Steven Jacobs

DE WITTE RAAF

Editie 103 mei-juni 2003

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Valérie Jouve

Het werk van de Franse fotografe Valérie Jouve (°1964) geniet de laatste tijd veel belangstelling. Vorig jaar verscheen bij uitgeverij Hazan een monografie over haar werk, met een interessant essay van Dean Inkster, die de foto’s van Jouve vooral vanuit een fototheoretisch discours leest. Momenteel stelt Jouve in Villeurbanne nabij Lyon een tiental werken – individuele foto’s en fotoreeksen – tentoon.

De publicatie en de tentoonstelling maken duidelijk dat Jouve twee belangrijke tendensen uit de geschiedenis van de stadsfotografie in zich verenigt. Aan de ene kant sluit haar werk aan bij een topografische traditie die de morfologie van het hedendaagse stedelijk terrein in kaart tracht te brengen. Zoals bij veel toonaangevende fotografen sinds de late jaren zestig is dit terrein niet langer de stad met zijn identificeerbare monumenten en panoramische vista’s, maar veeleer een moeilijk te definiëren ruimte met de anonieme architectuur en de open restruimten van de generic city. Deze belangstelling voor wat de Franse antropoloog Marc Augé ooit omschreef als non-lieux, spreekt ook uit Le Grand Littoral, een 16mm-film die Jouve vorig jaar realiseerde en die ter gelegenheid van haar tentoonstelling in Villeurbanne werd vertoond. De film duurt ongeveer twintig minuten en is niet toevallig genoemd naar een plek in Marseille die zich moeilijk in kaart laat brengen. Le Grand Littoral wordt afgebakend en doorsneden door snelwegen, en voor een stuk in beslag genomen door een nieuwe supermarkt en stukjes vegetatie. Jouve laat echter zien hoe een dergelijk terrein het toneel wordt van allerlei ontmoetingen en sociale rituelen; mensen zetten de ruimte naar hun hand op een manier die geen stadsplanner kan voorzien – zo opent de film met het beeld van een met tassen beladen oude man die een pad afwandelt en langzaam doch vastberaden een moordende snelweg oversteekt om zijn weg te kunnen voortzetten.

Anderzijds sluit het oeuvre van Jouve aan bij de zogenaamde street photography, waarin de fotograaf als een flaneur zijn indrukken van het veelkleurige straatleven vastlegt. Ze lijkt zelfs terug te grijpen naar de prille start van deze traditie, die te danken was aan de ontwikkeling van het snapshot, iets meer dan honderd jaar geleden. Net zoals de pioniers van het instantané bevriest Jouve de bewegingen van passanten en reduceert zij hen bijna tot biometrische registraties. Vooral haar wandelaars in zijaanzicht doen aan Muybridge denken, of aan de schematische voorstellingen die José-Maria Eder opnam in zijn La Photographie instantanée: son application aux arts et aux sciences (1888) – “vreemde posities waarin mensen terechtkomen bij een op straat genomen snapshot”. Jouves foto’s celebreren dus geenszins de spontaneïteit van de stedeling, zoals de street photography van Henri Cartier-Bresson, William Klein of Garry Winogrand dat doet. Integendeel, haar registratries van bewegende mensen op straat leunen eerder aan bij het werk van Jeff Wall en Philip-Lorca DiCorcia; in de wijze waarop ze taferelen ensceneert of het beeld digitaal manipuleert – of althans de suggestie wekt dat er sprake is van enscenering of manipulatie – komt haar werk zelfs in de buurt van Cindy Sherman. Jouve slaagt er op die manier in om een documentaire benadering van het stadsleven te combineren met een postconceptueel onderzoek naar de condities van de fotografische representatie. In haar studies van stedelingen analyseert ze niet alleen urbane scenario’s, maar reflecteert ze ook over het fotografische beeld, waarbij ze de indexicale en iconische aspecten van het beeld voortdurend met elkaar laat interfereren.

Zoals gezegd combineert Jouve de conventies van de street photography ook met een topografische interesse. Beide aspecten vinden we zelfs geregeld terug in één en dezelfde foto. Soms herinneren deze beelden aan schilderijen uit de vijftiende en vroege zestiende eeuw, waarin de formules van het portret en het landschap worden gecombineerd. Deze indruk wordt nog versterkt door de lichtwerking, die de figuren vaak van hun omgeving afzondert en opsluit in een psychologische ruimte van rust en geborgenheid. De foto’s danken hun iconische dimensie dus aan het iconische karakter van de personages, waardoor elke narratieve interpretatie van de beelden wordt ontmoedigd. De voorkeur voor vage achtergronden ligt in dezelfde lijn: meestal zijn ze opgebouwd uit fragmenten van inwisselbare en anonieme architectuur, soms zijn ze geabstraheerd tot een betonkleurig oppervlak en af en toe zijn ze door fotografische onscherpte uitgewist. Hoewel nauwelijks lokaliseerbaar en soms onleesbaar, zijn deze stedelijke achtergronden niettemin belangrijk. Enerzijds visualiseren zij de nieuwe morfologie van de geglobaliseerde stedelijke ruimte, waarin het onderscheid tussen centrum en periferie, tussen betekenisvolle plek en identiteitsloze restruimte vervaagt. Anderzijds vestigen ze de aandacht op de soms opmerkelijke houdingen van de personages, die echter nooit breedvoerige dramatische registers aansnijden.

 

• De tentoonstelling van Valérie Jouve loopt nog tot 24 mei in het Institut d’Art Contemporain, rue du Docteur Dolard 11, 69100 Villeurbanne (04/78.03.47.00).