Lieven Van Den Abeele

DE WITTE RAAF

Editie 103 mei-juni 2003

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Nicolas De Staël

Nicolas de Staël (1914–1955) is een mythe die in Frankrijk om de tien jaar wordt opgewarmd. Na zijn retrospectieve tentoonstellingen in het Grand Palais (1981) en de Fondation Maeght (1991) is het nu de beurt aan het Centre Pompidou om de reputatie van deze getourmenteerde schilder te toetsen aan de artistieke kwaliteiten van zijn werk. Zijn succes heeft meer te maken met zijn leven dan met zijn kunst; het leven van De Staël bevat immers alle clichés van het romantische kunstenaarsbestaan – van ballingschap en weeshuizen, armoede en drankzucht tot de dood van zijn geliefde en een uiteindelijke zelfmoord. Op de beroemde foto van Denis Colomb, gemaakt tijdens de zomer van 1954 in zijn Parijse atelier, zien we een timide maar aantrekkelijke jongeman met een ietwat melancholische blik. Dit beeld heeft meer bijgedragen aan de mythevorming rond de schilder dan al zijn schilderijen bij elkaar.

Nicolas de Staël werd geboren in Sint-Petersburg in 1914. In 1919 vluchtte zijn aristocratische familie voor de communisten naar Polen. Op zijn achtste kwam hij als wees in Brussel terecht, waar hij later studeerde aan de Brusselse Academie. Een van de eerste schilders waarvan hij het werk leerde kennen, was Constant Permeke. De invloed van diens landschappen en zeegezichten en vooral de matièristische verfbehandeling en het gebruik van het paletmes, is in De Staëls vroege werk duidelijk zichtbaar. Na de oorlog raakte hij in Parijs intiem bevriend met Georges Braque. In Nice toonde Alberto Magnelli hem de weg naar de abstractie. Toch zou De Staël nooit een abstracte schilder worden, hoezeer hij zijn motieven ook abstraheerde.

Zijn passie voor muziek en dans resulteerde in portretten van danseressen (Les Indes galantes, 1953) en muzikanten (L’Orchestre, 1953). Naarmate het motief wordt herhaald, verliezen zijn schilderijen hun materieel karakter en winnen ze aan licht, kleur en ruimtelijkheid. Landschappen en stillevens bleven zijn belangrijkste onderwerpen; maar ook een voetbalmatch kon hem inspireren. In maart 1952 greep hij de wedstrijd Frankrijk-Zweden in het Parc des Princes aan om in een twintigtal schetsen en voorstudies de kleur en beweging van de spelers te analyseren. De spectaculaire presentatie van deze monumentale compositie, in een verduisterde ruimte met een theatrale belichting, egaliseert de subtiele contrasten van materie en toon en banaliseert zijn picturale observatie omwille van de anekdotiek.

Na een verblijf in de Provence en een reis naar Sicilië vestigde De Staël zich in 1954 in Antibes. Zijn atelier bood een prachtig uitzicht over de Middellandse Zee. Hier schilderde hij met sterk verdunde verf in vloeiende bewegingen zijn laatste objecten in de ruimte. Niet alleen het vluchtige van de muziek, maar ook de peervormige cello in Le concert (1955) herinneren aan het klassieke memento mori. De zwarte piano krijgt de vorm van een doodskist. Zijn meest ambitieuze werk, meer dan drie meter hoog en zes meter breed, is onafgewerkt gebleven. Wat het hoogtepunt van zijn carrière had moeten worden, werd de kroniek van een aangekondigde dood: op 16 maart 1955 stortte de schilder zich uit het venster van zijn atelier de diepte in.

Op de vraag naar de actualiteitswaarde van dit oeuvre antwoordt Alfred Pacquement, directeur van het Musée national d’art moderne, in Le Monde dat dit oeuvre ook vandaag nog belangrijk is omwille van de “de genomen risico’s, de momenten van twijfel en crisis”. Maar ook omwille van “de tegenstrijdigheden en de onbevredigende aspecten”, aldus Jean-Paul Ameline, organisator van de tentoonstelling, in hetzelfde interview. Het werk van De Staël werd door zijn tijdgenoten beschouwd als een synthese tussen figuratie en abstractie. “Een schilderij zou tegelijk abstract en figuratief moeten zijn. Abstract als een muur, figuratief als de voorstelling van een ruimte,” schreef hij zelf. Vandaag lijkt zijn oeuvre eerder een compromis tussen beiden.

Ondanks zijn eigenheid blijft Nicolas de Staël verbonden met de tweede Parijse School. Hij construeert kleurvlakken met een subtiel palet en beweegt zich daardoor tussen de geometrische en de lyrische abstractie, zonder ooit helemaal abstract te worden. Zijn werk blijft zoekende, maar forceert geen radicale breuk. Het zoeken neigt soms naar een zeker comfort, in het ergste geval naar een vorm van conformisme.

 

• De tentoonstelling van Nicolas de Staël loopt nog tot 30 juni 2003 in het Centre Pompidou, Place Georges Pompidou, 75004 Parijs (01/44.78.12.33; www.centrepompidou.fr).