Ole Frahm, Friedrich Tietjen

DE WITTE RAAF

Editie 102 maart-april 2003

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Kleine theorie van de zak

“NIETS in het leven gaat zonder verpakking. Te vroeg geboren baby’s belanden in de couveuse, doden in de kist of in de bodybag. In deze tijd van het jaar worden kinderen aangemaand: ‘Pak je maar warm in! Het is koud buiten.’ De auto is een blikken doos die ons van de ene verpakking naar de andere transporteert. Die omhulsels beschermen tenminste nog tegen de ongemakken van de omgeving. Die FUNCTIE is bij de koopwaar in de supermarkt zo goed als verdwenen. De verpakking is een OPROEP tot het GEBRUIKEN van het verpakte. Ze dringt aan op haar eigen VERNIETIGING.” [1]

Zelfs wie de drastische toon van deze anonieme auteurs niet wil delen, moet toegeven dat ze het inhoudelijk bij het rechte eind hebben. Niets in het leven gaat nog zonder verpakking, toch niet in de consumptiemaatschappij, en ook nauwelijks in de rest van de wereld. De verpakking is alomtegenwoordig, proteïsch zijn haar vormen en gedaanten: ze omhult bloemen, speelgoed, bier, cement, marmelade, machines, kortom zo goed als elke koopwaar die je maar kunt bedenken. Als je de oorsprong van de verpakking in de handel onderzoekt, blijkt dat ze ook in het begin al veel meer deed dan efficiënt te beschermen tegen beschadiging of het transport te vergemakkelijken: zegels en loodjes moesten al in de antieke tijd de herkomst van de koopwaar garanderen, terwijl stempels op de verpakkingen verwezen naar hun producent en daarmee meteen ook naar hun hoedanigheid als waar. Dat de verpakking die eigenschappen niet is kwijtgeraakt, zoals elk bezoek aan de supermarkt bewijst, blijkt ook uit de groeiende interesse voor haar eindfase. Vernietigd en verbruikt wordt de verpakking als afval opnieuw koopwaar die tussen verschillende recyclagebedrijven wordt verhandeld, teneinde als secundaire grondstof weer in de kringloop van de koopwaar te worden opgenomen, om in verbrandingsinstallaties warmte en min of meer gevaarlijke gassen te produceren of – over de hele wereld geëxporteerd – om weg te rotten op vuilnisbelten.

Niets in het leven gaat dus zonder verpakking – en, zo kun je daaraan toevoegen, weinig in het leven gaat zonder plastic zakken. Net zoals kartonnen dozen, cellofaanzakjes, blikjes en PET-flessen verpakken plastic zakken onze consumptiebehoeften, maar toch horen ze niet zomaar in dat rijtje thuis. Dat heeft te maken met hun dubbele functie: ze functioneren tegelijk als verpakking zonder koopwaar en als verpakking van om het even welke koopwaar; als draagtas markeren ze de intrede in de wereld van de consumptie, die ze vaak als afvalzak weer verlaten. Meer nog, als de consument naar huis gaat, verwezenlijkt de plastic zak een gebruikswaarde, niet alleen voor de consument, maar vooral ook voor de handelaar: bedrukte plastic zakken maken reclame voor het shoppen en voor winkels – van de platenwinkel tot de supermarktketen. En ten derde: als object van de massacultuur worden plastic zakken op velerlei manieren gerecycleerd: klanten, daklozen, verzamelaars en criminelen hebben er een reeks toepassingen voor bedacht die de makers zelf nooit hadden kunnen bevroeden. In deze tekst willen we die drie momenten, gebruiksmogelijkheden en recyclages van de plastic zak nader toelichten.

Als efemeer gebruiksvoorwerp is de plastic zak vluchtig en duurzaam, opvallend en terloops, doelmatig en vervreemdbaar, nuttig en gevaarlijk. Daarin lijkt hij op de mode, waarvan Walter Benjamin de voorspellende eigenschappen beklemtoonde: “Het vurigste belang van de mode ligt voor de filosoof in haar buitengewone anticipaties… Elk nieuw seizoen verbergt in zijn nieuwste creaties geheime vlagsignalen van wat komen gaat. Wie in staat zou zijn om ze te lezen, zou niet alleen vooraf op de hoogte zijn van nieuwe kunststromingen, maar ook van nieuwe wetboeken, oorlogen en revoluties.” [2] Een kleine lectuur van de plastic zak, een theoretische definitie van dat object als figuur van de warenesthetica maar ook daarbuiten, zal wel niet de maatschappelijke orde van de toekomst kunnen voorspellen, maar ze kan ons wel de ogen helpen openen voor de oppervlakkige modaliteiten van de alledaagse wereld, waardoor die wereld misschien inherente mogelijkheden tot verandering van maatschappelijke verhoudingen kan onthullen.

 

Figuren van de warenesthetica – gebruiksmogelijkheden van de plastic zak

 

Verpakking

Wie met plastic zakken is opgegroeid, gebruikt ze als een vanzelfsprekend onderdeel van de maatschappelijke natuur. Aan kennis en trucjes valt er overigens niet zo heel veel te leren: dat de knisperende, transparante zakjes van de afdeling groenten en fruit niet stevig genoeg zijn om zware flessen en potten te transporteren; dat ze een zwaardere last kunnen dragen als je twee plastic zakjes over elkaar heen gebruikt; dat ze aan geen enkele supermarktkassa ooit uitverkocht zijn, zodat je tijdens de openingsuren om het even wanneer boodschappen kunt doen, onvoorbereid en spontaan, zonder je zorgen te hoeven maken over het transport. Alleen de geldbuidel, hun grimmige tegenhanger (want ook geld is koopwaar die verpakt moet worden), beperkt wat en hoeveel je kunt kopen en in draagtassen naar huis kunt dragen. Het assortiment van de supermarkt biedt daarbij een bijna onbeperkt aantal variaties: het komt maar zelden voor dat twee klanten precies hetzelfde hebben gekocht. De transportband bij de kassa is de catwalk waarop de consumenten hun nieuwste collecties aan elkaar en aan de caissières laten zien. Wanneer ze na het vrije nummer van het kiezen en het verplichte nummer van de betaling de winkel verlaten, dragen ze plastic zakken mee die nauwelijks van elkaar verschillen: de uitstulpingen en de plooien in de zak en het volume verraden weinig van de inhoud; wat hun uiterlijke vorm, het materiaal en de opdruk betreft, lijken twee plastic zakken op elkaar als twee druppels water.

De verpakking is een integraal bestanddeel van de waar, maar ze is bijkomstig en kan worden verwijderd: enerzijds verhindert ze de consumptie, maar anderzijds maakt ze die juist mogelijk. Pas wanneer je de verpakking openmaakt en dus vernietigt, krijg je toegang tot het verpakte product. [3] De verpakking kan haar inhoud en de gebruikswaarde ervan op verschillende manieren communiceren – niet alleen door hem af te beelden: “verpakking begoochelt en ontgoochelt. ze bevat iets anders dan wat ze belooft. uit het conservenblikje valt een gelatineachtige cilinder van sardines en hart, niet de koddige kat die zich op de wikkel uitrekt; maar wie had zoiets ook verwacht. in de door reclame en tekens geproduceerde anti-alledaagsheid speelt de verpakking met elke consument een spel. gestileerd presenteert ze hem elke koopwaar als iets wat onontbeerlijk is voor zijn individuele geluk. iedereen beseft de onzin van deze geluksbelofte; wat gekocht wordt, is niet de vervulling, maar de smaak van het geluk.” [4] Met andere woorden: de gebruikswaarde die de verpakking belooft, hoeft niet direct in verband te staan met de concrete gebruikswaarde, wat ook voor de productie van belang is: “De productie van elke waar is tweeledig: eerst wordt de gebruikswaarde gepresenteerd, en vervolgens ook – als een extraatje – de verschijningsvorm van die gebruikswaarde.” [5] In het kader van een warenesthetica moet die verschijningsvorm nader worden bepaald.

