Kees Keijer

DE WITTE RAAF

Editie 103 mei-juni 2003

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Emil Nolde

Dat de tentoonstelling Emil Nolde, Pionier van het expressionisme, die georganiseerd is door de Städtische Galerie van Karlsruhe, ook Nederland aandoet, mag tamelijk uitzonderlijk worden genoemd. Exposities van belangrijke vroegtwintigste-eeuwse kunstenaars gingen de laatste jaren steeds aan Nederland voorbij. Het zou bijvoorbeeld prachtig zijn geweest als de reizende Beckmanntentoonstelling naar Amsterdam was gekomen, de stad waar Beckmann tijdens de oorlog woonde en waar hij schilderijen maakte die tot het beste van zijn oeuvre behoren. Het enige museum in Nederland dat nog wel geregeld aandacht besteedt aan de grote pioniers van de moderne kunst is het Gemeentemuseum Den Haag, dat onlangs nog een overzicht liet zien van de vroege Mondriaan – een tentoonstelling die overigens voornamelijk bestond uit werken uit de eigen collectie. De schilderijen, tekeningen en prenten in deze Noldetentoonstelling komen grotendeels uit de nalatenschap van de schilder, die is ondergebracht bij de Stiftung Seebüll Ada und Emil Nolde.

Emil Nolde (1867-1956) geldt als een van de belangrijkste schilders van de twintigste eeuw, maar de Nederlandse musea zijn niet rijkelijk bedeeld met zijn werk. Tekeningen en prenten zijn in de loop der jaren aangekocht in Den Haag, Amsterdam en Rotterdam, maar er bevindt zich slechts één schilderij in een Nederlandse openbare collectie: Schmied und Schneider uit 1919 (Stedelijk Museum Amsterdam). Ook tentoonstellingen van zijn werk waren er in Nederland nauwelijks. In 1958, twee jaar na Noldes overlijden, vond in Amsterdam een overzichtsexpositie plaats. Daarna duurde het tot 1983, toen een bescheidener tentoonstelling werd georganiseerd door de Zonnehof te Amersfoort. Die geringe aanwezigheid van Nolde in Nederland is des te opmerkelijker omdat de Duitse expressionisten waartoe Nolde gerekend wordt, zowel in Den Haag als in Amsterdam een belangrijk zwaartepunt van de verzameling vormen.

Zou dit te maken hebben met Noldes sympathieën voor het nazi-regime? Volgens een artikel van Gregor Langfeld in de wetenschappelijke uitgave die naast de catalogus verscheen, lijkt dat weinig waarschijnlijk. In zijn bijdrage over de receptiegeschiedenis van het Duitse expressionisme in Nederland stelt Langfeld dat museumdirecteuren en critici op de hoogte moeten zijn geweest van Noldes affiniteit met het nationaal-socialisme, maar dat kranten het opmerkelijk genoeg niet de moeite waard vonden om dit te vermelden. Belangrijker was dat Nolde, net als andere expressionisten, in 1937 entartet was verklaard. Daardoor belandde hij na de oorlog in het kamp van de ‘goede Duitsers’. Langfeld suggereert dat de Hollandse koopmansgeest een grotere rol heeft gespeeld in het afketsen van Nolde-aankopen: “Qualität, aber dann bitte nicht zu teuer.”

Mede door Noldes memoires Jahre der Kämpfe, verschenen in 1934, is het beeld ontstaan dat de schilder een teruggetrokken bestaan leidde en weinig contact onderhield met collega-kunstenaars, kunsthandelaren, kunsthistorici en verzamelaars. Dat beeld wordt nu door het Gemeentemuseum bijgesteld, door niet alleen werk van Nolde zelf te tonen, maar ook werk van tijdgenoten en oudere geestverwanten in de tentoonstelling op te nemen. Zo is er grafiek te zien van kunstenaars als Karl Schmidt-Rotluff, Ernst Ludwig Kirchner en Erich Heckel, die de tien jaar oudere Nolde als een geestverwant zagen en hem in 1906 uitnodigden om toe te treden tot de Dresdense kunstenaarsgroep Die Brücke. Verder zijn er schilderijen van Munch, Strindberg en andere noordse kunstenaars in de tentoonstelling opgenomen.

