Sven Lütticken

DE WITTE RAAF

Editie 103 mei-juni 2003

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Schilderkunst

Duitsland is in de greep van een schilderkunst-boom. Ook wie zich niet aan vulgair economisch determinisme wil bezondigen, kan zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat de schilderkunst in de huidige sfeer van economische en politieke malaise weer eens een veilige thuishaven biedt voor kopers die geld hebben, maar door de onzekere economie intuïtief op safe spelen en daarom kiezen voor ‘echte kunst’, dat wil zeggen olieverf op doek – net als in de jaren rond 1980. Onder de diverse groepstentoonstellingen die momenteel de hype aanwakkeren legt Painting Pictures – Malerei und Medien im digitalen Zeitalter in het Kunstmuseum Wolfsburg het accent op de wederzijdse invloeden tussen schilderkunst, film, video, fotografie en de computer. Dat kan moeilijk revolutionair worden genoemd – al tien jaar geleden werden daar tentoonstellingen aan gewijd. Nu is dat niet noodzakelijkerwijs een bezwaar, als men tenminste verder gaat dan die eerdere manifestaties en de zaken verder aanscherpt. Daar is helaas geen sprake van. Nieuwe inzichten in de relaties tussen schilderkunst en nieuwere media zijn nergens te bespeuren; hier wordt op pseudo-academische wijze een ‘interessant thema’ gebruikt om aan te haken bij een trend. In de tentoonstelling zijn vrij veel usual suspects verenigd, zoals David Reed met een niet erg overtuigende combinatie van een schilderij en een grote videoprojectie. Tevens zijn er foto’s van Wall en Gursky, waarvan de keuze vooral door gemakzucht lijkt ingegeven (de meeste komen uit de collectie van het museum). Beter gekozen is Wolfgang Tillmans’ videoprojectie van lichten in een club. Door in te zoomen op de lampen, maakt Tillmans van een achtergrondelement iets dat de aandacht voor zichzelf opeist. Moholy-Nagy zou verguld zijn met deze Licht-Raum-Modulator voor het technotijdperk.

De tentoonstelling bevat onder meer voorbeelden van hedendaagse colorfield painting (Monique Prieto, Sarah Morris); complexe, maniëristische composities (Matthew Ritchie, Inka Essenhigh); en de erotisch geladen werken van Jeff Koons en Richard Patterson, waarin op uiteenlopende wijze fotorealistische elementen worden gecombineerd met een collage-esthetiek. Patterson mixt illusionistisch geschilderde verfvegen en -stromen, terwijl Koons lichaamsdelen en objecten door elkaar husselt. Painting Pictures wordt verder vooral gedomineerd door een middelmaat die niet weet of zij voor geforceerde originaliteit moet opteren of voor het zelfvoldaan schilderen van voetnoten. Tot de schaarse verrassingen behoren de psychedelische patronen van Erik Parker, die vol staan met namen uit de New Yorkse kunstscène en aandoen als de obsessieve geschiedschrijving van een fan. De uitschieter onder de jongere garde is echter de Luxemburgse Berlijner Michel Majerus, die enige tijd geleden bij een vliegtuigongeluk om het leven kwam. Het werk van Majerus is ongegeneerde hedendaagse popdesignkunst die goochelt met codes. Vaak neemt Majerus’ werk de vorm aan van een installatie; in Controlling the Moonlight Maze (2002) worden schilderijen en een muurschildering gepresenteerd binnen een driedimensionaal metalen kader, een rechthoekig volume dat wordt gevormd door lijsten die de omtrek van de ruimte dupliceren op geringe afstand van wanden en vloer. Eén schilderij hangt gewoon aan de wand, achter het metalen kader; een tweede hangt vóór de wand, in het denkbeeldige vlak dat door de lijsten wordt gevormd; een derde hangt zover van de wand dat het zich binnen het afgebakende volume bevindt. De vierde wand wordt in beslag genomen door de muurschildering Squirt the Load. De afzonderlijke schilderijen behoren tot de betere in de tentoonstelling; een ervan, The Modern Age ‘Abstract’, toont een soort gemorphde Amerikaanse vlag. Majerus’ installatie is echter vooral als geheel overtuigend – als ambigue reflectie op schilderkunst in tijden van immersieve installaties, waarin het individuele, gemakkelijk vervoer- en verhandelbare schilderij toch van belang blijft.