 

Belofte

Dat koopwaar en verpakking uit elkaar vallen, verklaart ook iets anders: je treft de plastic zak weliswaar als verpakking zonder specifieke waar aan, maar hij maakt zo goed als nooit reclame voor zijn eigen gebruikswaarde of voor die van afzonderlijke producten: hij maakt reclame voor een merknaam. Doordat hij niet iets bijzonders maar iets algemeens verpakt, doet hij een tweeledige utopische ruimte ontstaan. Enerzijds loopt zijn contingente, telkens weer verschillende inhoud vooruit op de mogelijkheid dat de verpakking wordt gerecycleerd, productief voor iets anders wordt gebruikt; anderzijds bevat elke gevulde boodschappentas potentieel alle mogelijke waren en hun gebruikswaarden. Deze utopie tref je als belofte aan op een plastic zak van eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Ze toont een vriendelijk lachende figuur, die de detailhandelsketen waarvoor de zak reclame maakt metaforisch toont als “Uw grote vriend”. De figuur toont met de ene hand een wereldbol, waarop de producten van de diverse regio’s staan, en met de andere hand biedt ze ons die overvloed aan: ooit kon je de wereld spreekwoordelijk in een notendop vatten, nu kun je ze in een plastic zak stoppen. De afbeelding op de zak belooft de hele wereld aan de hele wereld: “Een gelijkenis voor de alledaagsheid van de utopie?” [6] Belangrijk is in dit verband ook het materiaal. De ingeburgerde benaming ‘plastic zak’ laat zien dat niet de concrete grondstof polyethyleen wordt waargenomen, maar een hele groep van materialen die bekend staan als kunststof en die sinds het eind van de negentiende eeuw in diverse varianten worden verwerkt, en op z’n laatst sinds de jaren vijftig voor alle mogelijke toepassingen worden gebruikt. [7] Met name in West-Duitsland stuitte die universaliteit niet alleen op het enthousiasme van het vooruitgangsgeloof, maar ook op veel scepticisme. Zo ging de architect Hans Schwippert, in die tijd bekend als voorzitter van de Werkbund en als de ontwerper van Konrad Adenauers bureau, uit van de gedachte dat je het karakter van materialen kunt aflezen aan de weerstand die ze je bij het vormgeven bieden, en hij merkte op: “Nu echter komen stoffen op ons af, die dat karakter niet meer bezitten. […] Zo gewillig als die nieuwe materialen zijn, dat hebben we nog niet meegemaakt. Ze bieden ons geen streng, specifiek karakter meer, maar ze zeggen: Alstublieft, u bent mijn meester, ik ben uw dienaar, ik doe alles wat u wilt.” [8] In dergelijke uitspraken hoor je impliciet het verwijt dat de kunststoffen geen karakter, geen wezen bezitten – een echo van de door het nationaal-socialisme gekoesterde ideologische voorliefde voor harde en vermeend natuurlijke materialen, zoals Krupp-staal en leer.

Behalve zijn moderniteit en zijn aanwezigheid in het dagelijkse leven waren het juist die kwaliteiten die plastic, maar ook allerlei soorten folies en zakken, interessant maakten voor de kunststromingen die de seriematige massaproductie van consumptiegoederen toepasten om kunst te produceren. In 1969 ontwierp Joseph Beuys voor de Organisation für direkte Demokratie plastic zakken met daarop schema’s van hoe de scheiding der machten er volgens hem moest uitzien; de plastic zakken verbergen een ruimte die op haar ontplooiing wacht. Vanuit een andere methode beklemtoonde ook Andy Warhol het utopische karakter van de plastic zak: bedekt met een laagje zilver en gevuld met helium zweefden ze in 1966 als Clouds in de Leo Castelli Gallery – het idee van de kunstenaar om ze door de open ramen te laten ontsnappen werd niet gerealiseerd. [9] Doordat in beide gevallen virtueel alles en in de praktijk niets verpakt werd, sprong een eigenschap van de zak in het oog: zijn mediale karakter.

 

Stedelijk medium

De zak is een stedelijk medium. In dorpsgemeenschappen was de behoefte aan zakken eerder klein. Wat mensen nodig hadden, konden ze voor het grootste deel vinden in de tuin, op het veld en in de stal, of kopen bij rondtrekkende handelaars en in lokale winkeltjes; minder alledaagse behoeften werden bevredigd tijdens occasionele uitstapjes naar de dichtstbijzijnde stad. In de stedelijke economieën is de mogelijkheid om zelf in je behoeften te voorzien beperkt. De dagelijkse behoeften moeten worden gekocht met het geld dat de arbeid oplevert. Om de actieve bevolking in staat te stellen hun dagelijkse behoeften te dekken, moest enerzijds massaal worden geproduceerd, maar anderzijds moest die massa producten ook worden gereedgemaakt voor de individuele consumptie. Dat was de rol van de verpakking – of nauwkeuriger: van de individuele verpakking, die zich gaandeweg in een steeds vroegere fase met de koopwaar verenigde. De negentiende-eeuwse winkeliers deden de zorgvuldig afgewogen of getelde koopwaar in puntzakjes die ze eerst nog ad hoc rolden; algauw beschikten ze over verschillende voorgefabriceerde verpakkingen, nog later over koopwaar die ze zelf hadden voorverpakt – tot de verpakking uiteindelijk al meteen door de producent werd gemaakt en in de supermarkt haast uitsluitend nog dozen, blikjes, pakjes en zakken met machinaal afgemeten hoeveelheden werden geleverd en verkocht, die de consument in draagtassen naar huis kon dragen. [10] Daarmee zijn meteen enkele beslissende momenten aangeduid in de kapitaalbeweging van de laatste twee eeuwen, waarvan Karl Marx de essentiële kenmerken heeft beschreven: “De kapitalistische productiewijze vermindert de transportkosten voor de individuele waar door transport- en verkeersmiddelen te ontwikkelen en het transport zoveel mogelijk te bundelen. Ze vergroot het deel van de levende en concrete maatschappelijke arbeid die aan het warentransport wordt besteed, eerst door de grote meerderheid van producten te veranderen in koopwaar, en vervolgens door de lokale markten te vervangen door verder verwijderde markten. De circulatie, dat wil zeggen de feitelijke omloop van de waar in de ruimte, verandert in het transport van de waar. Enerzijds vormt de transportindustrie een zelfstandige productietak, en dus een investeringsgebied voor het productiekapitaal. Anderzijds wordt die transportindustrie gekenmerkt door het feit dat ze optreedt als de continuering van een productieproces in het circulatieproces en voor het circulatieproces.” [11].

Zonder de verpakking in het algemeen en de zak in het bijzonder is het ondenkbaar dat de in koopwaar veranderde producten circuleren. De verpakking in puntzakjes en andere recipiënten schept de voorwaarden voor de industrialisering van de levensmiddelenproductie [12], en de plastic zak is het vehikel waarmee de koopwaar het laatste stukje van het traject naar de consumptie aflegt. Dankzij de verpakkingsindustrie, die zich sinds het midden van de negentiende eeuw had ontwikkeld, konden nieuwe groepen van consumenten worden ontsloten en gedefinieerd. Tegelijk maakte die industrie de producten die de consumenten aangeboden kregen duurder – een prijsverhoging die de consument zelf heel goed als een prijsverlaging kon ervaren. De lokale kleine producenten van vroeger hadden immers niet alleen absoluut hogere productiekosten – omdat hun markt nu eenmaal kleiner was – maar ook relatief hogere transportkosten: de massaproductie en de massa-import maakten appels uit Zuid-Afrika een stuk goedkoper dan de appels van de fruitboer net buiten de stad.

Dat is een van de grote verwezenlijkingen van de kapitalistische productiewijze: ze maakte het transport goedkoper en bedacht daarvoor tegelijk nieuwe transport- en communicatiemiddelen. Dat was mogelijk doordat de transportsector interessant was voor het productiekapitaal, zodat enorm werd geïnvesteerd – ook al rendeerden die investeringen niet altijd: de catastrofe van de emerging markets in de late jaren negentig van de twintigste eeuw heeft een voorloper in de spoorwegspeculaties rond 1850. Anderzijds weten we dat de verpakkingsindustrie zich maar kon doorzetten omdat ze in haar beginfase de menselijke arbeidskracht uitbuitte – van weeskinderen, bewoners van werkinrichtingen en gevangenen die zakjes moesten plakken om toch nog iets te verdienen. De winstmarges van de ondernemers waren navenant hoog. Maar zolang de papieren zakken in de verpakkingsindustrie nog manueel geproduceerd werden, zette de detailhandel nog goedkopere arbeidskrachten in: de winkeliers lieten de leerjongens tijdens hun stage zakjes plakken. [13] Pas nadat rond 1875 machines waren ontwikkeld om de zakjes mechanisch te fabriceren, vielen de met de hand gemaakte zakjes duurder uit. [14] De leertijd kon worden ingekort, de kinderen werden op andere manieren opgevoed en beziggehouden, en de werkinrichtingen werden afgeschaft. Alleen de gevangenen werden niet van hun corvee bevrijd: ook vandaag nog worden in veel strafinstellingen met de hand draagtassen gemaakt. [15]

