Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 102 maart-april 2003

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jean-François Texier/Arnout Mik

Op het eerste gezicht hebben de oeuvres van Jean-François Texier (Saintes, 1970) en Aernout Mik (Groningen, 1962) weinig of niets gemeen. Toch levert de dubbeltentoonstelling in Le Collège/Fonds Régional d’Art Contemporain Champagne-Ardenne een interessante confrontatie op, waarbij de installaties van beide kunstenaars aan scherpte winnen.

Nomen est omen. Etymologisch heeft de naam Texier dezelfde stam (het latijnse texere) als het Franse tisser dat ‘weven’ betekent. In zijn geboortedorp in de Charente beoefent Jean-François Texier de eeuwenoude kunst van het weven en breien. Zijn basismateriaal is niet zozeer de draad als wel de tijd. Op die manier staat hij dichter bij Penelope dan bij Ariadne. Ondanks de fysieke inspanning – Texier breit met dikke draden en buitenmaatse naalden – en de esthetische kwaliteiten van het resultaat, zijn breien en weven in zijn ogen vooral symbolische activiteiten. Bij deze recente tentoonstelling heeft men echter de indruk dat Texiers aandacht verschuift van filosofische bespiegelingen over de tijd, en dan vooral de zwevende of uitgestelde tijd, naar het actieve handelen. De tijd wordt korter, de actie intenser en de inspanning fysieker.

Het oudste werk is een Franse driekleur, gebreid uit een streng grove wol van negen kilometer lang, waarin artificiële pailletten verwerkt zijn. De vlag hangt niet aan een mast maar aan een werpspies die in de muur werd gegooid, en die hier meer weg heeft van een breinaald. De vloer is beschilderd met banen van een sportpiste met horden. Tijd en fysieke inspanning komen hier samen in de sport.

Boxing Queen is een nieuwe installatie die Texier speciaal voor deze tentoonstelling realiseerde, een hommage aan de beoefenaars van de ‘nobele kunst’ en meer bepaald aan de Panamese bokser Al Brown, de minnaar van Jean Cocteau, bijgenaamd ‘de zwarte waterjuffer’, en aan de door Alain Delon zeer bewonderde Carlos Monzon, alias El Macho. Hiermee is de toon gezet voor een broeierige, seksueel geladen en agressieve sfeer. In een smalle ruimte van dit voormalige jezuïetencollege installeerde Texier de vestiaire van een bokslokaal met banken, bokshandschoenen, affiches en metalen vestiairekasten. Op de binnenkant van elke vestiairedeur plakte hij een foto van zichzelf in de meest verscheidene bokshoudingen. De foto’s zijn niet zomaar erotisch, maar expliciet (homo)seksueel. Het kleine formaat en het feit dat ze in de kastjes verborgen blijven, roept niet alleen een spanning op tussen het exhibitionisme van de kunstenaar en het voyeurisme van de beschouwer, maar ook tussen het intieme en het publieke van dit werk, het sensuele en het agressieve, de glamour en de ellende. Boxing Queen is daarmee in de eerste plaats een metafoor voor de kunstenaar.

Net zoals Texier creëert Aernout Mik zijn eigen tijd en zijn eigen ruimte, al lijkt hij ons vooral te doen geloven dat hij daarbuiten staat. Aernout Mik observeert, maar het geobserveerde werd door hemzelf in scène gezet. Op het gelijkvloers van Le Collège toont hij twee recente videoprojecties. In Park observeert hij een fuif ergens op een open plek in het bos. In Flock (kudde), registreert hij scrupuleus alle bewegingen van mens en dier die in een gesloten ruimte een wezenloos bestaan leiden. De ruimte is onbepaald. Moeilijk uit te maken of we ons ergens binnen of buiten bevinden. Ook het tijdstip van de dag is niet duidelijk, vroeg in de morgen of laat op de avond. De scène roept herinneringen op aan beelden van gevangenen, zwervers, daklozen of politiek vluchtelingen. Hun bewegingsvrijheid is beperkt, maar de reden daarvoor is niet duidelijk. Ze lijken in transit, maar tegelijk dringt tot ons door dat deze voorlopige situatie wel eens definitief zou kunnen zijn.

De gesloten ruimte van Flock wordt door de camera vastgehouden in een omcirkelende beweging. Een tweede camera filmt dezelfde situatie vanuit een ander gezichtspunt. Beide beelden worden naast elkaar geprojecteerd, waardoor deze lethargische scène een dynamische vorm krijgt.

In Park zorgt de dynamiek van de dansers zelf voor beweging, maar door de langzaam op en neer bewegende camera wordt hun vitaliteit afgeremd. De verticale camerabeweging registreert immers evengoed het immobiele karakter van de hoge loodrechte bomen als de op en neergaande beweging van de dansers. De personages maken wel allerlei theatrale bewegingen, maar de choreografie wordt bepaald door de camera.

De blik van Aernout Mik is niet antropologisch. Zijn situaties zijn geen laboratorium waarin het sociale gedrag van mens en dier bestudeerd of beoordeeld wordt. De relatie van de lichamen tot de ruimte is louter formeel. De afwezigheid van een geluidsband versterkt het plastisch uitgangspunt van deze tableaux-vivants. Het steeds herhalen van dezelfde beelden is niet verhalend, maar zegt wel iets over de wetmatigheid van noodlottige processen die ontsnappen aan de menselijke wil.

 

• Jean-François Texier en Aernout Mik, nog tot 23 maart in Le Collège/Fonds Régional d’Art Contemporain Champagne-Ardenne, 1 place Museux, 51100 Reims (03/26.05.78.32; frac.champagneardenne@wanadoo.fr).