Tot eind april was in de Kunstverein Hannover de solotentoonstelling The Arena van Luc Tuymans te zien, de schilder die in Wolfsburg prominent afwezig is; in juni doet deze tentoonstelling München aan. The Arena biedt een geconcentreerde blik op Tuymans’ recente productie, met enkele uitstapjes naar ouder werk. Waar Majerus poogde om met felle kleuren, een heldere maar dynamische tekentaal en grote installaties te concurreren met de spektakelcultuur, opteert Tuymans sinds meer dan twintig jaar voor een retoriek van het anachronisme en de ontoereikendheid; zijn schilderijen zijn nadrukkelijk onvolmaakte nabeelden van foto’s en films. Het is typerend dat Tuymans een reeks polaroids toont; dit inmiddels anachronistische procédé levert kwalitatief slechte beelden op, hetgeen door Tuymans’ gebruik van flitslicht nog wordt benadrukt. Een van de foto’s toont een reeds uit Tuymans’ schilderkunstige productie bekend papieren model van een drumstel. Het grote schilderij Recording Studio (2002) is eveneens gebaseerd op een foto van een maquette, die in dit geval teruggaat op de herinnering aan een opnamestudio: het resultaat is een onwerkelijke, generieke ruimte, een non-ruimte met een onrustige ondertoon. In zekere zin is het werk de tegenhanger van The Arena, een vroege assemblage uit 1978 met een geschilderde achtergrond waarvoor een semi-transparant vlak is geplaatst; daarop, en tussen achtergrond en voorgrond, zijn papieren figuurtjes geplakt. Het resultaat is een halfvirtuele en halfreële ruimte, waarin meer wordt gesuggereerd dan uitgesproken.

Bij Tuymans heerst een vreemde, steeds geprononceerdere spanning tussen de vaak beladen iconografie en de suggestie dat zijn schilderkunst slechts zwakke, beschadigde nabeelden te zien geeft. Het schilderij Niks (2002), dat een plant in een plompe pot toont, lijkt een pesterige verdediging van ‘pure’ schilderkunst, die kennelijk berust op het feit dat schilderkunst primair wordt waargenomen als min of meer virtuoos aangebrachte verf op doek. Er zijn ook enkele schilderijen die witte vlakken op een atelierwand tonen: het licht van een diaprojector, het onmisbare hulpmiddel van de hedendaagse schilder – een bemiddelaar tussen fotografisch beeld en verfbeeld. Tuymans stelt hier op bijna modernistische wijze het medium centraal, zij het een medium dat onlosmakelijk verbonden is met andere media. Dat het vlak leeg is, suggereert ook dat iedere invulling ervan willekeurig is, een kwestie van de dia die men uitkiest. In de zaal met Niks en de Slide-werken waren verder ook schilderijen te zien van opgezette apen in een Japans natuurhistorisch museum; ze vormen een soort apenseksdiorama’s. Hier komt een uitgesproken verlangen om met een schokkende iconografie uit te pakken en iets over voyeurisme te zeggen nogal in botsing met Tuymans’ schildertrant, die beter past bij indirecte beelden. In deze zaal resulteert dat in een nogal onevenwichtig ensemble; Tuymans’ werk lijkt hier onderhevig aan een middelpuntvliedende kracht.

De reeks Die Zeit uit 1988, die onder meer een portret van de nazi Heydrich bevat, herinnert eraan dat Tuymans al lang een voorkeur heeft voor zware, beladen onderwerpen. Problematisch wordt dit, zoals in de Kongoserie die twee jaar geleden op de Biënnale van Venetië werd getoond, als hij per se een reeks wil maken over een ‘belangrijk onderwerp’ en vervolgens op zoek gaat naar de juiste beelden. Hij lijkt op zijn best als hij vertrekt van beelden die zich aan hem opdringen en die niet gezocht worden in het kader van een iconografisch programma. Een bijna ideaal geval is de in Hannover getoonde reeks die voor een deel is gebaseerd op foto’s uit een folder over de passiespelen in Oberammergau (1998-99); deze serie lijkt primair uit een fascinatie voor de beelden zelf voort te komen. Voor Tuymans is dit gedroomd materiaal: foute, leugenachtige beelden, reactionaire bijbelkitsch die niettemin een vreemde aantrekkingskracht heeft. In Petrus & Paulus springt de witte, apert aangeplakte baard van de man rechts uit het beeld, net als de lichte partijen die vermoedelijk de weergave zijn van flitslichtreflecties die bij het herfotograferen van de afbeelding ontstonden. Het schilderij Christ toont een Christus die het midden houdt tussen een charlataneske goeroe, een leraar uit de provincie en een antisemitische karikatuur; het doek is geschilderd in de stijl van een Russische sociaal-realist die zijn werk op foto’s baseert maar ook zijn modernistische, primitivistische neigingen niet kan verhelen. Hier ketsen Wolfburgse slogans op af.

 

• Painting Pictures loopt tot 29 juni in het Kunstmuseum Wolfsburg, Porschestrasse 53, 38440 Wolfsburg (05361/266.90; www.kunstmuseum-wolfsburg.de). Luc Tuymans. The Arena is van 6 juni tot 10 augustus te zien in de Pinakothek der Moderne in München en van 23 augustus tot 16 november in het Kunstmuseum St. Gallen.