 

“Minderwaardig”

Eind negentiende eeuw was het ‘zakjes plakken’ in de omgangstaal al synoniem geworden voor de gevangenisstraf. Daarmee kregen niet alleen de productie van de zakken en het werk in de betreffende industrie een slechte reputatie, maar gaandeweg ook de zakken zelf. Om daar iets aan te doen, sleutelde men niet aan de productieomstandigheden, maar aan de terminologie: toen een uit verschillende overheidsorganen en andere instanties samengestelde professionele commissie in 1942 onderhandelde over een nieuw beroep voor de korte leertijd, werd het begrip ‘machinale zakjesplakster’ unaniem weggestemd – enerzijds argumenteerde men dat het aandeel van de zakken in de totale productie kleiner was dan dat van de gewone tassen; anderzijds vreesde men dat de term door de productie in gevangenissen en tuchtinrichtingen te zeer beladen was. Als nieuwe beroepsaanduiding werd daarom voor ‘machinale tassenplakster’ gekozen. De zakken veranderden in draagtassen, om de papierverwerkende industrie ook in de toekomst van verse arbeidskrachten te kunnen voorzien. [16]

Die anekdote zou niet veel te betekenen hebben als ze niet uit het Derde Rijk stamde. De verse arbeidskrachten, waarvoor in 1942 werd gezorgd, werkten toen al in streng gereglementeerde omstandigheden. In datzelfde jaar werd de productie van draagtassen uit papier uitdrukkelijk verboden. Alleen “papieren en kartonnen producten die van beslissend belang voor de oorlog waren” mochten nog worden geproduceerd: zakken leverden geen bijdrage aan de eindoverwinning. [17] Meestal wordt de achteruitgang van en het verbod op de zakjesproductie alleen verklaard door te wijzen op het gebrek aan grondstoffen. Als dat zo zou zijn, waarom werd dan de productie van “draagtassen, draagbuidels en grammofoonplatentassen” al in 1936 (met ingang van het eerste vierjarenplan) stopgezet? [18] Uit een door de historicus en zakkenverzamelaar Heinz Schmidt-Bachem geparafraseerde discussie valt af te leiden dat het verbod op papieren zakken ook wortelt in de nationaal-socialistische ideologie: “Naar de mening van de Abteilung Presse und Propaganda in de Hauptabteilung 1 van deWirtschaftsgruppe hadden de verpakkingsmiddelen zich in het verleden zowel kwantitatief als kwalitatief tot een echt luxeproduct ontwikkeld, […] dat echter elke rechtvaardiging ontbeerde. Omdat de waarde van de eigenlijke koopwaar niet meer veranderd of verbeterd kon worden, moest de verpakking, de vormgeving in de concurrentiestrijd de doorslag geven. Ook met het oog op de concurrentie leek het ongezond wanneer de verbruiker zich moest afvragen waarvoor hij nu eigenlijk had betaald: voor de vaak minderwaardige koopwaar of voor de hoogwaardige verpakking?” [19]

In het verschil tussen de “eigenlijke koopwaar” en de oneigenlijke verpakking wordt de gebruikswaarde van de koopwaar verabsoluteerd. Elke andere waarde is niet wezenlijk – ook die van de verpakking niet, die geen eigenlijke gebruikswaarde bezit en daarom “elke rechtvaardiging” ontzegd wordt. Ze wordt niet – zoals bij Marx – begrepen als een product in en voor de sfeer van de productie, maar als overbodige luxe. Nauwkeuriger geformuleerd: in de nationaal-socialistische ideologie valt de koopwaar samen met haar gebruikswaarde; de verpakking, de zak wordt daar als iets vreemds van buitenaf aan toegevoegd. De transportmiddelen omvatten zowel de gebruikswaarde als de ruilwaarde. Het dubbele karakter van de waar wordt in deze scheiding zodanig opgesplitst, dat de in het kapitalisme gebruikelijke naturalisering van haar fetisjkarakter door de nationaal-socialistische ideologie wordt omgevormd tot een biologiserende personificatie: de ‘scheppende arbeid’ produceert de gebruikswaarde van de koopwaar en is dus ‘arisch’, terwijl elke vorm van kapitaal, de gehele sfeer van de ruilwaarde wordt beschouwd als ‘roofzuchtig kapitaal’, als ‘joods’: de sfeer van de gebruikswaarde wordt toegewezen aan de ariër, die van de ruilwaarde aan de joden. [20] Volgens deze logica is het de scheppende arbeid die gebruikswaarden creëert, terwijl de hoogwaardige verpakking slechts waarden voorspiegelt die minderwaardig en ongezond zijn. De biologisering brandmerkt de jood als schadelijk ongedierte, en omgekeerd krijgen de verpakking en de zak de impliciete connotaties ‘parasitair’ en dus meteen ook ‘joods’ mee. Doordat de sfeer van het transport op die manier in verband wordt gebracht met de sfeer van de ruil, die bij het ‘roofzuchtig kapitaal’ wordt ondergebracht, kan die transportsfeer de gezondheid van de ‘eigenlijke waar’ aantasten. Die combinatie van een antikapitalistische en een biologiserende vorm van antisemitisme wordt nog aangevuld met een derde antisemitisch element: men klaagt erover dat een hoogwaardige verpakking minderwaardige koopwaar kan verhullen. Die motieven van de misleiding, de maskering, de ‘joodse list’ duiken in de nationaal-socialistische ideologie telkens weer op: “Hij [de jood] hult zich in de maskers van degenen die hij wil bedriegen,” zo luidt in 1930 de diagnose van Joseph Goebbels, de latere minister van Propaganda. [21] De gele jodenster, de in het paspoort gestempelde J, de verplichting om de voornamen Sara en Israel aan te nemen – dat alles moest er na de Nürnberger rassenwetten voor zorgen dat de wezenlijke minderwaardigheid van de als jood ontmaskerde mens altijd zichtbaar bleef, dwars door alle andere uiterlijkheden heen. [22] Door de joden te brandmerken, werden ze eerst uit het publieke en vervolgens ook uit het economische leven verdreven. Wie er niet in slaagde te emigreren, werd later bijeengedreven in getto’s, gedeporteerd naar concentratie- en vernietigingskampen en omgebracht. En de ‘vernietiging door arbeid’ reduceerde de slachtoffers tot hun arbeidskracht, die achteraf beschouwd eigenlijk op een zo goed als onproductieve manier werd verspild. Ongetwijfeld moeten we al die vormen van arbeid daarom zonder onderscheid als een vorm van straf beschouwen. En het hoeft niet te verbazen dat een van die bezigheden het zakjes plakken was; vanaf 1943 werd bijvoorbeeld ook Victor Klemperer daartoe gedwongen: de als minderwaardig beschouwde dwangarbeider produceerde de als minderwaardig beschouwde verpakking. [23]

 

Onderscheiden

Elke beschrijving, elke theoretische definitie van de zakken moet zich ertegen verzetten dat ze als iets minderwaardigs worden beschouwd. De zak is een vluchtig oppervlak, waarmee ook reclame wordt gemaakt. Daarom is het nog niet ‘ongezond’ – het kan ook praktisch zijn. Breekbare koopwaar zoals de grammofoonplaat werd pas dankzij de draagtas voor de consument goed transporteerbaar. Dat in het begin van de vorige eeuw de grammofoon en de ‘Tragetasche Handfrei’ haast gelijktijdig op de markt kwamen, hoeft nauwelijks te verbazen. [24] Het gaat hier niet om een historisch toeval, maar om fenomenen die het ontstaan van een nieuwe cultuur begeleiden: de cultuur van de beambten. “Honderdduizenden beambten bevolken elke dag de Berlijnse straten, maar we weten minder van hun leven af dan van de primitieve volken, waarvan zij in de bioscoop de exotische gewoonten bewonderen,” schrijft Siegfried Kracauer nog eind jaren twintig. [25] Hij stelde de beambten voor als een nieuwe laag van werknemers, “wegbereiders van de massamaatschappij, van het tijdperk van de massaconsumptie”, gekenmerkt door een “behoorlijk ontwikkelde sociale identiteit”. [26] Ze waren de eersten die überhaupt zoiets als ‘vrije tijd’ kenden – daarbij hoorde onder meer dat ze na kantoortijd nog snel even boodschappen konden doen, zonder zich door pakken en zakken belemmerd te hoeven voelen. De beambten, voor wie het onderscheid met de arbeiders een centraal probleem vormde, ontwikkelden allerlei kleine distinctiemethodes. Nadat ze zich dankzij de ‘boord’ tegen de arbeiders hadden afgezet, moesten ze hun betere smaak bewijzen middels de winkels waar ze hun dagelijkse boodschappen deden – en waarvan de naam op de zakken te lezen stond. [27] Wie het zich vandaag kan veroorloven om in een chic warenhuis dure levensmiddelen te kopen, kijkt misschien neer op de klanten van de goedkope supermarkten. Dat ook de hogere sociale lagen in die supermarkten hun dagelijkse voedingsmiddelen kopen, maakt deel uit van deze logica, evenals de evidentie waarmee zakken van chique winkels, eenmaal verworven, opnieuw worden gebruikt.