De expositie belicht Noldes werk in de jaren tussen 1905 en 1913. In deze relatief korte periode nam zijn oeuvre een cruciale wending. Nolde, die werd geboren als Hans Emil Hansen, werd opgeleid tot houtsnijder en ging zich pas na zijn dertigste toeleggen op het kunstenaarschap. Zijn werk stond aanvankelijk sterk onder invloed van het impressionisme. Nadat hij in aanraking was gekomen met werk van Gauguin, Munch en Van Gogh, wiens familie hij in 1910 tijdens een reis naar Nederland bezocht, werd zijn beeldtaal steeds krachtiger en autonomer. De tentoonstelling laat die artistieke ontwikkeling min of meer chronologisch en vooral thematisch zien. Terwijl de eerdergenoemde Mondriaantentoonstelling was opgezet als één lange aaneenschakeling van schilderijen en tekeningen, die de weg van de waargenomen werkelijkheid naar de abstractie zichtbaar maakte, is Emil Nolde: pionier van het Expressionisme minder rechtlijnig.

De ontwikkeling van de Duitser kan dan ook springerig genoemd worden. Stilistisch evolueert zijn werk van impressionisme naar expressionisme, maar thematisch vertoont Noldes werk een opmerkelijke diversiteit. In 1910-1911 verkent hij het uitgaansleven in de cabarets en cafés van Berlijn, maar in dezelfde jaren neemt hij de stoomschepen in de haven van Hamburg als motief, en schildert hij op het eiland Alsen een serie onstuimige Herfstzeeën. Tegelijk maakte hij stillevens met exotische figuren, fetisjbeelden en maskers die hij in het Berlijnse Museum voor Volkenkunde bestudeerde. En net zo makkelijk schakelde hij over op onvervalst bijbelse onderwerpen – daarin is juist weer een parallel te ontdekken met de theosofische thematiek van Mondriaan.

Nolde beschouwde zijn bijbelse thema’s, waarvoor hij zich liet inspireren door Rembrandt, als het belangrijkste deel van zijn oeuvre, maar deze categorie komt in Den Haag niet goed uit de verf, omdat de getoonde voorbeelden nogal sentimenteel zijn. Het negendelige werk Het leven van Christus, dat zich ook in de collectie van de Nolde-Stiftung bevindt, en waarvan het middenpaneel herinnert aan Grünewald, zou een welkome aanvulling zijn geweest; ook het krachtige drieluik Legende: De Heilige Maria van Egypte uit de Kunsthalle Hamburg ontbreekt helaas op de Haagse tentoonstelling.

De keuze uit de stillevens met maskers en niet-westerse sculptuurtjes is gelukkiger en ook de zaal met schilderijen van tuinen en parken, waar Noldes werk wordt getoond naast vergelijkbare doeken van kunstenaars als Van Gogh en Kirchner, mag er zijn. De stillevens met maskers ontstonden vlak na een bezoek van Nolde aan James Ensor in 1910. Nolde bleek nogal onder de indruk van de ontmoeting in Oostende, maar afgaande op zijn herinneringen werden er niet bijster veel ideeën uitgewisseld: “Wij zaten tegenover elkaar, onze ogen begrepen elkaar, alleen elkaar verstaan konden wij niet.”

 

• Emil Nolde: pionier van het Expressionisme loopt nog tot 1 juni in het Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41, 2517 HV Den Haag (070/338.11.11; www.gemeentemuseum.nl). Naast de catalogus is er een vorig jaar verschenen wetenschappelijke publicatie getiteld Nolde im Dialog 1905-1913. Quellen und Beiträge, uitgegeven door Hirmer Verlag, Nymphenburger Straße 84, 80636 München (089/12.15.16.63; www.hirmerverlag.de).