discours rond Gaudí slechts twee schilderijen toegewezen. De beide werkjes (el Angelus en el gran mastubador) zijn bovendien zo onbeduidend voor de relatie Dalí-Gaudí dat er net zo goed een Magritte had kunnen hangen.

 

• Universo Gaudí is nog te zien tot 6 januari in het Museo Nacional Centro de Arte Reina Sofia, Santa Isabel 52, 28012 Madrid (091/467.50. 62; www.museoreinasofia.mcu.es).