Vanuit dit perspectief bekeken hebben de plastic zakken dergelijke distincties niet vernieuwd, maar verveelvoudigd. Doordat men voortaan verschillende kleuren gebruikte, vielen de draagtasjes – en dus ook de tentoongespreide distinctie – veel sterker op. Die distinctie lijkt haaks te staan op het seriële van de zakken, op hun onvermijdelijke massaproductie, die er juist voor zorgt dat ze een medium worden. Het tegendeel is waar: de distinctie stoelt op de massaproductie, die er immers voor zorgt dat gelijkgezinden zichzelf kunnen identificeren via een merk en een makkelijk te herkennen logo. Daarom vindt het seriematige van de productie een echo in het seriematige van de motieven op de zakjes. Bij winkelketens wordt dat seriële karakter duidelijk: ze zijn niet slechts op één plek te vinden, overal bieden ze hun beste service aan; de klemtoon ligt op de snelle herkenbaarheid. De reclame op de plastic zakken moet ook en passant te herkennen zijn, voor de verstrooide blik zelfs uit de ooghoeken, en ze moet hun dragers kunnen identificeren.

Natuurlijk gaat het hier om publiciteit, om reclame die de massa’s en hun koopgedrag wil sturen. Zoals elke banaliteit is ook dit inzicht doordrenkt van antikapitalistische mythen: de consumenten vallen aan de reclame ten prooi doordat ze onbewust worden gemanipuleerd, en niet doordat de reclame behoeften zou opwekken en bevredigen. Het communicatiemedium van de plastic zak maakte – samen met een heleboel andere producten, van het billboard tot de sticker en het T-shirt – van het consumptiegedrag een deel van de identiteit, een positieve bepaling van de existentie in het postfordiaanse kapitalisme. Het plastic zakje houdt niets geheim. Als het op de koop toe wordt genomen, laat de opdruk zien wat erin zit. In een zak van Aldi zitten Aldi-producten, in een zak van Penny zitten spullen van Penny, in een zak uit de duty free shop waar Marlboro op staat, zitten Marlboro-sigaretten. Dat de Marlborozakken ook nog voor Marlboro reclame maken als er een fles Laphroaig of een slof Senior Service in zit, verandert niets aan het principe: het beeld laat koopwaar zien die belastingvrij werd gekocht. Natuurlijk maakt die redundantie reclame voor Marlboro-sigaretten, maar ze zorgt er ook voor dat die reclame allesbehalve mysterieus of onbewust is. Ze springt juist in het oog. Het zakje maakt reclame voor de winkel die het in roulatie heeft gebracht, dus voor zichzelf en zijn inhoud. Het maakt reclame voor de handeling van het kopen in die winkel, simpelweg door van die handeling getuigenis af te leggen.

Dat simpele getuigende en overtuigende principe bracht het moderne winkelen voort. Nadat begin jaren zestig in West-Duitsland het “tijdperk van de draagtas” was uitgeroepen [28], kon het aantal zelfbedieningswinkels zich tussen 1960 en 1969 verviervoudigen: “Gaandeweg ontstond een regelrechte plastic-zak-cultuur.” [29] Die cultuur leidde tot een nieuwe winkelpraktijk, die in de vaktaal bekend staat als de ‘impulsaankoop’. In die praktijk zijn de zakken er niet omdat er iets gekocht wordt, maar wordt er iets gekocht omdat er zakken voor bestaan.

 

Kopen

De consument beschouwt de zak niet als een waar, maar als een product, een middel waarmee hij andere producten sneller en makkelijker kan consumeren. Die courante alledaagse indruk wordt bevestigd door de opdruk. Het overhandigen en gebruiken van de zakken lijkt te gebeuren volgens een stilzwijgende afspraak tussen onafhankelijke individuen: de prijs die de consument ervoor betaalt, wordt niet vereffend met geld, maar met de reclame die hij maakt terwijl hij zijn inkopen naar huis draagt. De Duitse Bondsrepubliek was een van de eerste landen in de wereld waar – in strijd met deze overeenkomst – een Tütengroschen kon worden ingevoerd. Hoe kwam dat? Door de campagnes die “tegen deze verpakking” werden gevoerd. [30] Anders dan in de Verenigde Staten bestond er in Duitsland nog genoeg ressentiment tegen de zak als iets dat vreemd was aan de ‘eigenlijke waar’ om die extra uitgave te kunnen rechtvaardigen. Dat ressentiment is ongetwijfeld onbewust. Je merkt het alleen aan de vanzelfsprekendheid waarmee men in Duitsland de plastic zak als iets overbodigs beschouwt.

Wanneer de consument voor de zak een prijs moet betalen, wordt hij een doodgewoon handelsproduct. De paar eurocent die we aan de kassa moeten neertellen, leveren de supermarkten niet alleen een kleine extra winst op; het is ook de symbolische en reële prijs voor de luxe van de achteloze onnadenkendheid, de prijs die we betalen om ons slechte ecologische geweten tot zwijgen te brengen, om ons niet langer schuldig te voelen dat we de vrijheid nemen om “oppervlakkig met de dingen om te springen” [31] – een gewoonte die juist om die redenen in Duitsland volop om zich heen grijpt. In dit verband hoeft het niet te verbazen dat juist Duitsland met “DER GRÜNE PUNKT”, via het Duale System Deutschland (DSD), een recyclingindustrie heeft gesubsidieerd die het materiaal van de zakken tot achttien keer kan recycleren. [32] Sinds 1992 tref je daarom op veel plastic zakjes DER GRÜNE PUNKT aan: het symbool geeft te kennen dat de fabrikant een verpakkingstaks heeft betaald en waarborgt op die manier dat de verpakking wordt gerecycleerd.

Het valt dus niet te loochenen dat de zak intussen ook voor de consumenten koopwaar is geworden, waarvoor zij – net zoals voor alle andere producten – een prijs moeten betalen. Toch blijft er een verschil: de plastic zak wekt niet de indruk een handelsproduct te zijn. Vanaf het begin werd hij niet alleen gebruikt om een zekere warencirculatie mogelijk te maken, maar ook om die te versnellen. Het warenkarakter van de zakjes wordt niet zozeer gerealiseerd in de gebruikswaarde voor de klant, maar vooral in de gebruikswaarde voor de supermarkt. De klanten kopen meer, omdat ze dat ‘meer’ in de plastic zak kunnen opbergen. In 1975 introduceerde de warenhuisketen Karstadt, in samenwerking met de Mondorfse firma LEMO, de zogenaamde DKT-zak, de extra sterke Doppel-Kraft-Tüte. Die zakken kunnen vijf kilogram dragen en zijn vandaag overal in gebruik. Men rekende de warenhuizen voor dat de klanten dankzij de nieuwe zak 21 procent meer zouden kopen, en dan vooral producten die voordien niet zo makkelijk te transporteren waren, zoals flessen of blikjes. Voor 1975 was de zogenaamde Reiterband-draagtas in gebruik, die een kleinere, minder flexibele opening had dan de duurzamere DKT-zak. [33] De klanten beoordeelden die innovaties ongetwijfeld als een subjectief voordeel, en niet als een toename van de gebruikswaarde voor de handelaars – een gebruikswaarde die ze met elke nieuwe aankoop opnieuw realiseren. Meteen krijgt de gebruikswaarde van de polyethyleen (PE) zakken, die de consument onmiddellijk kan realiseren op weg van de supermarkt of het warenhuis naar de woning, iets tweeledigs.

