Petra Brouwer

DE WITTE RAAF

Editie 103 mei-juni 2003

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Jacqueline Hassink

Vanaf zijn uitvinding in de negentiende eeuw moest het kantoorgebouw de macht van de onderneming uitstralen. Alle mogelijke historische gebouwen dienden hierbij als voorbeeld. Het Woolworthbuilding (New York, 1913) imiteerde de gotische kathedraal, het Emerson Building (Baltimore, 1911) had een bekroning die exact leek op die van het Palazzo Vecchio in Florence, en de Egyptische piramides werden in San Francisco nagebouwd door de Transamerica Corporation, die vervolgens met hun icoon adverteerden: “The power of the pyramid is working for you.” Byzantijnse koepels bekroonden lobby’s, glas-in-loodramen decoreerden trappenhuizen, ontvangstvertrekken leken op die van Franse vorstenhuizen uit voorbije eeuwen. Kosten noch moeite werden gespaard om de rijkdom, smaak en ondernemingszin van bedrijven aan de buitenwereld te tonen.

Wie de tentoonstelling Mindscapes van Jacqueline Hassink in Huis Marseille in Amsterdam bezoekt, of de bijbehorende catalogus doorbladert, vraagt zich af wanneer het dan is misgegaan. Hassink drong met haar camera door tot in het zenuwcentrum van de economische grootmachten van de eenentwintigste eeuw. Ze fotografeerde de werkkamers van de directeuren (ceo’s), de lobby’s en de vertrekken van de raad van bestuur van de grootste multinationals in Amerika en Japan. Stuk voor stuk laten de foto’s zien dat de directeuren en raden van bestuur in ieder geval op architectonisch gebied het spoor volledig bijster zijn. Ze bedienen zich kennelijk niet meer van toparchitecten, die met een compleet ontwerp van gevel tot bureaustoel, van ontvangstruimte tot tapijt, de macht een smaakvol uiterlijk kunnen geven.

De meeste lobby’s zijn nog wel bekleed met marmer, maar meer dan bekleden is het ook niet. De vloertegels in de lobby van Canon (Tokio) zijn in een treurig rechttoe rechtaan patroon gelegd, en de zuilen dragen lichtgewicht plafondplaten. Een rode brandblusser vormt ongewild het enige kleuraccent in de smetteloos witte ruimte. De rituele betreding van een gebouw is in de moderne lobby gereduceerd tot het nemen van een draai- of schuifdeur, met aan weerszijden een lusteloze plantenbak (Kyocera, Kyoto). De directeurskamers en die van de raden van bestuur laten de vergeefse poging zien om macht in een modern kantoorpand een klassiek en historisch uiterlijk te geven. Bij Accenture (Chicago) en Fushimiku (Kyoto) benadrukt de symmetrische opstelling van de langgerekte vergadertafel de belijning van de systeemplafondplaten en de lichtbakken. Uit de houten lambrisering steken witte lichtknopjes en stopcontacten.

De traditionele opstelling van het directeursbureau – vrijstaand in de ruimte, met een imposante leren stoel erachter – levert problemen op met de moderne apparatuur. Snoeren van computer, fax en telefoon bungelen aan de zijkant van het bureau (Nissan, Tokio) of de computer staat op een verrijdbaar bijzettafeltje (E.I. DuPont, Wilmington). Het lijkt wel of alle moderne attributen – de papierversnipperaar, de gescheiden-afval-prullenbak, de flip-over, de verrijdbare bureaustoel – er op gericht zijn de waardigheid van mahonie- en eikenhout, stuc en leer te ondermijnen.

Terwijl van de vertrekken in de bovengenoemde reeks foto’s nog een streven naar het verbeelden van macht is af te lezen, ontbreekt zelfs dit streven in de werkplekken die het onderwerp zijn van de fotoreeks Cubicles. Het betreft hier de flexibele werkplekken van de vijf beste engineers van SunMicrosystems, Silocon Graphics, Intel, Cisco Systems, Oracle en Microsoft. Aan hun werkplek is de genialiteit van deze computerelite niet af te lezen. Knuffeldieren, ingelijste poezenfoto’s, baseballpetjes en goedkope prullaria sieren hun gipswanden. Het meest terugkerende attribuut op elke kamer is de onuitgepakte verhuisdoos. De nieuwe economische elite is op drift en laat zich niet representeren door een architectonische vormentaal. De enkeling die een poging waagt enige waardigheid aan zijn omgeving te geven, bereikt het tegendeel. De gipswanden lijken te bezwijken onder het gewicht van een paar ingelijste oorkondes of een enkel kunstwerk.

