Dries Vande Velde

DE WITTE RAAF

Editie 102 maart-april 2003

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Herzog & De Meuron - Natural History

“We hebben grotendeels de idee gevolgd zoals die is voorgesteld door Kurt Forster, de initiatiefnemer van het project, en de curator Philip Ursprung. Zij hebben de tentoonstelling opgevat naar het voorbeeld van de klassieke opstelling in natuurhistorische musea. We hebben ons archief als een Wunderkammer voor de geïnteresseerde toeschouwer opengesteld en de inhoud ervan naar de tentoonstellingsruimte overgebracht. Aangezien architectuur zelf niet tentoongesteld kan worden, zijn we gedwongen daar telkens weer substituten voor te vinden.

Met dit opmerkelijk gedweeë statement beëindigen de Zwitserse architecten Jacques Herzog en Pierre de Meuron hun eigen tekst Just Waste – welgeteld vier alinea’s lang – in het boek Herzog & De Meuron – Natural History. Het boek is in feite de catalogus van de tentoonstelling Archaeology of the Mind waarover de passage spreekt, en is volledig in dezelfde natuurhistorische lijn opgevat als de tentoonstelling. Waar de tentoonstelling de werkstukken van H&deM onderbracht in een hedendaagse versie van de oude rariteitenkabinetten vol gerubriceerde curiosa, gebruikt het boek dit materiaal als achtergrond voor een reeks essays en interviews.

Het boek Natural History is in alle opzichten opgevat als een briljant kleinood: zwartlinnen ingebonden rug, zwarte cover met enkele silhouetten in diepdruk, eerbiedwaardig zwaar papier en een leeslint. Het is verdeeld in zes secties die elk aan een dubbel thema zijn opgehangen, zoals “imprints & moulds”, “stacking & compression”, enzovoort. Elk hoofdstuk begint met een kort interview met Herzog & de Meuron, waarin het betreffende thema aan bod komt. Naast het interview worden per thema een aantal stukken uit het archief van de architecten voorgesteld: fantastische werkmaquettes, technische modellen op ware grootte, foto’s van kunst en kunstenaars, enzovoort. Daarna volgen telkens een aantal essays van historici, wetenschappers, kunst- en architectuurtheoretici. Deze gaan soms over de architecten (Herzog & de Meuron and Gerhard Richter’s Atlas, p. 201), maar ze kunnen net zo goed het fenomeen van wervelstromingen op nanoschaal uiteenzetten (On Vortices, p. 118). Het boek sluit af met een zeer beknopt overzicht van de projecten en gebouwen van H&deM. De projecten 1 tot en met 205 worden getoond met telkens één afbeelding en de basisgegevens.

Het resultaat van dit alles is een prachtige en aanstekelijke uitgave, die zich expliciet over het ‘wezen’ van architectuur wil buigen zonder één echt architectuurplan te tonen. Analoog aan de gerealiseerde bouwwerken van Herzog & de Meuron zelf, handelt het boek veeleer over een uitgekiende wisselwerking tussen materie (het fenomenologische) en poëzie (het conceptuele). Het gebruikelijke maatschappelijke discours over bouwkunst blijft achterwege. Door die afstandelijke positie ten opzichte van de eigen discipline lijkt het boek, net als de tentoonstelling, gebaseerd op het Herzog & De Meuron-credo dat architectuur alleen kan worden tentoongesteld en voorgesteld via een substituut. Het Zwitserse duo ging nog verder, en weigerde om zelf hun eigen mentale archeologie op te stellen voor het boek. Zij zijn immers architecten, geen schrijvers. Voor het schrijven schakelen ze dus historici, wetenschappers, kunst- en architectuurtheoretici in. Maar terwijl deze vorm van ghostwriting voor de tentoonstelling wellicht een zeer plausibele invalshoek opleverde, leidt dit in het boek soms tot herhalingen, een gebrekkige samenhang en een pijnlijk sacrale toon.

Hoe klassiek het boek zich ook voordoet – door de referentie aan boeken over evolutieleer en natuurlijke historie – het is overduidelijk een hedendaags collageboek geworden. Auteurs met verschillende achtergronden schrijven over verschillende onderwerpen, maar dan wel binnen één kader dat alles samenhang moet geven. Dat kader bestaat in dit geval niet zozeer uit de bouwwerken van H&deM, maar uit hun stellingname dat architectuur beschouwd moet worden als een universeel aanvoelen gebaseerd op materie en zintuigelijkheid – architectuur als fenomenologische verleiding. Het is precies deze eigenschap die sommige projecten van de twee architecten een onweerlegbare evidentie geeft. Zonder enige twijfel ligt de coherentie van de recente tentoonstelling in het vergelijkbare appeal van de archiefstukken en de toegevoegde objecten. Maar in het boek verliest dit idee zijn synthetiserend vermogen. Uiteindelijk gaat alles in het boek over fenomenologie, maar bij het bekijken van de essays blijkt die noemer zo rekbaar dat de auteurslijst leest als de studiefolder van een universiteit: van scheepsbouwingenieur tot landbouwingenieur en historicus. En in tegenstelling tot de gebouwen kan het boek niet bogen op een programmatische en organisatorische samenhang. Het essay over de wervelstromingen op nano-schaal is dan ook niet de enige vreemde eend. De opdeling van de essays in thematische hoofdstukken is erg betwistbaar. Verschillende auteurs halen de relatie aan tussen H&deM en Joseph Beuys, zonder dat daar verder iets mee gebeurt. Een aantal van de artikels trekt de fenomenologische lijn door tot intellectualistische beslommeringen over leven en dood. Natural History verstikt bij momenten haar eigen onderwerp – de architectuur – in interdisciplinaire en bloedeloze beschouwingen over kunst of populaire natuurwetenschap.

Niettegenstaande het problematische karakter van een aantal essays en de holle esthetisch-filosofische samenhang, blijft het overzicht echter indruk maken door het werkmateriaal en het intellectuele potentieel ervan. Dat heeft zeker met de accenten van Herzog & De Meuron te maken, maar nog meer met het feit dat het boek een poging is om de materialistische richting binnen de hedendaagse architectuur op te vatten als de uitkomst van een evolutionaire geschiedenis. De essays in dit boek trachten dan wel op krakkemikkige wijze het recente verloop van deze geschiedenis bloot te leggen, maar onder andere de uiteenzettingen en objecten van H&deM laten zien hoe deze geschiedenis vorm krijgt in de vlucht van de architect voor zijn zelfgeschapen canon. Natural History maakt duidelijk dat juist die gedwongen evolutie het H&deM-bureau bij momenten het meest begeerde statuut binnen de hedendaagse architectuurpraktijk oplevert: dat van architectuurlaboratorium.

 

• De tentoonstelling Herzog & De Meuron, Archeology of the Mind loopt nog tot 6 april in het Canadian Centre for Architecture in Montréal (www.cca.qc.ca) en is in de herfst van 2004 te zien in het NAi (Rotterdam). Het boek Herzog & De Meuron – Natural History (red. Philip Ursprung) werd in 2002 uitgegeven door Lars Müller Publishers (P.O. Box 912, 5401 Baden, Zwitserland; 056/430.17.40; www.lars-mueller-publishers.com) in samenwerking met het Canadian Centre for Architecture (CCA) van Montréal, dat het tentoonstellingsproject organiseerde. ISBN 3-907078-85-3 (Engels); 3-907078-86-1 (Frans); 3-907078-84-5 (Duits).