Zonder die dubbele gebruikswaarde zou er geen plastic zak bestaan. Als ze voor de handelaars geen gebruikswaarde zouden bezitten, zouden ze die zakken niet in zulke grote aantallen bij de verpakkingsindustrie kopen. Het zou al te reductionistisch zijn als je het warenkarakter van de zakken zou afleiden uit de relatie tussen de producent en de eerste consument, de handelaar. Hun warenkarakter openbaart zich in hun tweeledige gedaante: ze zijn tegelijk koopwaar en afval. Voor de klant hebben ze hun gebruikswaarde vervuld zodra hij de andere koopwaar heeft uitgepakt. Nu kan hij de zak weggooien, zoals hij dat met andere verpakkingen doet. Als hij hem hergebruikt voor zijn afvalemmer of als boodschappentas, dan verlengt hij wel de gebruiksduur, maar dat verandert niets aan het fundamentele feit dat de zak na de realisatie van de meervoudige gebruikswaarde waardeloos is geworden. Die waardeloosheid wordt pas echt gerealiseerd wanneer de zak afval transporteert en uiteindelijk zelf afval wordt. Het warenkarakter van de plastic zakken splitst zich dus in twee sferen op. In de sfeer van de afzetmarkt voor plastic zakken concurreren de verschillende fabrikanten – net zoals dat op andere terreinen van de kapitalistische economie gebeurt – met verschillende modellen om goedkope en bruikbare oplossingen te kunnen aanbieden. Het plastic zakje is hier koopwaar, net zoals elk ander product: de klant – dus de handelaar – belooft het een gebruikswaarde, voor de producent realiseert het een ruilwaarde. De plastic zak gedraagt zich hier als handelswaar, evengoed als yoghurtbekers, bouillonblokjes of stofdoeken. In de sfeer van de supermarkt en de detailhandel is de plastic zak als het ware betoverd – in elk geval is hij geen gewone koopwaar meer. De zakken liggen verstopt onder de kassa, of worden door de caissière op verzoek uitgereikt. Hun prijs is niet berekend op winst, maar moet alleen de service rendabel maken die erin bestaat de klant een zak mee te geven.

 

De warenesthetica voorbij – andere toepassingen van de zak

Ironisch genoeg was de commerciële productie van zakken in haar beginfase zelf een vorm van hergebruik. Toen arbeiders in de Allendorfer papierfabriek Bodenheim & Co in 1853 de eerste zakken met de hand plakten, gebruikten ze daarvoor weggegooide dossiers als grondstof. [34] De zak heeft de potentie te worden gebruikt voor toepassingen die met zijn oorspronkelijke functie weinig of niets te maken hebben, maar die die functie juist daardoor kunnen weerspiegelen. Het hergebruik breidt de gebruikswaarde van de zakken uit tot op een terrein waar ze geen ruilwaarde meer bezitten; ook de esthetische aspecten zijn hier voorlopig niet van tel. En toch geeft juist dat terrein uitsluitsel over de status die de esthetisering van de plastic zak vandaag toekomt: hier worden namelijk de signalen opgevangen waarvan de betekenis in het beste geval slechts schetsmatig duidelijk wordt.

 

De boodschappentas

Het materiaal van de meeste zakken is stevig genoeg om meer dan één keer als boodschappentas te worden gebruikt – tot gaten en scheuren hun draagkracht in het gedrang brengen, kunnen ze meer dan eens worden gebruikt, telkens met hetzelfde doel. Iedere keer wordt hun tweeledige gebruikswaarde opnieuw gerealiseerd. Voor de klant vergemakkelijkt het elke keer weer het transport van zijn inkopen, maar voor de verkoper kan dat hergebruik vervelend worden. Wat er in de boodschappentas zit, hoeft niet noodzakelijk gekocht te zijn in de winkel waarvan het logo op het plastic prijkt. Vooral in kleinere steden leidt dat er wel eens toe dat consumenten een winkel niet durven binnengaan omdat ze al met de plastic zak van de concurrentie op weg zijn.

Dat de klant de zak kan hergebruiken en daardoor reclame blijft maken, was al in 1925 één van de argumenten waarmee de fabrikanten bij handelaars klanten probeerden te werven. [35] Vandaag spreken vele plastic zakken hun dragers rechtstreeks aan: met korte zinnetjes op de onderkant proberen ze hen tot hergebruik aan te zetten. Vaak is het alsof ze onder elkaar een wedstrijd houden: wie maakt de mooiste aansporing? “Uw bijdrage aan een schoner milieu – graag opnieuw gebruiken.” “Deze draagtas is van polyethyleen en is dus veel beter dan haar reputatie: ze kan meermaals worden hergebruikt.” “Voor 1 x veel te goed – een meervoudige sensatie.” “Meermaals bruikbare tassen zijn ecologisch voordeliger dan papieren draagtassen.”

 

De vuilniszak 

Als de plastic zak wordt hergebruikt als boodschappentas, wordt hij nog min of meer gebruikt voor zijn oorspronkelijke doel. Wordt hij als zakje voor de vuilnisemmer gebruikt, dan krijgt hij duidelijk een andere functie. Toch ligt die vorm van hergebruik zo voor de hand dat hij massaal voorkomt. In zijn historische studie schrijft Heinz Schmidt-Bachem dat al in 1965, dus vier jaar na de voorzichtige introductie van de – in vergelijking met de papieren zak veel duurdere – plastic zak, “de PE-zakken bij de klanten (vooral als zak voor de vuilnisemmer) […] zo populair waren, dat ze er in een onbewaakt moment hele stapels van mee naar huis namen.” [36] Dat men de PE-zak als geschikte afvalzak beschouwde, ligt voor de hand: hij was waterdicht, stevig en flexibel en hield de stank van het bedorven, rottende afval tegen, wat de papieren zakken uiteraard niet konden. Overigens liep de kwaliteit van de papieren zakken, als gevolg van een concurrentiestrijd tussen de fabrikanten, midden jaren zestig zo sterk terug, dat de plastic zakken zich probleemloos als het beste alternatief konden doorzetten. [37]

Ook valt te begrijpen waarom de verpakkingsindustrie niets heeft gedaan tegen de ‘onbewaakte momenten’ waarin de klant enkele zakjes meepikt: als afvalzak wordt de PE-zak ook gebruikt voor de dozen, blikjes, zakjes en wikkels van de producten die de zak kort daarvoor als boodschappentas had getransporteerd.

De verpakking was een onontbeerlijke voorwaarde voor de warencirculatie in de supermarkt. Dankzij de plastic zak werd het mogelijk om die afzonderlijk verpakte koopwaar van de supermarkt mee naar huis te nemen. Daar wordt die plastic zak hergebruikt als vuilniszak, en daarin worden de verpakkingen dan voor de tweede en meteen ook laatste keer verpakt. Volgens die redenering wint de verpakkingsindustrie dus twee keer. Dat stelt haar in staat door te groeien, zodat ze begin jaren negentig nog een extra fase aan de circulatie kon toevoegen: met Der Grüne Punkt en het DSD wint ze ook nog een derde keer, doordat het plastic afval, de plastic verpakkingen en de plastic zakken worden gerecycleerd, of anders gezegd: te gelde worden gemaakt.

De consument die een stapel zakken meeneemt, denkt dat hij iets ontvreemdt; als hij de zakken als vuilniszak gebruikt, denkt hij dat hij iets subversiefs doet waar alleen hij beter van wordt. Maar door de behoefte aan PE-zakken op te drijven, heeft de consument intussen wel de verpakkingsindustrie aangezwengeld. Doordat hij zo vaak als vuilniszak werd hergebruikt, kon de plastic zak zich doorzetten. Dat verklaart meteen ook waarom hij al in 1971 bekend stond als de belangrijkste milieuvervuiler: eigenlijk was hij al van bij het begin een vorm van afval. [38] Die overigens onbewijsbare mythe ontstond ook uit het slechte geweten van de Duitsers, die elke lustvolle toe-eigening voor de eigen behoeften – in dit geval het meenemen van plastic zakken om ze als vuilniszakken te gebruiken – bestraft willen zien. Toen die bestraffing uitbleef, moest de hele natuur onder de onrechtmatige daad lijden. Dat de plastic zakken zich – in hun hergebruik als vuilniszak – al van meet af aan als afval ontpoppen, is geen ironie van de geschiedenis: het is een allegorie van het even geavanceerde als gepacificeerde kapitalisme in Duitsland, dat niet eens meer hoefde te verbergen dat het eigenlijk een wegwerpkapitalisme was.