Hassinks foto’s van de economische macht zijn een goudmijn voor architectuurhistorici en -critici. Ze laten een heel ander beeld zien dan de enkele architectonische hoogtepunten van kantoorgebouwen die in architectuurtijdschriften worden besproken. De ontluisterende entourage waarin ook de economische elite zich elke dag bevindt, geeft te denken over de status die architectuur vandaag de dag nog bezit. Hassinks eigen interesse ligt echter op het antropologische vlak, en gaat uit naar de diffuse scheidslijn tussen het private en publieke domein. Haar belangstelling hiervoor werd gewekt, zo schrijft ze in de catalogus, toen ze bezig was met de serie Female Power Stations: Queen Bees (1996-1998). Hiervoor wilde ze zowel de werk- als eetkamer van veertien vrouwelijke topbestuurders vastleggen. De zeven geselecteerde Amerikaanse vrouwen gaven toestemming, maar van de zeven Japanse vrouwen was maar één bereid haar privé-vertrek te laten fotograferen. De titel van tentoonstelling en boek, Mindscapes, slaat op het gegeven dat mensen, afhankelijk van hun persoonlijke karaktertrekken, belangstelling, kennis en sociale achtergrond, verschillende opvattingen hebben over wat privaat en publiek is.

Het project Mindscapes bestaat uit een aantal series. De foto’s van de directeurskamers, lobbies en de kamers van de raden van bestuur maken deel uit van de serie 100 CEOs – 10 Rooms, USA & Japan. Van honderd ceo’s werden de private en meer publieke vertrekken gefotografeerd. In de series Personal Coffee Cups, USA en Cubicles, USA zijn de attributen gedocumenteerd die de anonieme, neutrale werkomgeving persoonlijk maken, zoals de koffiebeker, de screensaver en de persoonlijke spullen op het bureau. Training Center for Salarymen, Japan laat de ruimtes zien waar Japanse werknemers getraind worden in de bedrijfscultuur van hun aanstaande werkgever en waar ze, aldus Hassink, deel worden van een soort publieke ‘familie’, een fenomeen dat typisch Japans is. VIP Fitting Rooms, USA & Japan documenteert de speciale paskamers die luxueuze modehuizen als Chanel, Gucci en Gianni Versace voor vips reserveren – een publiek domein wordt hier uiterst privé voor de duur dat een persoon de paskamer gebruikt. The Shoe Project, USA ten slotte richt zich op de schoenencollecties van een aantal vrouwen: schoenen drukken immers de persoonlijke smaak van iemand uit en maken deze tegelijk publiek.

In hun catalogusteksten benadrukken Els Barents en Sarah Anne McNear Hassinks meticuleuze, systematische werkwijze die in de traditie van Bernd & Hilla Becher zou staan. Voor een systematisch onderzoek van het fenomeen mindscapes zijn de invalshoeken van de verschillende series echter te weinig op elkaar afgestemd. Tussen de foto’s van schoenen, trainingscentra en koffiekoppen ontstaat geen verband. Ook zijn de selectiecriteria binnen een serie als 100 CEOs - 10 Rooms, USA & Japan onduidelijk. Hassink definieerde tien ruimtes waar het werkleven van deze directeuren zich grotendeels afspeelt; vijf in de meer private sfeer, zoals hun bedrijfsauto en werkkamer, vijf in de meer publieke sfeer van het bedrijf, zoals de lobby en het bedrijfsrestaurant. Terwijl Hassink bij vorige projecten elke deelnemer dezelfde vraag voorlegde, en door ook alle afwijzingen te registreren de status van het private domein blootlegde, maakte ze in de serie 100 CEOs zelf een voorselectie van drie tot vijf ruimtes. Dit heeft als gevolg dat bijvoorbeeld de tuin bij het ene bedrijf niet gefotografeerd is omdat er niet om gevraagd werd, terwijl bij het andere bedrijf toestemming geweigerd is. Het vergt veel gepuzzel om deze informatie te achterhalen, wat jammer is omdat de informatie interessante inzichten oplevert. Verbazingwekkend weinig bedrijven zijn bereid mee te werken; zelfs hun lobby mag nog niet op de foto worden vastgelegd. En geen enkele directeur liet de camera toe op zijn werkplek thuis, noch in zijn bedrijfsauto. De huidige economische machthebbers lijken wel onzichtbaar te willen zijn. De vraag dringt zich op wat ze te verbergen hebben.

 

• Mindscapes van Jacqueline Hassink loopt tot 1 juni in Huis Marseille, Keizersgracht 401, 1016 EK Amsterdam (020/531.89.89; www.huismarseille.nl). De catalogus, met teksten van Els Barents en Sarah Anne McNear, verscheen in 2003 bij Birkhäuser Publishers for Architecture, Viaduktstrasse 42, 4051 Basel (061/205.07.07; www.birkhauser.ch). ISBN 3-7643-6993-0.