 

De zwervers

De plastic zak zou je als de rechtmatige opvolger kunnen beschouwen van de negentiende-eeuwse ransel. Met hun ransel reisden de knechten van de ene betrekking naar de andere; voor de doorgaans onvrijwillige stadsnomaden die de daklozen zijn, doet de plastic zak dienst als klerenkast. In de ransel zat het hele hebben en houden van het uitgebuite personeel; voor de plastic zakken van de gemarginaliseerden geldt hetzelfde. Vaak was de ransel beschilderd met ornamenten en houterig berijmde zinspreuken – “Mijn leven besteed ik aan zware arbeid, rust is mij niet gegund, maar in de hemel komt de vrijheid 1817” [39]; de reclameslogans op de plastic zakken beloven goederen die de daklozen slechts in hun utopische dromen ooit in handen krijgen.

De plastic zak van de zwerver is ook een gedegenereerde versie van de burgerlijke koffer. In de loop van zijn geschiedenis was de koffer uitgegroeid tot een symbool van de mobiliteit van de ontwikkelde kapitalistische maatschappijen. De plastic zak staat voor de gedwongen mobiliteit van mensen die uit de sfeer van de circulatie zijn gevallen. Cynische cultuurpessimisten zouden hier kunnen spreken van een achteruitgang: in de plaats van de duurzame, stevige ransel is het dunne polyethyleen van de plastic zak gekomen. Maar niet alleen het materiaal is anders, ook de behoeften zijn veranderd. Een knecht hoefde zijn hebben en houden niet zo heel vaak van de ene slaapplaats naar de volgende te dragen. Het burgerlijk gezin ging elke zomer een keer op reis en liet haar meestal omvangrijke, in grote kastkoffers gestouwde bagage naar hun vaak ver verwijderde zomerverblijf transporteren. De daklozen kunnen de nacht haast nooit twee keer op dezelfde plaats doorbrengen. Het winkelwagentje is het hedendaagse vehikel voor de eindeloze reis van de mensen die uit het kapitalistische verwerkingsproces zijn uitgestoten, en de plastic zak is de hedendaagse koffer: gratis of gemakkelijk te verkrijgen, met een grote draagkracht, waterdicht, ruim en flexibel te gebruiken.

Bij de productie van plastic zakken heeft niemand ooit bedacht dat ze dergelijke oneconomische behoeften moesten dekken. De gebruikswaarde die de daklozen realiseren, hebben de zakken nooit beloofd, maar dankzij hun materiële structuur kunnen ze die belofte toch heel makkelijk inlossen. Ongetwijfeld is dat een van de grootste wonderen van de kapitalistische productiviteit: ook buiten haar eigen rationaliteit bewijst ze telkens weer haar nut. Ongewild produceert ze precies passende oplossingen voor problemen die ze zelf geschapen heeft.

De daklozen die hun in allerlei plastic zakken gepropte bezittingen in een winkelwagentje van de ene slaapplaats naar de volgende rijden: het is een beeld dat je kunt interpreteren als een parodie op de figuur van de consument. Ze kopen niets, hun bezittingen zijn geen koopwaar, hun plastic zakken beloven niets anders dan het weinige dat hun nog rest te beschermen. Het winkelwagentje staat voor de belofte van de autonome toegang tot alles wat in de supermarkt te koop is, maar de winkelwagentjes van de daklozen herinneren eraan hoe zinloos die belofte is als ze niet voor iedereen geldt. Met hun veelkleurige slogans blijven de plastic zakken die belofte ontelbare malen herhalen, hoewel hun aantrekkingskracht verbleekt in de winkelwagentjes van de daklozen. Doordat deze mensen voortdurend met plastic zakken onderweg zijn, zouden ook zij nog reclame kunnen maken, maar het idee dat je met zoiets functioneels als een plastic zak reclame zou maken, maakt elke reclame belachelijk.

 

De kist

De reputatie van de plastic zak heeft verbazend weinig geleden onder het feit dat hij als bode van de dood kan fungeren. Ook op dat terrein heeft hij nieuwe praktijken geïnspireerd: mensen gebruiken hem om zichzelf of anderen te verstikken, om lichaamsdelen te vervoeren of om ze onder struikgewas te verstoppen. De plastic zak beschikt daartoe over uitstekende kwaliteiten: hij is luchtdicht, kan geurtjes tegenhouden, valt in het dagelijkse leven nauwelijks op, is lang houdbaar en rot slechts langzaam weg. Het zou voorbarig zijn om in dergelijke praktijken de moorddadige kapitalistische socialisering gerealiseerd te zien. Evenmin als het mes dat de polsslagader doorsnijdt, evenmin als de koffer waarmee het lijk tijdelijk in een bagagekluis wordt gedeponeerd [40], heeft de plastic zak of de reclame waarmee hij bedrukt is schuld aan dergelijke misdaden. Je moet van kwade wil zijn om het lijk dat in een plastic zak van de supermarkt wordt gestopt te beschouwen als een allegorie van de waar.

 

Het masker

De plastic zak als masker: dat is een van de voor de hand liggende manieren waarop hij kan worden hergebruikt – niet toevallig werden en worden in veel zakken luchtgaatjes gestanst. Dat maakt ze minder bruikbaar als vuilniszak, maar daar staat tegenover dat ze voor kleuters nauwelijks nog verstikkingsgevaar opleveren. Als speelgoed verliest de plastic zak al gauw zijn fascinatie, maar als masker blijft hij onverminderd populair: op veel video’s en foto’s van misdaden is te zien hoe de protagonisten zich met plastic zakken onherkenbaar maken. De meest consequente vorm van hergebruik deed zich voor op 25 februari 2002 in Knittelfeld in de Oostenrijkse Steiermark. “Twintig minuten voor de Billa-winkel in de Herrengasse dichtging waren er nauwelijks nog klanten. De caissière Waltraud Labner (42) ging daarom van haar kassa weg om tien meter verder een rek met flessen aan te vullen. Ze had net een plastic krat gepakt, toen plotseling een gemaskerde man de winkel binnenstapte. Hij had zich een Billa-zakje met kijkspleten over het hoofd getrokken en had een ongeveer dertig centimeter lang keukenmes in de hand. Daarmee wilde hij volgens de gendarmerie de caissière neersteken. Maar die kon de aanval gelukkig met de plastic krat afweren. “Geef de kassa! Nu meteen!”, snauwde de dief de 42-jarige vrouw uit de Obersteiermark toe. Voordat de situatie nog verder kon escaleren, greep gelukkig een klant in. Zodra deze man de winkel was binnengekomen, merkte hij vlakbij de kassa de gewapende man op. Op hetzelfde moment hoorde hij ook al de caissière schreeuwen, waarop hij haar meteen te hulp schoot. De onbekende dader kon alleen nog maar “shit!” zeggen. Nog voordat de klant kon ingrijpen, stormde hij zonder buit de supermarkt uit en ging hij er in de richting van de Hauptplatz vandoor. Daar raakte men het spoor bijster.” [41] De dief trok zich niet alleen het lege zakje met de opening naar onderen over het gezicht, ook in een ander opzicht zette hij de gebruikelijke gang van zaken op z’n kop: hij wilde geen levensmiddelen mee naar huis nemen, maar geld – geld dat hij misschien later in dezelfde supermarkt weer zou hebben uitgegeven.

 

Verzamelaars

Er zijn niet zo heel veel objecten die je in plastic zakken kunt archiveren – en toch worden ze soms gebruikt om bijvoorbeeld strips te verzamelen en te sorteren. Maar voor papier laten de PE-tassen te weinig lucht door, voor andere objecten zijn ze niet doorzichtig genoeg – zodat ze eigenlijk vooral de armoede van de verzamelaars, de armzaligheid van hun collectie onthullen. Wie zijn spullen in plastic zakken verzamelt, kan zich niets beters veroorloven. Maar wie de plastic zakken zelf verzamelt, bevrijdt ze van de gebruikswaarde die zelfs in het meest vergezochte hergebruik nog gezocht en gevonden wordt. Het worden voorwerpen die je bij elkaar brengt, en die stuk voor stuk een geschiedenis van het vluchtige vertellen, waaruit je ook het verhaal van de verzamelaar zelf kunt afleiden. Voor de verzamelaars van plastic zakken zit de stad anders in elkaar dan voor de inwoners. Voor straatnamen, aansluitingen, woonplaatsen hebben ze geen interesse: de straten zijn de gangen van een galerie, waar mensen achteloos of verrukkelijk nonchalant met de waardeloze en juist daarom zo betekenisvolle verzamelobjecten te kijk lopen.

Zoals bij alle verzamelingen is ook hier een vreemdsoortig fetisjisme aan het werk, dat zich niet alleen richt op de motieven waarmee de plastic zakken bedrukt zijn, maar op alle feitelijke gegevens en hun hele geschiedenis. Alleen de verzamelaars kunnen een Sinus-draagtas onderscheiden van een Lemo-Reiterband-tas of een Polymatador-draagzak, en zoals oenologen een wijn kunnen herkennen aan zijn kleur, geur en smaak, zo kunnen zij de zakken classificeren volgens materiaal en design. Die kennis is even veelvormig en overvloedig als de verzamelde objecten zelf. Ze stelt de verzamelaars in staat om competent de betekenis toe te lichten van de eerste, machinaal geplakte puntzakjes, het onbeholpene van de vroege plastic tassen en de grafische finesses van de ‘beperkte oplage’ die een warenhuis heeft uitgebracht. Juist in het nutteloze van dergelijke discussies en van de verzamelingen zelf schuilt een emancipatorisch element. De kennis die de verzamelaars vergaren, bewijst dat het plastic van de plastic zak zich niet “geheel verliest in de toepassing ervan”, zoals Roland Barthes beweerde. [42] Het verzamelen van plastic zakken stelt je in staat om te genieten van het zinloze: voorbij de dialectiek van gebruikswaarde en ruilwaarde geniet de verzamelaar van de kunstmatigheid van het flexibele oppervlak, van het genot zelf, en herinnert hij aan andere, nog niet gerealiseerde economieën, de kapitalistische socialisatie voorbij.

Zolang die andere economieën nog op hun verwezenlijking wachten, rest ons de lectuur van de geproduceerde en verzamelde zakken. Maar wie kan zo’n lectuur nog opbrengen wanneer hij wordt geconfronteerd met de overvloed van het beschikbare materiaal? Heinz Schmidt-Bachem, met een collectie van meer dan 150.000 exemplaren ongetwijfeld de deken van de zakkenverzamelaars, heeft die vraag met een vooruitziende blik beantwoord. Deze verzamelaar, die als geen ander met de materie vertrouwd is, zag zich een tijd geleden gedwongen om een deel van zijn verzameling af te stoten, omdat hij – nadat hij had bekend gemaakt dat hij zijn collectie wilde afsluiten – ongevraagd en massaal plastic zakken toegestuurd kreeg; slechts een klein deel daarvan vond hij de moeite waard om ze aan een hermeneutiek te onderwerpen. Meteen werden twee vrachtwagenladingen plastic zakken tot afval bestempeld en ondergingen ze het lot waartoe ze waren voorbestemd [43]; als een zinkend schip stuurden ze nog een van die geheime vlagsignalen uit die Walter Benjamin had kunnen herkennen.

 

Vertaling uit het Duits: Eddy Bettens

 

Noten

[1] Anoniem pamflet, Hamburg, december 1992.

[2] Walter Benjamin, Das Passagen-Werk, Frankfurt am Main, Suhrkamp, 1983, p. 112. De analogie tussen verpakking en mode is ook elders te vinden: “De verpakking is de kledij van de waar,” staat bijvoorbeeld te lezen in de catalogus van de reizende tentoonstelling Besser Verpacken. Zie: Fritz Weidinger, Erich Ketzler,Wanderschau ‘Besser verpacken’, tentoonstellingscatalogus, z.p. [Wenen], z.j. [1956], niet gepagineerd.

[3] Zolang het verpakt blijft, behoudt een product de vorm van de waar – daarom is het alleen bij ernstige klachten over de kwaliteit toegestaan om uitgepakte en daardoor potentieel al gebruikte waren om te ruilen.

[4] Ole Frahm & Friedrich Tietjen, DER GRÜNE PUNKT, in: glas’z nr. 2, Hamburg, 1993, pp. 23-26, hier: p. 26.

[5] Wolfgang Fritz Haug, Kritik der Warenästhetik, Frankfurt, Suhrkamp, 1976, p. 16 e.v.; zie ook Haug,Warenästhetik und kapitalistische Massenkultur I, Berlin, Argument Verlag, 1980, p. 47.

[6] Benjamin, op. cit. (noot 2), p. 236. Een illustratie van deze zak staat in Heinz Schmidt-Bachem, Tüten, Beutel, Trage-taschen. Zur Geschichte der Papier, Pappe und Folien verarbeitenden Industrie in Deutschland, Münster (etc.), Waxmann, 2001, p. 237, afb. 26.

[7] Papier, de concurrent van plastic voor de fabricage van zakken, heeft een aanzienlijk engere toepassingshorizon. – De overgang van niet-synthetische naar volledig synthetische kunststoffen wordt gemarkeerd door materialen zoals gehard rubber (eboniet) en celluloid, die ongeveer sinds het midden van de 19de eeuw werden verwerkt. De eerste volledig synthetische kunststof was bakeliet, dat aan het begin van de 20ste eeuw was ontwikkeld. Over de vele toepassingsmogelijkheden van plastic, zie onder meer Sabine Weißler (red.), Plastikwelten, aufgeschäumt von Sabine Weißler. Eine Produktion aus Beständen der Sammlung Kölsch, Sammlung Broeg, Museum für Kunst und Gewerbe Hamburg, Werkbund Archiv, Berlin, Museum der Alltagskultur des 20. Jahrhunderts/Elefanten Press, 1985; Penny Sparke (red.), The Plastics Age. From Bakelite to Beanbags and Beyond, Woodstock/New York, Overlook Press, 1993; Jeffrey L. Meikle, American Plastic. A Cultural History,New Brunswick/New Jersey, Rutgers University Press, 1995.

[8] Hans Schwippert, Darmstädter Gespräch: Mensch und Technik, Darmstadt, 1952, p. 84 e.v.

[9] Twee jaar eerder had Warhol met andere pop-artkunstenaars voor de terugkoppeling van de kunstwereld naar de wereld van de consumptie gezorgd: “De New Yorkse Bianchini Gallery [werd] omgebouwd zodat ze muteerde in de American Supermarket, met een tourniquet aan de ingang en een kassa bij de uitgang. Kunst en koopwaar werden op de meest verwarrende manieren samengebracht: Robert Watts had eieren verchroomd, Claes Oldenburg bood nieuw snoepgoed aan, en Andy Warhol had […] een indrukwekkende display met gesigneerde blikjes Campbell’s opgebouwd.” (Friedrich Tietjen, The Making of: Multiple, in: Peter Weibel (red.),Kunst ohne Unikat, Köln, Verlag der Buchhandlung Walther König, 1999, pp. 81-88, hier p. 87). Warhol zorgde ook voor de bedrukte boodschappenzakken – die weliswaar van papier waren.

[10] De rationaliserende effecten van de individuele verpakking beïnvloeden nog andere domeinen van de consumptie:

a. Reductie van het warenbederf: “Wanneer de gebruikelijke perkamentverpakking wordt vervangen door aluminiumfolie, voorkomt men dat bij de koelhuisboter een ranzige en niet meer te gebruiken rand ontstaat. Na vijf maanden in het koelhuis ontstaat bij de perkamentverpakking een 2 tot 3,5 centimeter dikke rand. Per vat boter betekent dat een verlies van 0,5 tot 0,9 kg boter; bij 100.000 vaten per jaar gemiddeld 70 ton boter […] In West-Duitsland werden vorig jaar dankzij de aluminiumfolie 110 ton boter, met een handelswaarde van ongeveer 600.000 DM, voor bederf behoed.”

b. De verkoop verloopt vlotter: “Om losse levensmiddelen te wegen en te verpakken heeft een verkoper gemiddeld 27,2 seconden nodig, om de voorverpakte waar uit het rek te nemen 3,3 seconden. Bij onverpakte waar duurt de hele verkoop 60 seconden, bij voorverpakte waar 37 seconden, dus bijna de helft minder. […] Bij onverpakte waar laat het meten, wegen, inpakken, incasseren en informeren de verkoper slechts 15 procent van zijn arbeidstijd voor zijn eigenlijke werk: het verkopen.”

c. De consumptie verloopt makkelijker: “Een blikje met een maaltijd voor twee personen is een verpakking die op de consumptie is toegesneden. […] Andere schoolvoorbeelden van dergelijke verpakkingen zijn het theebuiltje en het lucifersdoosje, die al tientallen jaren in dezelfde vorm worden geproduceerd en die door niets beters vervangen kunnen worden.” Uit: Weidinger & Ketzler, op. cit. (noot 2).

[11] Karl Marx, Das Kapital. Kritik der politischen Ökonomie. Zweiter Band: Der Zirkulationsprozeß des Kapitals, Berlin, Dietz Verlag, 1989, p. 153; zie ook Karl Marx, Grundrisse der Kritik der politischen Ökonomie (Rohentwurf), Berlin, Dietz Verlag, 1974, p. 423: “Het kapitaal wordt door zijn natuur over elke ruimtelijke begrenzing heen gedreven.”

[12] Niet toevallig kwamen de eerste halfsynthetische, technisch geproduceerde levensmiddelen, zoals Liebigs vleesextract, niet los maar in afgewogen hoeveelheden en in van een handelsmerk voorziene verpakkingen op de markt.

[13] Schmidt-Bachem, op. cit. (noot 6), p. 40 e.v. De leerjongens waren goedkoper omdat ze niet alleen spreekwoordelijk, maar ook feitelijk leergeld moesten betalen.

[14] Ibid., hoofdstuk 8.

[15] Ibid., p. 140 e.v.

[16] Ibid., p. 144.

[17] Ibid., p. 173 e.v.

[18] Ibid., p. 195.

[19] Ibid., p. 168. Voor de onschatbare hulp bij de analyse bedanken we Torsten Michaelsen.

[20] Zie in verband met deze analyse Moishe Postone, Anti-Semitism and National Socialism. Notes on the German Reaction to ‘Holocaust’, in: New German Critique nr. 19, winter 1980, pp. 97-115, hier p. 110 e.v. Voor het onderscheid tussen ‘scheppende arbeid’ en ‘roofzuchtig kapitaal’ zie vooral Holger Schatz en Andrea Woelicke,Freiheit und Wahn deutscher Arbeit. Zur historischen Aktualität einer folgenreichen antisemitischen Projektion, Hamburg/Münster, UN-RAST Verlag, 2001, p. 87 e.v.

[21] Het citaat is ontleend aan de brochure van Joseph Goebbels/Mjoelnir [Hans Schweitzer], Die verfluchten Hakenkreuzler. Etwas zum Nachdenken, München, 1930, p. 16, waar het door een invloedrijke karikatuur wordt geïllustreerd. Over de karikatuur en over de antisemitische voorstelling van de gemaskeerde jood, zie Hanno Loewy, ‘ ... ohne Masken’ – Juden im Visier der ‘Deutschen Fotografie’ 1933-1945, in: Klaus Honnef, Rolf Sachsse, Karin Thomas (red.), Deutsche Fotografie. Macht eines Mediums, Bonn, Kunst- und Ausstellungshalle der Bundesrepublik Deutschland, 1997, pp. 135-149, hier p. 136 e.v.; en Ole Frahm, Das weiße M – Zur Genealogie von MAUS(CHWITZ), in: Fritz Bauer Institut (red.), Überlebt und unterwegs. Jüdische Displaced Persons im Nachkriegsdeutschland (Jahrbuch 1997 zur Geschichte und Wirkung des Holocaust), Frankfurt am Main/New York, Campus Verlag, 1997, pp. 303-340, vooral p. 329 e.v.

[22] Zie Saul Friedländer, Der Erlösungsantisemitismus, in zijn Das Dritte Reich und die Juden. Erster Band: Die Jahre der Verfolgung 1933-1939, München, Verlag C.H. Beck, 2000, p. 276.

[23] Zie Victor Klemperer, LTI – Notizbuch eines Philologen, Leipzig, Reclam, 1980, p. 101.

[24] Zie Schmidt-Bachem, op. cit. (noot 6), p. 191.

[25] Siegfried Kracauer, Die Angestellten, Frankfurt am Main, Suhrkamp, 1971, p. 11.

[26] Reinhard Spree, Angestellte als Modernisierungsagenten, in: Jürgen Kocka (red.), Angestellte im europäischen Vergleich, Göttingen, Vandenhoeck & Ruprecht, 1981, pp. 279-309, hier p. 290.

[27] Mario König, Hannes Siegrist, Rudolf Vetterli, Warten und Aufrücken. Die Angestellten in der Schweiz 1870-1950, Zürich, Chronos Verlag, 1985, p. 14 e.v.

[28] Zie Schmidt-Bachem, op. cit. (noot 6), p. 198.

[29] Weißler, op. cit. (noot 7), p. 53.

[30] Zie Schmidt-Bachem, op. cit. (noot 6), p. 241. Zie ook pp. 242, 247. Bij de invoering van deTütengroschen werd de “Wedstrijd van de duizend zakken” georganiseerd (p. 246).

[31] Weißler, op. cit. (noot 7), p. 53.

[32] “Waarom onze zakken van plastic zijn gemaakt: omdat ze bestaan uit voor honderd procent gerecycleerd plastic. We hebben ons laten vertellen dat zakjes uit honderd procent kringloopmateriaal minstens achttien keer kunnen worden gerecycleerd, papier hoogstens zes keer. […] Voor de enorme berg plastic afval […] lijkt het recycleren van de grondstof voor draagtasjes ons dus een verstandig alternatief. Tot iemand met een ander verhaal komt,” schrijft de alternatieve verzendboekhandel Zweitausendeins op de onderkant van hun zakken (“Tüte Copyright © 2001 by Zweitausendeins”). In 1991 nog was van die kapitalisering van het afval weinig te merken; cf. Volker Grassmuck en Christian Unverzagt, Das Müll-System, Frankfurt am Main, 1991, p. 108 e.v. en p. 145 e.v. Deze auteurs analyseren wel het ‘afvalsysteem’, maar reppen met geen woord over het DSD, hetDuale System Deutschland, dat met DER GRÜNE PUNKT het bestaande systeem ingrijpend zou veranderen. Zie daarover Frahm & Tietjen, op. cit. (noot 4); alsook, van dezelfde auteurs, Der Grüne Punkt (Teil 2), in: glas’znr. 3, Hamburg, 1994, pp. 28-31, en Der Grüne Punkt (Teil 3), in: glas’z nr. 4, Hamburg, 1995, pp. 24-26. Het teken met de drie pijlen in de driehoek en het cijfer vier is het symbool van polyethyleen.

[33] Zie Schmidt-Bachem, op. cit. (noot 6), p. 240.

[34] Ibid., p. 55 e.v.

[35] Ibid., p. 193.

[36] Ibid., p. 208.

[37] Het propagandaoffensief voor papier als milieuvriendelijk materiaal heeft er intussen toe geleid dat ook voor huisvuil papieren zakken worden aangeboden (in Oostenrijk bijvoorbeeld door de firma Alufix).

[38] Heinz Schmidt-Bachem, Von Düten und Plastiktüten. Studien zur Geschichte der Papier, Pappe und Kunststoffe verarbeitenden Industrie in Deutschland im 19. und 20. Jahrhundert unter besonderer Berücksichtigung der Papier und Folien verarbeitenden Industrie zur Herstellung von Tüten, Beuteln, Tragetaschen, proefschrift, Hamburg, 2000, p. 250. Zie bovendien Schmidt-Bachem, op. cit. (noot 6), p. 236 e.v.

[39] Over de ransel en de burgerlijke koffer zie ook: Andrea Mihm, Packend … eine Kulturgeschichte des Reisekoffers, Marburg, Jonas Verlag, 2001, vooral pp. 12-20 en p. 36 e.v. Mihm maakt in haar culturele geschiedenis van de reiskoffer geen gewag van zakken; ze legt wel een verband tussen de reiskoffer en de ransel.

[40] Over moorden waarvoor koffers werden gebruikt, zie Peter Hiess en Christian Lunzer, Mord Express. Die grössten Verbrechen in der Geschichte der Eisenbahn, Wien/München, Dieticke, 2000, vooral p. 114 e.v.

[41] Daniele Marcher, Kassiererin wehrte Messerstich ab, in: Kleine Zeitung, Graz, 27 februari 2002, p. 15.

[42] Roland Barthes, Mythologieën, Utrecht, Uitgeverij IJzer, 2002, p. 189.

[43] Zonder vermelding van auteur of datum op het internet gevonden onder de titel Die Welt der Tüten, http://www.ueber30.de (maart 2002).

 

Illustraties

pagina 5: papieren draagtassen met koorden handvat uit de jaren 1920-30

pagina 6 & 7: plastic zakken (van links naar rechts) Birkel, 1996; Kunstmuseum Bonn, 1997; Lesonal, 1996; Bodensee, 1995; Rozen, thermo-pack, 1995; Coburger Tageblatt, 1986; Grünenthal (groen), 1990; …wir sind Spitze, thermo-pack, 1984

Bovenstaande tekst is een vertaling van het essay Kleine Theorie der Tüten, geschreven voor de catalogus van het project KUNST.STOFF.TÜTEN plastic bags (red. Susanne Gerber), Ostfildern-Ruit, Hatje Cantz Verlag, 2002, pp. 36-56.